Tik

Mar 012018
 

Vanwege zijn betrokkenheid bij netwerken die in Nederland protestacties organiseren uit steun voor onderdrukte Marokkanen in het land van herkomst, werd ‘Daan’ diverse keren door de AIVD benaderd. Op een manier die door hem als intimiderend werd ervaren.

Net als in andere landen in de regio raakten begin 2011 burgers in Marokko in de ban van wat de Arabische lente wordt genoemd. Sinds de eerste grote demonstratie op 20 februari 2011 in Rabat gingen regelmatig een paar duizend mensen de straat op. Deze ’20 februari-beweging’ streefde naar vrijheid en rechtvaardigheid. Ook in Nederland werden destijds hier en daar demonstraties georganiseerd uit solidariteit met de beweging in Marokko. Daan was erbij.

‘Daan’ is een maatschappelijk betrokken man van Marokkaanse afkomst en woonachtig in Nederland. Hij geeft een stem aan mensen die moeilijk gehoord worden en neemt deel aan manifestaties en demonstraties tegen onrecht. De politieke ontwikkelingen in Marokko volgt hij nauwgezet. Er gebeurt daar van alles wat het oog niet mag zien en het oor niet mag horen. De AIVD heeft hem inmiddels diverse keren benaderd voor het verschaffen van informatie. Daan begrijpt niet waarom.

 

benadering om 20 februari-beweging

Het was midden in de zomer van 2011 dat Daan gebeld werd op zijn werk. De vrouw aan de lijn noemde zichzelf Najat. Ze kende zijn voor- en achternaam en zei dat ze bij de politie werkzaam was. Ze wilde met hem praten: “Het gaat niet over jou, er is niets ernstigs.” Daan herinnert zich dat het geen open vraag was. Hij moest direct zijn werk verlaten en zich begeven naar een café aan de overkant van de straat.

Daar trof hij twee personen aan, Najat en een man zonder naam. Najat legde hem nu uit dat ze van de inlichtingendienst waren. De anonieme man stelde zich niet voor en zat er bij als een soort van bodyguard; hij was voor Daan de belichaming van de intimidatiemethode van de AIVD. Daan voelde zich zeer ongemakkelijk. Najat vertelde dat hij als de “extra oren en ogen” van de inlichtingendienst moest gaan fungeren. Daan kende de Marokkaanse gemeenschap goed en kon informatie verschaffen die voor de geheime dienst van belang was.

Wat het nut van deze inlichtingen was, bleef tijdens het veertig minuten durende gesprek mistig. Het ging namelijk niet over mensen die van terrorisme werden verdacht of andere criminele activiteiten. Waarover het dan wel ging, wilde Najat niet duidelijk benoemen.

Het ging volgens Najat over wat zich op dat moment in Nederland afspeelde. Daan zou in de gaten moeten houden wie wat en waar organiseerde en welke netwerken er werden gevormd. Gezien de netwerken waarin Daan zich in die periode begaf, kon het niet anders zijn dan dat ze doelde op de Nederlandse tak van de 20 februari-beweging. Daan weigerde beleefd maar kordaat zijn medewerking.

 

benadering om Rif protesten

Begin januari van dit jaar bevond Daan zich met griep thuis toen ‘s middags rond een uur of drie werd aangebeld. Er stonden twee onbekende personen voor de deur, een man en een vrouw. De vrouw groette Daan amicaal, alsof ze oude bekenden waren, wat de verwarring slechts groter maakte. Daan antwoordde gemeten met “hoi”. “Ik ben Tonnie”, zei de vrouw, terwijl ze haar portemonnee pakte en het pasje met foto en blauwe kroontje liet zien. “Ik ben van de AIVD”, vervolgde ze.

De man sprak hem niet aan, herkenning alom. “We willen graag met je praten”, klonk het gedecideerd. Daan vroeg waarover, maar daar kwam geen antwoord op. Enkel wanneer hij hen binnen zou laten of een afspraak met ze zou maken voor een gesprek, zouden ze het onderwerp benoemen en toelichten. Daan vroeg herhaaldelijk naar de aanleiding van hun bezoek. Uiteindelijk gaf Tonnie toe dat het geen persoonlijke benadering was, maar dat ze met hem wilden praten over een aantal ontwikkelingen die gaande zijn.

Daan zag overeenkomsten met het gesprek met Najat en haar anonieme kompaan in de zomer van 2011. Daan is thans wederom bekend met de Nederlandse tak van de volksbeweging in het Rif-gebied in het noorden van Marokko die (opnieuw) oproept tot vrijheid en rechtvaardigheid. In Marokko is momenteel een grootschalige onderdrukking gaande van deze beweging, waarvan meer dan 400 mensen zijn gearresteerd en verdacht worden van oproepen tot een verboden demonstratie.

Daan werd boos over de onbeschofte en intimiderende AIVD-benadering. “Als de overheid informatie wil van mensen uit de Marokkaanse gemeenschap, kunnen ze gewoon een brief sturen met een uitnodiging waar iemand rustig in zijn eigen tijd op kan reageren. Dit hebben jullie een paar jaar geleden ook gedaan en is helemaal niet nodig. Zo ga je niet met burgers om.”

“Hoe komen jullie eigenlijk aan mijn adres en waarom staan jullie zo dwingend bij mij op de stoep?”, wilde hij weten. Tonnie antwoordde dat ze Daan’s gegevens uit de BRP (Basisregistratie Personen) afkomstig zijn en beaamde dat ze wist van de eerdere benadering: “Daarvan zijn we op de hoogte.” De man achter haar stond er zwijgend en met een zelfde gelaatsuitdrukking bij, als een soort van robot. Daan schudde zijn hoofd: “Ik wil hier niets mee te maken hebben, ik vind dit onbeschoft.”

Tonnie bleef herhalen dat ze met Daan wilde praten en benadrukte de vertrouwelijkheid van het gesprek. Ze wilden het discreet houden. Er was niets wat Daan kon uitbrengen om tot ze door te dringen. Wat moest hij doen? De deur dicht gooien, schreeuwen, ze weg duwen? Waartoe waren deze AIVD’ers in staat? Daan voelde zich onveilig. Uiteindelijk gaf Tonnie haar visitekaartje met mobiel nummer en eindigde het gesprek met de woorden: “We bellen je wel een keer.” Het klonk als een waarschuwing waarna ze vertrokken.

 

Onder druk

Op zijn smartphone zag Daan dat hij eerder die dag gebeld was door hetzelfde nummer als op het visitekaartje. Ze hadden zijn 06-nummer klaarblijkelijk al in bezit. Plots herinnerde Daan zich dat een collega op zijn werk hem verteld had dat er iemand voor hem langs gekomen was, terwijl er geen afspraken vast stonden. Na een telefonisch onderhoud met zijn collega werd het duidelijk dat het dezelfde persoon betrof als die bij hem zojuist voor de deur had gestaan.

Tonnie was al op zijn werk langs geweest om informatie te vergaren. Daan werd misselijk van wat hij ervoer als bedreiging en mishandeling.
Een paar weken later, halverwege januari, belde Tonnie inderdaad op, maar Daan nam niet op. Hetzelfde herhaalde zich eind januari. Tonnie belde opnieuw op. Later die dag werd er bij hem thuis aangebeld. Daan liep naar het raam om te kijken wie er voor de deur stond maar zag niemand. Vertwijfeld deed hij de deur open en zag verderop Tonnie en haar partner de straat oversteken en in een auto stappen.

Die avond nam Daan contact op met Buro Jansen & Janssen. Daan wil niet met de AIVD praten, maar heeft het gevoel geen keus te hebben. Ze blijven aandringen, duwen en poken en zijn erg naargeestig. In 2011 had Daan ook al contact opgenomen met Buro Jansen & Janssen maar wilde destijds niets doen met zijn verhaal. Hij had Najat en haar AIVD tijdens dat gesprek afgepoeierd en vond het wel goed zo. Maar ditmaal voelt het anders.

Daan is woedend over de intimidatiepraktijken van de AIVD. “Wat hebben zij tegen mensen die gebruik maken van hun recht en betrokken zijn bij negatieve kwesties die zich in de wereld afspelen? Het gaat hier om mijn vrijheid van meningsuiting en vrijheid om mensen te ondersteunen die zich bewegen in een repressief regime zoals dat van Marokko. Mag dat niet in Nederland?”, vraagt hij zich af. “Mag je niet maatschappelijk betrokken zijn en boos zijn over wat er gebeurt in het land van herkomst?”

Daan, een gefingeerde voornaam, wenst anoniem te blijven en wil ook niet dat zijn woonplaats bekend wordt om eventuele repercussies te vermijden, zowel hier als in Marokko. Buro Jansen & Janssen is in het bezit van opnames, het telefoonnummer dat door de AIVD aan Daan is gegeven en de gegevens van de auto die Tonnie en haar collega gebruikten.

 

Interesse AIVD voor Marokkaanse solidariteitsnetwerken (pdf)

Gehele Observant #71 Niet Transparante Overheid en Wetenschap (pdf)

 

Aug 252011
 

Continue reading »

Aug 242011
 

Afgelopen zomer werd ‘Carlijn’, fotografe in opleiding, door de RID Amstelland benaderd met de vraag of zij voor hen foto’s wilde maken van linkse activisten. Carlijn weigerde resoluut, maar hield een naar gevoel over van het huisbezoek.

Op maandag 23 juli 2012 was ‘Carlijn’ naarstig bezig met haar studie, toen er rond half drie bij haar aan werd gebeld. “Politie!” Carlijn woont in een Amsterdamse buurt waar regelmatig wat voorvalt, zodat ze niet verbaasd was dat de politie aan haar deur stond. Ze ging er vanuit dat het een voorval in de straat betrof en dacht dat de politie bezig was met een buurtonderzoek.

Continue reading »

Aug 232011
 

In de VS is een controverse ontstaan naar aanleiding van een publicatie over de mogelijke aanwezigheid van een FBI-informant bij de Black Panthers in de jaren ’60. Deed Richard Masato Aoki het nu wel of niet?

Op 20 augustus 2012 publiceerde The Center for Investigative Reporting (CIR) een verhaal over Richard Masato Aoki, een voormalig lid van de Black Panther Party in de jaren ’60-’70 en inmiddels overleden. Op de website van CIR gaf Seth Rosenfeld het artikel de titel ‘Man who armed Black Panthers was FBI informant, records show.’ De San Francisco Chronicle publiceerde nog dezelfde dag exact hetzelfde verhaal met de titel ‘Activist Richard Aoki named as informant.’ Het nuanceverschil in de kop van markeert de discussie die zich ontpopte in de dagen die volgden.

Continue reading »

 Tagged with:
Aug 222011
 

 

Het verhaal begint in 2008. Een aantal jeugdvrienden (leeftijd 16/17 tot 19/20 jaar) besluit zich te verzetten tegen de komst van de extreem-rechtse Nederlandse Volksunie (NVU) in hun stad.

Continue reading »

Aug 212011
 

Een groep jonge mensen was in 2008-2009 buitenparlementair actief in Bergen op Zoom, een kleine stad in Brabant. Zij hebben zich vooral ingezet tegen extreem-rechts, maar hielden zich ook bezig met andere maatschappelijke thema’s. Na korte tijd besloten ze een politieke partij op te richten, Vonk, met de intentie deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2010.

Continue reading »

Aug 202011
 

De Amerikaanse voormalig spion Jonathan Pollard zit een levenslange gevangenisstraf uit. Als werknemer bij de VS Marine Inlichtingendienst stal hij honderdduizenden geheime documenten en verkocht die aan Israël. De man die hem ontmaskerde, schreef er een boek over.Bradley Manning wordt verdacht van het lekken van geheime documenten van de Amerikaanse overheid. Deze documenten werden openbaar gemaakt voor Wikileaks. Nog voordat Manning een eerlijk proces heeft gekregen, zit hij al een ruim een jaar in eenzame opsluiting.

De omvang en gevoeligheid van de Wikileaks-documenten vallen echter in het niet in vergelijking met het aantal geheime stukken dat Jonathan Pollard begin jaren ’80 aan de Israëliërs heeft overhandigd. Pollard werkte voor de Naval Intelligence Service. Van juni 1984 tot zijn aanhouding in november 1985 wandelde hij bijna dagelijks het gebouw van de Naval Intelligence Command uit met een tas vol top secret documenten.

De Amerikaanse overheid schat dat hij ruim een miljoen stukken aan de Israëliërs heeft overhandigd. Een van de stukken was het tiendelige boekwerk Radio-Signal Notations (RASIN), een gedetailleerde beschrijving van het netwerk van de wereldwijde elektronische observatie door de Amerikanen.

Pollard onderzocht

Capturing Jonathan Pollard werd in 2006 door de Naval Institue Press gepubliceerd. Het boek is van de hand van Ronald Olive, destijds werkzaam voor de Naval Criminal Investigative Service (NCIS). Als medewerker van de NCIS kreeg Olive in 1985 de taak om te onderzoeken of Pollard geheime stukken lekte.

Het onderzoek volgde op een tip van een medewerker van de Anti-Terrorism Alert Center (ATAC) van de NIS, de afdeling waar Pollard werkte. Deze man zag Pollard het gebouw uitlopen met een stapel papier. De stapel was verpakt in bruin inpakpapier en tape met de code TS/SCI, Top Secret/Sentive Compartmented Information. TS/SCI is een nog zwaardere kwalificatie als top secret.

Pollard stapte met de stukken bij zijn vrouw Ann in de auto. Nog even dacht zijn collega dat Pollard naar een andere inlichtingendienst, zoals de DIA (Defense Intelligence Service) zou rijden om daar de documenten af te geven. Dit leek onwaarschijnlijk omdat Pollard eerder tegen hem had gezegd dat hij verkeerde documenten had besteld bij het ‘archief’ en dat hij deze nu moest terugbrengen en vernietigen. Pollard en Ann reden echter een geheel andere kant op.

Olive beschrijft vervolgens de ontmaskering van Jonathan en Ann. In Pollards werkruimte wordt een camera opgehangen die registreert hoe de spion een aktetas vol TS/SCI documenten propt en het gebouw verlaat. Pollard en zijn vrouw ruiken onraad en proberen de sporen van spionage te wissen. Ann moet een koffer vol super geheime documenten, die in hun huis liggen, vernietigen. Zij raakt in paniek en de koffer belandt bij de buren.

Gevoelige snaar

Het boek van Ronald Olive is nog even actueel als het eerste boek dat over deze spionagezaak is verschenen in 1989, Territory of Lies: The American Who Spied on His Country for Israel and How He Was Betrayed.

Begin dit jaar wordt een petitie, ondertekend door meer dan 10.000 Israëliërs, aan de Israëlische president Shimon Peres gezonden. Hierin roepen politici, kunstenaars en andere bekende en onbekende Israëliërs de president op om Pollard vrij te krijgen. Op 1 september 2010 berichtte de LA Times zelfs dat de vrijlating van Pollard de bevriezing van de bouw van Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden zou verlengen.

Pollard raakt kennelijk een gevoelige snaar, zowel in Israël als in de Verenigde Staten. Schrijver Olive op zijn beurt bevindt zich in een gezelschap van allerlei mensen die er voor ijveren om de spion zijn gehele leven achter slot en grendel te houden, hoewel levenslang in de Verenigde Staten niet echt levenslang hoeft te zijn. Bij goed gedrag kunnen gevangenen na dertig jaar vrijkomen.

In 1987 werd Pollard veroordeeld tot levenslang na een schuldbekentenis en toezegging dat hij de Amerikaanse overheid zou helpen bij het in kaart brengen van de schade die hij door zijn spionage-activiteiten had veroorzaakt. Die schade werd door de toenmalige minister van Defensie Casper Weinberger vastgelegd in een memorandum van 46 pagina’s, welke nog steeds niet openbaar is gemaakt. Pollard’s vrouw kreeg vijf jaar gevangenisstraf voor het in bezit hebben van staatsgeheime documenten.

Capturing Jonathan Pollard is geen spannend fictie / non-fictie boek met een twist, zoals Spywars van Bagley. Olive beschrijft droog het leven van de spion vanaf het moment dat hij bij de CIA solliciteert, tot aan de dag van zijn veroordeling. Natuurlijk is de schrijver begaan met de geheimhouding van Amerikaanse strategische informatie en verbaast het niet dat hij bij het verschijnen van het boek in 2006 een pleidooi hield om Pollard niet vrij te laten.

Niet kieskeurig

Hoewel de volle omvang van het lekken van Pollard niet duidelijk wordt beschreven, blijkt dat Pollard niet bepaald kieskeurig was. De Israëliërs hadden hem lijsten meegegeven van wat zij graag wilden hebben, vooral informatie over het Midden-Oosten, maar ook over de Russen en operaties van de Amerikanen in het Middellandse Zee gebied.

Zodra Pollard echter stukken langs ziet komen die ook voor andere landen interessant zouden kunnen zijn, probeert hij ook daar te winkelen. Zo poogt hij geheime documenten aan de Chinezen, Australiërs, Pakistani en de Zuid-Afrikanen, maar ook aan buitenlandse correspondenten te slijten.

Het gegeven dat landen elkaars strategische informatie en geheimen proberen te stelen, is niet nieuw. Het bestaan van contra-spionage afdelingen toont aan dat geheime diensten daar zelf ook rekening mee houden. De Australiërs dachten dan ook dat Pollard onderdeel uitmaakte van een CIA-operatie. Hoewel ze dat eigenlijk niet konden geloven, vermeed hun medewerker Pollard en werd de zaak niet gemeld bij Amerikaanse instanties.

Als onderdeel van thrillers en spannende lectuur zijn de spionage praktijken van Pollard, zoals Olive die beschrijft, niet bijster interessant, want het leidt af van waar het werkelijk om draait. Daarentegen is het boek van grote waarde waar het gaat om de beschrijving van de persoon Pollard, de wijze waarop hij kon spioneren, zijn werkomgeving, de blunders die worden gemaakt – niet alleen het aannemen en overplaatsen van Pollard, maar ook de wijze waarop geheimen zo eenvoudig kunnen worden gelekt – eigenlijk de totale bureaucratie die de wereld van inlichtingendiensten in zijn greep heeft.

Hoewel deze persoonlijke en bureaucratische gegevens niet breed worden uitgemeten – Olive is zelf een voormalig inlichtingenman – verschaft het boek een veelheid aan informatie daarover. De schrijver lijkt die persoonlijke details specifiek aan Pollard te koppelen, alsof het niet voor andere medewerkers zou gelden.

Opschepper

Dit gaat ook op ook voor de gemaakte fouten van de bureaucratie rond de carrière van de spion. Zo lijkt Pollard van jongs af aan een voorliefde te hebben gehad om spion te worden, of in ieder geval iets geheims te willen doen in zijn leven. Tijdens zijn studie schept hij erover op dat hij voor de Mossad zou werken en had gediend in het Israëlische leger. Zijn vader zou ook voor de CIA werkzaam zijn.

Aan deze opschepperij verbindt Olive een psychologisch element. Het zou een soort compensatie zijn voor de slechte jeugd van Pollard die vaak zou zijn gepest. Ook zijn vrouw zou niet bij hem passen omdat die te aantrekkelijk is. Pollard moet dat compenseren door stoer te doen. Later, toen hij voor een inlichtingendienst werkte, voelde hij zich opnieuw het buitenbeentje. Zijn carrière verliep alles behalve vlekkeloos, regelmatig werd hij op een zijspoor gezet.

Olive schetst een beeld van een verwend kind, dat niet op juiste waarde werd ingeschat en stoer wilde doen. Was Pollard echter zoveel anders dan zijn voormalige collega analisten of medewerkers van de inlichtingendienst? Werken voor een inlichtingendienst vereist een zekere mate van voyeurisme, een gespleten persoonlijkheid. Buiten je werk om kun je niet vrijelijk praten over datgene waar je mee bezig bent.

Dat doet wat met je psyche, maar trekt ook een bepaald soort mensen aan. Het werk betreft namelijk niet het oplossen van misdrijven, maar het kijken in het hoofd van mogelijke verdachten. Het BVD-dossier van oud-provo Roel van Duin laat zien dat een dienst totaal kan ontsporen door zijn eigen manier van denken. Dat komt echter niet voort uit de dienst als abstracte bureaucratie, maar door toedoen van de mensen die er werken.

Roekeloos

Pollard gedroeg zich arrogant en opschepperig, misschien wel om zijn eigen onzekerheid te maskeren. Dergelijk gedrag wordt door de schrijver verbonden aan zijn spionage-activiteiten voor de Israëliërs. Pollard was echter niet getraind in het lekken van documenten en ging verre van zorgvuldig te werk. Hij deed het zo openlijk dat het verbazingwekkend is dat het zo lang duurde voordat hij tegen de lamp liep. Hij zei bijvoorbeeld tegen de Israëliërs dat zij alleen de TS/SCI documenten moesten kopiëren en dat ze de rest mochten houden.

In de loop van de anderhalf jaar dat hij documenten naar buiten smokkelde, werd hij steeds roekelozer. Dat hij gespot werd met een pak papier onder zijn arm terwijl hij bij zijn vrouw in de auto stapte, was eerder toeval dan dat het het resultaat was van grondig speurwerk van de NCIS.

Eenmaal binnenin het inlichtingenbedrijf zijn de mogelijkheden om te lekken onuitputtelijk. Als Pollard wel getraind was geweest en zorgvuldiger te werk was gegaan, dan had hij zijn praktijk eindeloos kunnen voorzetten. Welke andere ‘agenten’ doen dat wellicht nog steeds? Of welke andere medewerkers waren minder roekeloos en tevreden geweest met het lekken van enkele documenten?

Die medewerkers vormen gezamenlijk het systeem van de dienst. Pollard schepte graag op, maar de schrijver van Spy Wars, Bagley, klopte zich ook graag op de borst en, hoewel in mindere mate, Ronald Olive ook. Iets dat eigenlijk vreemd is, als het aantal blunders in ogenschouw wordt genomen nadat Pollard ontdekt was. Alleen omdat de Israëliërs Pollard de toegang tot de diplomatieke vestiging ontzegden, zorgde ervoor dat hij alsnog gearresteerd en levenslang kreeg in de VS. Hij was echter bijna ontsnapt.

Blunders

Het is daarom niet gek dat inlichtingendiensten een gebrek aan bescheidenheid vertonen. Vele aanslagen zijn voorkomen, wordt vaak beweerd, maar helaas kunnen de diensten geen details geven. Het klinkt als Pollard, op bezoek bij Olive, die breed uitmeet dat hij die en die kent op de Zuid-Afrikaanse ambassade en of hij die moet werven als spion. Olive was werkzaam voor de NCIS. Pollard bezocht hem voordat hij werd ontmaskerd. Zijn eigen gebrek aan actie in relatie tot de twijfels over Pollard toont aan dat geen enkel bureaucratisch systeem perfect is, ook niet dat van inlichtingendiensten.

Het is niet verbazingwekkend dat de carrière van Pollard bezaaid is met blunders. Hij werd dan wel afgewezen door de CIA, maar waagde vervolgens een gokje bij een andere dienst en had geluk. Hij werd bij de NIS aangenomen en kroop zo langzaamaan in de organisatie. De fouten die bij het aannamebeleid en bij de evaluaties van Pollard zijn gemaakt, worden door Olive gepresenteerd als op zichzelf staand, maar de hoeveelheid blunders en gebrekkige administratie lijken zo talrijk dat het geen toevalstreffers zijn.

Bij elke promotie of overplaatsing lijkt slechts een deel van zijn persoonsdossier hem te volgen. De NIS wist vanaf het begin niet dat Pollard eerder door de CIA werd afgewezen. Als zijn toegang tot geheime documenten wordt ingetrokken, wacht Pollard net zo lang tot bepaalde medewerkers zijn overgeplaatst of vertrokken. Hij wordt dan wel afgeschilderd als een verwend kind dat met geheimen speelt, regelmatig moet Olive echter toegeven dat Pollard een briljant analist is. Pas in de laatste maanden van zijn spionage-activiteiten, lijdt zijn werk onder de operatie om zoveel mogelijk documenten naar buiten te smokkelen.

Waarom Pollard de Amerikaanse overheid schade toebracht, wijdt Olive vooral aan zijn joodse afkomst. Niet dat de schrijver alle joodse Amerikanen verdenkt, maar een belangrijke reden voor het fanatiek lekken wordt verklaard aan de hand van Pollard’s wens om naar Israël te emigreren. Olive gaat echter voorbij aan het geld dat de spion aan zijn activiteiten verdiende. Aanvankelijk 1.500 dollar per maand, na een paar maanden 2.500 en twee volledig verzorgde reizen met zijn vrouw naar Europa en Israël en tot slot een Zwitserse bankrekening met jaarlijks een bonus van 30.000 dollar.

Los van de Zwitserse rekening schat de Amerikaanse overheid dat Pollard rond de 50.000 dollar aan zijn spionagewerk heeft overgehouden. Eigenlijk niet eens veel in vergelijking met de één miljoen documenten die hij leverde. De onderhandelingen over het geld maken echter duidelijk dat Pollard wel degelijk geïnteresseerd was om zoveel mogelijk te verdienen. De prijs werd gedrukt omdat de Israëliërs niet erg toeschietelijk waren en Pollard ze sowieso wilde helpen.

Afkomst

Zijn joodse afkomst zat hem in de weg, want waarschijnlijk had hij alleen al voor het tiendelige boekwerk Radio-Signal Notations (RASIN) 50.000 dollar kunnen krijgen. Uiteindelijk blijkt Pollard een gewoon mens die de verlokking van het geld niet kon weerstaan. Andere agenten zijn hem voorgegaan en hebben zijn voorbeeld gevolgd.

Het nadeel van zijn afkomst blijkt ook uit het feit dat hij zijn Israëlische runner een ‘cadeautje’ gaf. Aviem Sella had mee gevochten in de zesdaagse Yom Kippur oorlog en was een van de piloten die de Iraakse kernreactor in Osirak bombardeerde. Pollard gaf hem destijds satellietbeelden van die aanval. Sella wordt nog steeds gezocht voor Verenigde Staten voor spionage.

De operatie werd door een andere veteraan, Rafi of Rafael Eitan, geleid. Onder diens leiding spoorde de Mossad Adolf Eichmann op. Eitan en Sella werden rijkelijk beloond voor hun werk met Pollard, maar moesten hun promoties inleveren omdat de Amerikanen eind jaren ’80 furieus reageerden. Na de arrestatie van Pollard beweerden de Israëliërs dat ze helemaal niet zoveel documenten hadden gekregen van de spion en de onderhandelingen over teruggave uiterst stroef waren verlopen.

Uiteindelijk werd maar een fractie van de documenten teruggegeven aan de Amerikanen. De Israëliërs waren vooral bezig om na zijn veroordeling Pollard vrij te krijgen. Premier Nethanyahu sprak vorig jaar de Knesset toe over het lot van Pollard, terwijl de Israëlische ambassadeur in de VS hem juli 2011 bezocht in de gevangenis.

Tot nu toe lijken de Amerikanen niet van zins om hem vrij te laten. Na de veroordeling van Pollard kwam de campagne Free Pollard op gang. Zijn vrouw verdween uit beeld. Niet alleen Israëliërs nemen deel aan de campagne, maar ook Alan Dershowitz, professor aan de Harvard Law School en andere academici. In het laatste hoofdstuk More sinned against than sinning beschrijft Olive enkele andere spionnen die documenten verkochten aan buitenlandse mogendheden.

Capturing Jonathan Pollard was nog niet gepubliceerd toen de stroom Wikileaks-documenten op gang kwam. Die documenten laten echter zien dat een waterdicht systeem niet bestaat en dat mensen voor geld of om andere redenen geheime stukken lekken. De Wikileaks-documenten onderstrepen dat er sinds de jaren ’80 weinig is veranderd. Met als enige verschil de hardvochtige wijze waarop verdachte Manning in deze zaak wordt behandeld en de gebrekkige aandacht die hij krijgt van professoren en andere betrokkenen bij de Wikileaks-documenten.

Capturing Jonathan Pollard: How One of the Most Notorious Spies in American History Was Brought to Justice. Auteur Ronald J. Olive. Uitgeverij US Naval Institute Press (2006).

Aug 192011
 

De voormalig CIA-agent Tennent B. Bagley presenteert zich in het fascinerende boek Spy Wars als de enige die het ware verhaal achter de Russische spion Yuri Nosenko weet te vertellen, zo lijkt het.

Tennent B. Bagley is een begenadigd Amerikaans schrijver. Hij werkte lange tijd voor de Contra Inlichtingen-afdeling van de CIA. Zijn kennis van de verschillende CIA-projecten, namen van collega’s en leidinggevenden en allerlei Russische overlopers en spionnen vormen geen belemmering. Spy Wars lijkt een kruising tussen fictie en non-fictie. Omdat Bagley zijn betrokkenheid bij het CIA-werk zo precies weet over te brengen, leest het boek als een trein.

Die trein komt echter abrupt tot stilstand bij het hoofdstuk Head in the Sand. Oud zeer stapelt zich pagina na pagina op. Wat is het geval? In zijn werk als contra-inlichtingen agent was Bagley in de jaren ’50 en begin jaren ’60 van de vorige eeuw belast met het identificeren van Russische spionnen in Amerika, maar ook in Europa. In de Verenigde Staten houden zowel de FBI als de CIA zich bezig met die contraspionage. De term contraspionage is echter een nogal verhullende term die de indruk wekt alsof er geen sprake is van eigen spionage-activiteiten.

De beschrijving van het werk van Bagley in Wenen en Berlijn gedurende het pre-Koude Oorlog-tijdperk kort na de Tweede Wereldoorlog maakt dat duidelijk. Naast het opsporen van Russische spionnen waren Bagley en zijn collega’s van de contraspionage afdeling belast met het debriefen van Russen die naar het Westen overliepen alsmede met het identificeren van mogelijke overlopers of spionnen. Het ging daarbij vooral om medewerkers van de Russische geheime dienst de KGB en de militaire inlichtingendienst van de Russen, de GRU.

De leden van de contraspionage-afdeling hadden natuurlijk in de loop der jaren kennis opgebouwd over de positie en werkwijze van de KGB en de GRU. Dit gebeurde deels op basis van de verhoren van de overlopers, maar ook op basis van medewerkers van de KGB of GRU die zijn geworven om voor de CIA te gaan werken. Uitgangspunt bij elke persoon die wil overlopen naar het Westen, of die benaderd werd om te spioneren, was in eerste instantie om te proberen de betreffende persoon te overtuigen om zelf in Rusland te blijven. Voor de CIA was een actieve persoon binnen de KGB van meer waarde dan een overloper.

Voor de persoon in kwestie was dat levensgevaarlijk. Daarom vermeldt de ondertitel dat het boek over deadly games gaat. Bagley beschrijft zijn werk vanuit het perspectief van de CIA. Om die reden worden de praktijken van de Russen iets bloediger beschreven dan die van de Amerikanen. Het is de tijd van Stalin en de hoogtijdagen van de Koude Oorlog, maar beide partijen deden niet voor elkaar onder in spionage-activiteiten waarbij veel, meestal niet geïdentificeerde personen, het leven lieten.

De verschillende operaties lijken op games, maar in de bijzinnen komen de werkelijke slachtoffers voorbij. Uiteindelijk vraag je je bij het lezen af waar die diensten eigenlijk precies mee bezig zijn geweest. Met zichzelf en hun tegenstrever? Of was er nog enige zingeving aanwezig? Met in het achterhoofd het feit dat de CIA in 1989 eigenlijk bar weinig wist van de situatie in de Sovjet Unie, wordt deze vraag nog prangender.

Bagley heeft het boek niet geschreven omdat hij graag en goed schrijft, het publiek wil vermaken met de dodelijke spelletjes van de CIA en de KGB. Nee, hij lijkt alsnog af te willen rekenen met zijn naaste collega’s en leidinggevenden van destijds. Voormalig spion Bagley presenteert zich als de enige die het ware verhaal achter de Rus Yuri Nosenko weet te vertellen, zo lijkt het.

In de ogen van Bagley van Nosenko geen overloper, maar een Russische spion van de KGB die bij de CIA werd gedropt om de wind uit de zeilen te nemen voor diens collega-spionnen naar wie onderzoek werd gedaan vanwege mogelijke infiltratie in de VS. Nosenko moest de aandacht op zich vestigen en de contraspionage-afdeling van de CIA zien bezig te houden en af te leiden.

Nosenko kwam in beeld in 1962 tijdens onderhandelingen tussen de Russen en de Amerikanen in Genève. Hij wilde praten met de CIA, waarna er enkele gesprekken volgden. Daarna vertrok de Rus weer naar Moskou. Vervolgens liep Nosenko, net na de moord op Kennedy en in de tijd dat de Warren-commissie die de aanslag onderzocht, over naar het Westen.

CIA-agent Bagley, die de debriefing van de overgelopen KGB’er verrichtte, geloofde bij de eerste gesprekken in 1962 nog dat Nosenko een ‘echte’ KGB-agent was. Zodra de interviews met Nosenko in 1964 echter enige tijd voortsleepten, ontstond er bij hem twijfel. Nosenko leek niet geïnteresseerd in het Amerikaanse leven, alleen in geld, drank en sex. Hij was ook niet bezorgd om zijn vrouw en kinderen, de reden waarom hij in 1962 niet overliep. Daarnaast waren er veel feiten over de KGB die hij niet wist of ‘verkeerd’ had, klopten allerlei feitelijke data van operaties niet waar hij iets van zou moeten weten en verschilden zijn antwoorden op dezelfde vragen geregeld.

De CIA was ten einde raad, Nosenko had geen zin meer en wil naar Hawaï. De KGB-agent kreeg zijn zin, maar zodra hij terugkwam werd hij opgesloten in een safe house en aan de leugendetector gelegd. Natuurlijk faalde hij maar, zoals Bagley terecht opmerkt, was het gebruik van de detector toen al omstreden.

Tot het eerder aangehaalde hoofdstuk Head in the Sand ontrafelt Bagley de twijfel met betrekking tot Nosenko. Hij probeert de mogelijkheid van de overlopende spion te duiden op basis van operaties van de Russen van begin jaren ’20 tot in de jaren ’50. Daarbij schuwt hij niet zijn eigen twijfels en die van zijn collega’s te beschrijven. Want als Nosenko geen echte overloper is, maar een KGB-spion, waarom speelden de Russen de Amerikanen dan een eigen medewerker in handen? Moest Nosenko de CIA bezig houden? Was er een andere mol binnen de gelederen van de Amerikaanse inlichtingendienst die de Russen wilden beschermen? En wie was die mol dan?

Bagley lijkt er bij het schrijven van het boek bijna vijftig jaar later geheel van overtuigd dat Nosenko een spion is geweest, dit in tegenstelling tot de discussie halverwege de jaren ’60. Er was toen geen twijfel, Nosenko leek te liegen, maar de consequenties van die twijfel en de leugens leken te groot om onder ogen te zien.

De CIA zat met Nosenko in zijn maag. Hoewel er heel veel bewijs was dat de Rus niet de waarheid sprak of dingen niet wist, was er geen duidelijk bewijs dat hij een spion was. Bagley beweert in zijn boek van wel, maar zelfs zijn zoektocht in Rusland in de archieven van de KGB geeft geen uitsluitsel. Er waren misschien operaties waarbij leden van de Russische geheime dienst naar het Westen werden gestuurd als overloper, maar velen keerden na het leveren van valse informatie snel weer terug naar Moskou.

Midden jaren ’60 wilde de leiding van de CIA van de Nosenko-zaak af. Er volgde een witwas-operatie. Nosenko werd via allerlei onderzoeken clean verklaard en de dienst kon verder. Hier gingen jaren over heen. Bagley was destijds overduidelijk boos en voelde zich geweld aangedaan. Collega’s schreven rapporten die zijn onderzoek naar Nosenko naar het land der fabelen, of eerder naar het land der paranoïde wanen verwees. Daarbij ging het er hard aan toe. Bagley kon zich in die tijd niet meer verdedigen omdat hij werd overgeplaatst naar het kantoor in Brussel.

Ondertussen is Bagley reeds lange tijd gepensioneerd en heeft hij de gebeurtenissen van destijds gereconstrueerd. De Amerikaanse spion klinkt overtuigend en heeft ook veel informatie verzameld om Nosenko aan te merken als iemand die door de Russen aan de Amerikanen is overhandigd om de CIA om de tuin te leiden.

In het hoofdstuk The other side of the moon beschrijft hij het Russische bewijs van zijn gelijk. Op pagina 236 voegt de schrijver een noot toe aan de informatie die hij van de Russen krijgt: ‘Conveniently, Nosenko was standing by, already prepared for a provocative mission.’ Hij wekt hierbij de indruk dat hij het bewijsmateriaal rond heeft, maar twee pagina’s eerder is het nog een mogelijkheid. Hij schrijft dat één van zijn Russische kennissen suggereert dat ‘Yuri Nosenko might have been one of them.’ Met ‘them’ bedoelt de voormalige KGB’er het bestaan van ‘false defector’, van onechte overlopers.

Bagley lijkt aan het einde van Spy Wars dezelfde weg te bewandelen als de collega-spionnen die het verhaal van Nosenko hebben ontdaan van alle twijfels over zijn echtheid. Bagley probeert als een pleitbezorger van zijn visie op de zaak zijn bewijs rond te krijgen, maar wat was de werkelijke rol dan Nosenko dan? En om welke tuin werd de CIA geleid in het geval van Nosenko? En vooral, wat is zekerheid in een wereld waren fictie en werkelijkheid vermengd zijn? Waar fictie en werkelijkheid eigenlijk niet bestaan als onafhankelijke entiteiten? Als Nosenko een KGB-spion was die de Amerikanen moest afleiden van de echte spion, wie was die echte spion dan?

Bagley raakt daarmee verstrikt in zijn eigen verhaal. In het hoofdstuk Hiding a mole, KGB’s style beschrijft hij de ontdekking van Aldrich Ames. Ames was een CIA-agent die allerlei CIA-spionnen aan de Russen heeft verraden gedurende de jaren ’80. Ames werd opgepakt en heeft zijn spionage voor de Russen toegegeven. De ironie van het verhaal van Ames was dat hij hoofd van de contraspionage van de CIA was. De contraspion die spion van de tegenpartij was.

Aldrich Ames werd ontdekt door een niet nader geïdentificeerde bron. Die bron zou een overloper kunnen zijn geweest, maar dat is nog steeds niet duidelijk. Op pagina 226 verzucht Bagley dan ook: ‘Might the KGB have been winning a different one – successfully hiding another mol?’ En daar ligt de essentie van het boek Spy Wars. Elke overloper kan een spion van de tegenpartij zijn, maar in wezen kan elke spion van een inlichtingendienst weer een mol zijn.

Bagley wekt de indruk dat de KGB alleen maar spionnen naar het Westen stuurde om de CIA en de FBI om de tuin te leiden, maar veel mensen werden geworven door afpersing, voor geld en soms uit idealisme. Spionnen zijn net gewone mensen. En gewone mensen hebben behoeften. De reeks misstappen van Amerikanen, naar waarschijnlijkheid ook mensen uit de Sovjet-Unie, die voor de Russen gingen werken, maakt dat duidelijk. De KGB perste mensen af door ze te fotograferen of te filmen in compromitterende posities met vrouwen die, of Russische spionnen waren of door de KGB werden gebruikt als aas.

Niet alleen afpersing speelde een rol tijdens de Koude Oorlog. Naast een ideologische overtuiging van een enkeling, waren er vooral ordinaire financiële overwegingen. Amerikaanse spionnen kregen geld aangeboden voor geheimen, of mensen hadden schulden en besloten informatie te verkopen aan de vijand, zoals in het geval van Ames. Dat is een praktijk die in de gehele inlichtingenwereld gewoon is, ook bij eenvoudige informanten.

Bagley is boos over de wijze waarop de CIA hem en zijn werk destijds heeft weggezet. Hij beseft echter niet dat in een wereld waar fictie en werkelijkheid niet van elkaar te scheiden zijn, en zich uiteindelijk vermengen, fabels en wanen realiteit kunnen worden. Hij kan daarom zijn verhaal goed schrijven en levert een prachtig boek af, bijna fictie, maar mist de moed of de capaciteit om zijn werkzaamheden te reflecteren.

Spionnen zijn meestal bezig met de eigen organisatie, want in een geheime wereld is het grote gevaar de spion zelf, want wie is te vertrouwen, wie is de mol? Voorbeelden genoeg in de Nederlandse praktijk van een geheime dienst die een rad voor de ogen wordt gedraaid of eerder zichzelf een rad voor de ogen draaide. De moord op Theo van Gogh, waarbij de dienst alle leden van de Hofstad-groep vooraf in kaart had en de brute arrestatie van Somaliërs op kerstavond in 2010 op basis van een ‘betrouwbare bron’ zijn slechts enkele van deze raderen. Misschien waren er geen mollen en mysteries bij deze gebeurtenissen betrokken, maar toch zeker een gebrek aan realiteitszin.

Geheime diensten zijn daarom per definitie organisaties die zullen falen omdat fictie en werkelijkheid elkaar, in een niet transparante werkelijkheid, niet meer los laten. Bagley is er van overtuigd dat Nosenko een spion is geweest. Nosenko is dood en kan zich niet meer verdedigen en de vete binnen en buiten de CIA gaat voort, want als hij een spion was, wie waren dan de mollen die hij had moeten beschermen? Ames en anderen waren niet voldoende om al het verraad te verklaren. Genoeg werk voor een dienst om zichzelf nog jaren bezig te houden.

Aug 182011
 

Wie organiseren acties tegen de doorstart van vliegveld Twente, op welke wijze en met wie? Een agent van de Regionale Inlichtingendienst benadert met dit soort vragen actievoerders, en spreekt met ze af.

Grote infrastructurele projecten gaan gepaard met een stevig publiek debat. Of het nu om de Betuwelijn, de uitbreiding van Schiphol, de overlast van de AWACS in Schinveld, vuilverbranding in Harlingen of de doorstart van vliegveld Twente gaat, burgers krijgen zelden of nooit gelijk. Het parlement, provinciale bestuurders en gemeenten lijken hogere doelen na te streven, maar die zijn meestal niet gericht op het welzijn van de lokale bevolking.

In de loop der jaren is de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen en procedures aan te spannen om megaprojecten tegen te houden ook gaandeweg ingeperkt. De zogenaamde NIMBY (Not In My Backyard procedure) uit de Wet ruimtelijke ordening is daar een voorbeeld van. De overheid lijkt voldoende middelen te hebben om haar zin door te drijven, maar vindt het desondanks nodig om actieve burgers die zich verzetten in de gaten te houden.

Onder vier ogen

Zo ook tegenstanders van de doorstart van vliegveld Twente. Overheid en grote spelers van het bedrijfsleven willen het gesloten militaire vliegveld omvormen tot een burgerluchthaven. Tegenstanders voeren aan dat het niet levensvatbaar is, slecht voor het milieu en dat alternatieven vruchtbaarder zijn.

Een politiefunctionaris van de Regionale Inlichtingendienst (RID) Twente belde op 24 november 2010 met Judith. Hij vertelde voor de politie Enschede werkzaam te zijn en vroeg om een gesprek onder vier ogen en nee, het kon niet over de telefoon. Verschillende organisaties hadden opgeroepen om op 1 december 2010 bij de Deventerpoort van het vliegveld te protesteren tegen de plannen voor doorstart. Het telefoonnummer van Judith stond in de krant vermeld.

De functionaris belde overigens niet om afspraken te maken over die demonstratie. Volgens de Wet openbare manifestaties en de Grondwet moet de politie zich niet bemoeien met de vrijheid van meningsuiting van mensen in Nederland. Het is echter regel dat de politie contact opneemt met organisatoren van een protest. De agent is in dit geval een RID’er, maar het ging hem niet om de openbare orde. Hij belde om inlichtingen te verzamelen over protestbewegingen in Twente, daarom deed hij zo geheimzinnig.

De RID’er wilde bij Judith langskomen en haar het liefst “onder vier ogen” spreken. Hij kon over de telefoon niet vertellen waar het over ging. Overrompeld door het telefoongesprek en ook verbaasd door de geheimzinnigheid stemde Judith in met een gesprek. Judith had een medestander uitgenodigd om niet alleen het gesprek aan te gaan.

‘AFA schopt stennis’

De RID’er kwam langs op 25 november 2010, vlak voor de demonstratie, en stelde zich voor als politieagent van de regiopolitie Twente. Hij noemde in eerste instantie niet de RID. Dit had hij ook niet over de telefoon gedaan. De agent was gekleed in burger, kort lichtbruin haar, geen bril, lang en slank. Hij was alleen en leek beleefd en belangstellend.

Hij opende het gesprek met wat vragen over de demonstratie van 1 december. Wat kon de politie verwachten, zouden er mensen van GroenFront! of AFA aan de demonstratie deelnemen? Na de uitwisseling van wat beleefdheden rond de demonstratie werd het Judith al snel duidelijk dat de RID’er informatie wilde over de organisaties en mensen die zich verzetten tegen de doorstart van vliegveld Twente.

Aanvankelijk alleen over GroenFront! en AFA (Antifascistische Actie). Om zijn interesse in die groepen te rechtvaardigen zei hij dat indien organisaties als “GroenFront! ergens actief zijn, AFA vaak ook aanschuift”. En “AFA gaat stennis schoppen”, klonk het dreigend uit de mond van de politiefunctionaris.

Zijn belangstelling ging ook uit naar een eerder belegde informatieavond van 22 april 2010 in jongerencentrum Innocent te Hengelo en een ludieke picknick op het terrein van het vliegveld op Moederdag 2010. Het ging de RID’er echter niet alleen om de telefoonnummers en mailadressen van actievoerders van GroenFront! en medewerkers van Innocent. “Wie waren de actiegroepen tegen het vliegveld Twente eigenlijk. Welke stichtingen doen mee en welke deelnemers?”

Judith zou namen, adressen, mailadressen en andere gegevens van haar kompanen tegen vliegveld Twente desnoods ook anoniem door kunnen geven aan de politie. Later op de dag belde hij haar weer om het anoniem doorgeven van informatie te onderstrepen. Zij voelde zich erg ongemakkelijk door het verzoek om haar medeactievoerders te verklikken. Ze belde de RID’er een aantal keer op om hem dat door te geven, maar hij wilde nogmaals een afspraak.

De reden hiervoor was een manifestatie bij Urenco, een bedrijf in Hengelo dat brandstoffen levert, waaronder verrijkt uranium, aan kerncentrales in de hele wereld. Judith zou bij deze gelegenheid ene toespraak houden over de doorstart van het regionale vliegveld. De volgende dag ging de RID’er bij haar langs. Hij had een aantal pagina’s van internet meegenomen en wilde van haar weten hoeveel mensen er bij Urenco werden verwacht.

Karlijn

Judith is overigens niet de enige persoon die benaderd werd door de RID Twente. Met Karlijn echter werd geen afspraak gemaakt. De politiefunctionaris in kwestie wilde van haar weten voor welke organisatie zij zich inzet, of zij van plan was om te gaan demonstreren en waar dan? Ook viste hij naar de sprekers en het doel van de demonstratie van 1 december 2010. Tot slot vroeg hij haar of zij GroenFront! en Innocent kende en welke relatie er is tussen het jongerencentrum en GroenFront!

De agent in kwestie had het gesprek goed voorbereid. Hij beschikte over doopnamen en precieze naam van Karlijn en belde haar op haar geheime nummer. Hij had haar dossier met informatie over haar deelname aan protesten tegen kernwapens en het lidmaatschap van de politieke partij PSP voor zich. De man liet duidelijk doorschemeren veel van haar af te weten. Tot slot wilde hij nog een afspraak maken, maar Karlijn stemde daar niet mee in. Blijkbaar was de informatie van Karlijn niet genoeg, want een week later belde een collega van de RID’er haar om opnieuw over de veiligheid van de demonstratie te praten.

De vraag is of er ook andere mensen door RID Twente zijn benaderd? En waarom moet er een databank worden samengesteld van het buitenparlementaire verzet tegen het vliegveld? Is protest dan strafbaar? En GroenFront! dan, is die al veroordeelt voordat er iets is gebeurd? Vormt burgerlijke ongehoorzaamheid, zoals het bouwen van boomhutten in het Schinveldse bossen, soms een bedreiging van de democratische rechtsorde?

Medewerkers van de actiegroep GroenFront!, die landelijke bekendheid geniet vanwege het verzet tegen de aanleg van de onrendabele Betuwelijn en de kap van een deel van de Schinveldse bossen voor militaire vliegtuigen, hebben vorig jaar twee informatiebijeenkomsten in Hengelo bezocht. Op 10 april 2010 werd in jongerencentrum Cerberus een kennismakingsbijeenkomst met de GroenFronters gehouden waarbij vertegenwoordigers van stichtingen, verenigingen en politieke partijen aanwezig waren die zich verzetten tegen de luchthaven. In Innocent volgde op 22 april 2010 een voorlichtingsbijeenkomst over de stand van zaken rond Twente en de actie mogelijkheden.

Organogram

RID Twente probeert duidelijk een organogram samen te stellen van het verzet tegen de doorstartplannen. GroenFront!, Innocent en AFA worden als legitimatie gebruikt voor het verzamelen van informatie over mensen die zich buitenparlementair verzetten. Dat die informatieverzameling al lange tijd aan de gang is, blijkt uit het veelvuldig fotograferen en filmen van legale openbare manifestaties rond vliegveld Twente. Ook de aanwezigheid van politie in burger bij de verschillende informatieve bijeenkomsten van tegenstanders van het vliegveld en van GroenFront! duidt op een inlichtingenoperatie.

De agent in kwestie is werkzaam voor de Regionale Inlichtingendienst, die vroeger de Politieke Inlichtingendienst werd genoemd. Politieke politie is misschien een eerlijker en meer waarheidsgetrouwe benaming. Waarom bestaat er eigenlijk in een rechtsstaat een Politieke Politie en welk doel dient die politie als zij mensen in de gaten houdt die van hun grondwettelijk recht op verzet tegen overheidsbeslissingen gebruik maken? En nog belangrijker wellicht: waarom weten de burgemeesters en de college van burgemeesters & wethouders niets van het werk van de RID’er? Verzoeken tot openbaarmaking van documenten bij de gemeenten Enschede en Hengelo hebben niets opgeleverd. Wie controleert eigenlijk het werk van de RID?

PS.
Inmiddels is duidelijk geworden dat de beschreven RID’er Hans IJmker blijkt te zijn.

Aug 172011
 

Eerder dit jaar werd activist Harold benaderd door een medewerker van de AIVD. Die wilde van hem weten of hij bereid was informant te worden, een ‘nieuwe’ strategie van de geheime dienst.

“Binnen de organisatie hebben we besloten minder te infiltreren, maar meer mensen te werven die ons kunnen vertellen wat mensen en organisaties van plan zijn. We willen iedere twee of drie maanden een gesprek voeren met deze geworven mensen. We noemen ze informanten. Dat is ons nieuwe beleid.”

Thijs de Hond is echt, of zijn pasje van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de AIVD lijken echt. Hij zei ook echt dat de AIVD minder wil infiltreren en meer wil benaderen, wees dus gewaarschuwd. Dat je er niets over mag zeggen, is bekend. Harold werd op het hart gedrukt niemand over hun ontmoeting in te lichten. Het woord ‘geheim’ van de geheime dienst is per slot ook erg mysterieus.

Op de stoep

Harold werd eind september dit jaar op zijn mobiel gebeld. Aan de andere kant van de lijn klonk een vlotte stem die meldde dat de beller Thijs de Hond was van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Nu is het bijzonder als een ambtenaar uit Den Haag plotseling belt om te zeggen dat hij een gesprek met je wil. Al helemaal als blijkt dat die ambtenaar in zijn auto om de hoek van je woning staat.

De Hond had zich blijkbaar goed voorbereid. Een slimme ambtenaar die niet alleen het mobiele nummer van Harold wist, maar tevens diens adres. Ook een vreemde ambtenaar, want De Hond wilde niet bij Harold thuis afspreken, waar anderen bij zouden zijn. Het moest wel geheimzinnig blijven. Harold begreep meteen dat De Hond werkzaam was voor de AIVD. Harold stemde toe om de ambtenaar van de AIVD bij een café op de hoek te ontmoeten.

Thijs de Hond oogde tussen de 30 en 40 jaar, droeg kort donker haar, een spijkerbroek en t-shirt. De Hond is duidelijk een carrièreman en neemt zijn rol als geheim agent serieus. Tijdens het gesprek met Harold zette hij zijn zonnebril niet af en had die ochtend ruim een uur voor de spiegel doorgebracht. Hij wist te melden wie Harold’s vrienden zijn, was bekend met zijn naam, adres, telefoonnummers, burgerlijke staat en het café gaf hij zelf aan als ontmoetingsplek.

Om achter de privégegevens te komen had De Hond in elk geval het afgeschermde gedeelte van Harold’s Facebook en Hyves pagina’s bekeken. De buurt was al door De Hond verkend. Hij had al eerder voor de deur gestaan, maar toen bleek Harold niet thuis te zijn. Zijn missie die dag was om Harold de nieuwe aanpak van de AIVD toe te lichten.

Verder wilde De Hond graag praten over de actiegroepen Respect voor Dieren en de Anti Dierproeven Coalitie, maar ook over de Antifascistische Aktie en, oh ja, de Animal Rights Gathering van 2007 natuurlijk, een internationale bijeenkomst van dierenrechtenactivisten die dat jaar in het Friese Appelscha plaatsvond en tot slot de Vegan Streaker.

‘Rare ontmoeting’

Het gehele gesprek tijdens de korte wandeling rond het café verliep op een luchtige manier, alsof het een alledaagse bezigheid was om in iemands privéleven te neuzen. De Hond had het echter goed voor met Harold. Hij begreep zijn standpunten over dierenrechten en wilde alleen maar informatie over mensen die op een verkeerde manier met dierenrechten bezig zijn. Daarvoor had hij allerlei namen verzameld en wilde graag weten hoe de organisaties functioneren, wie met wie actief is en dingen doen.

Zoveel leek de aanpak van de geheime dienst niet te zijn veranderd. De benadering van Harold door de snelle Thijs de Hond bleek niet zoveel anders te verlopen dan eerdere benaderingen dit jaar en voorafgaande jaren.

Harold heeft aangehoord wat de agent te melden en te vragen had en vervolgens het aanbod voor twee of drie maandelijkse gesprekken afgewezen. Harold kwalificeerde het gesprek als ‘een rare ontmoeting’. De nieuwe benadering van de AIVD is even mysterieus en geheimzinnig als altijd. Wat er nieuw is aan de zoveelste poging tot intimidatie door de dienst is niet duidelijk.

Harold is een fictieve naam, De Hond is de naam op de badge die de agent toonde.

Aug 162011
 

De Groep IJzerman belicht geheime politieoperaties en infiltratie in de roerige jaren ’60 te Amsterdam. Het boek behelst echter geen onderzoeksverslag, het is eerder een exercitie om postuum de status van de Groep nog verder omhoog te krikken.

Guus Meershoek schreef een boek over de Groep IJzerman, zoals de agenten genoemd werden die eind jaren ’60 drie jaar lang undercover actief waren binnen linkse organisaties in Amsterdam. Nu kan iedereen natuurlijk een aantal mensen interviewen en daar een boek aan wijden. Vraag is echter of een docent aan de de faculteit Safety Governance at the department Management and Governance van de Universiteit van Twente dat ook zomaar vrijblijvend kan doen.

Continue reading »

Aug 152011
 

Je bent een kraker of liever gezegd je woont in een kraakpand. Je staat netjes de media te woord over het pand waar je in woont. Gewoon omdat het je huis is, maar ook omdat het pand een cultuurhistorische waarde heeft. Je bent niet heel actief in de kraakbeweging, je woont prettig en je pand wordt wel eens gebruikt door actiegroepen. Niets crimineels, niets vreemds of verdachts, maar toch zul je er rekening mee moeten houden dat de politie je gaat lastig vallen. Dat overkwam Evert in Utrecht.

Continue reading »

Aug 142011
 

Aetzel was een actieve kraker en stadsdromer. Kraken is er niet alleen vanwege woningnood, maar ook voor de stedelijke ontwikkeling. Verstikking van die ontwikkeling leidt tot een langzame wurging van de stad, is de analyse van Aetzel. Als actieve bewoner van Rotterdam zet hij zich in voor een leefbare stad en hij woonde ook een tijd lang in een kraakpand. Het kraakverbod mocht niet ongemerkt worden ingevoerd en Aetzel organiseerde een petitie tegen het verbod.

Aetzel was een actieve kraker en stadsdromer. Kraken is er niet alleen vanwege woningnood, maar ook voor de stedelijke ontwikkeling. Verstikking van die ontwikkeling leidt tot een langzame wurging van de stad, is de analyse van Aetzel. Als actieve bewoner van Rotterdam zet hij zich in voor een leefbare stad en hij woonde ook een tijd lang in een kraakpand. Het kraakverbod mocht niet ongemerkt worden ingevoerd en Aetzel organiseerde een petitie tegen het verbod.

Kraken in Rotterdam gebeurt in autonoom opererende groepen. Natuurlijk zijn er de politieke krakers, de feestkrakers, de studenten krakers, de buitenlandse krakers, maar er lopen geen strikte scheidslijnen tussen de verschillende groepen. Dwarsverbanden met jongeren, muziekscène en anderen zijn heel gewoon. In Rotterdam is kraken heel normaal, het staat niet in de schijnwerpers. Hoewel de politiek in de havenstad gedomineerd wordt door het repressieve denken, leek er met betrekking tot kraken een open oor voor de beweging. Rotterdam tekende net als Amsterdam, Den Haag en Utrecht bezwaar aan tegen het besluit van de Tweede Kamer om kraken strafbaar te stellen en het idee was niet om na invoering van het verbod massaal te gaan ontruimen. In de periode voor en na het kraakverbod, spraken verschillende krakers met Karakus, wethouder Wonen en Ruimtelijke ordening, over alternatieven voor leegstand. Aetzel nam deel aan de gesprekken die volgens hem geen zoethoudertjes van de wethouder waren.

Ten tijde van de gesprekken speelde de kwestie Palestinastraat. Een straat in de wijk Kralingen die na 2007 leeg kwam te staan. Het verhaal is zoals elders, sociale huurwoningen, achterstallig onderhoud en nieuwbouw van dure ‘stadswoningen’. Door de omvang van het aantal leegstaande woningen trok het in 2008 niet alleen krakers uit Rotterdam, maar ook uit andere landen van de Europese Unie aan. Dat leidt tot overlast, niet alleen van de krakers maar ook van de media die graag het verhaal willen opkloppen en van de eigenaar (Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam) die de woningen graag leeg wil houden. De overlast was echter niet overdreven groot en in maart 2009 werd er in overleg tussen de gemeente en de krakers besloten gezamenlijk de geluidsoverlast en de mogelijke brandonveiligheid aan te pakken. Allemaal in onderling overleg. In totaal 51 panden waren gekraakt door grotendeels mensen van buiten de stad. Verwijten en beschuldigingen over en weer leverden niets op en vervolgens toonde Burgemeester Aboutaleb zijn tanden begin mei 2009. De Palestinastraat moest binnen 24 uur worden ontruimd. De kort geding rechter wees de eis om binnen 24 uur te ontruimen af, maar ging wel akkoord met de ontruiming. Voor de gespreksgroep van krakers en wethouder Karakus, waar Aetzel deel van uitmaakte, was de Palestinastraat niet meer te redden, maar het hele verhaal had twee voordelen. Ten eerste werd aangetoond dat het leegstandsbeleid op alle fronten faalde en ten tweede was het voor de gemeente een uitgelezen kans om in gesprek te komen met krakers. De straat kwam natuurlijk ook ter sprake tijdens het overleg en Karakus bezocht de straat.

In de periode van de gesprekken met Karakus, voor de ontruiming van de Palestinastraat en rond de start van de lobby tegen het kraakverbod werd Aetzel gebeld door Leo van de recherche Rotterdam Rijnmond. Of de gemeente zijn naam heeft doorgegeven of dat de Regionale Inlichtingendienst zijn naam uit de media heeft gehaald is onduidelijk. Leo wilde een keer praten, maar Leo was nogal vaag, draaide om de hete brei heen en leek vooral te vissen naar informatie. Een half gesprek over kraken, Rotterdam, de Palestinastraat, het denken van de kraker en vooral over de organisatiegraad, “wie doet dat allemaal.” Uiteindelijk wilde Leo een afspraak twee weken later ergens in een café. Al met al duurde het gesprek 15 minuten en Leo sloot af met de wijsheid dat Aetzel het niet aan andere mensen moest vertellen, want die zouden dan boos worden. De gesprekken met de gemeente waren open en toonden wederzijds respect. Leo van de ‘recherche regio Rijnmond’ was vaag, slinks en wilde duidelijk geen open overleg. Aetzel moest oppassen, andere krakers zouden boos worden.

Aetzel had afgesproken in het Westerpaviljoen rond lunchtijd. De man die zich uitgaf als Leo van de recherche was dikkig, vaderlijk en duidelijk een agent in burger. Hij was in de vijftig, bleef vriendelijk, net als tijdens het telefoongesprek. Hij vertelde dat hij vroeger wijkagent was geweest en dat hij het allemaal wel snapte. Tijdens het telefoongesprek had hij zich nog voorgedaan als het domme agentje, maar live was duidelijk dat hij het gesprek had voorbereid. Leo bestelde meteen wat te eten en vroeg eerst wat Aetzel in het dagelijks leven allemaal aan het doen was. Van de alledaagse zaken verschoof het gesprek soepel via de kraakpetitie naar het kraakverbod. Via het verbod dat volgens Leo niets met Karakus te maken had, kwam de RID’er op een nieuwe terloopse insteek. Waarom kraakte Aetzel eigenlijk? Even vriendelijk, vaderlijk en beleefd luisterde Leo naar Aetzel en keerde terug naar het verbod. Wat gaat er gebeuren bij een verbod? Wat is de structuur van de beweging? Oh, dat was een vraag van een andere orde, die glipte er zomaar tussendoor. Was er een kraakspreekuur dat de politieke lijnen bepaalde? Hoeveel krakers waren er eigenlijk? En het gesprek kabbelde rustig verder. Wat denk je dat er gaat gebeuren? De inleiding van het gesprek was duidelijk om de weg te bereiden naar de belangrijkste vraag, zou de ontruiming van de Palestinastraat een slagveld worden? Hoe zou de rest van krakend Rotterdam reageren op de ontruiming van de straat? Toen Leo al zijn vragen had gesteld en vooral toen de Palestinastraat ter sprake was geweest, was het snel afgelopen. De agent was klaar met vissen en de lunch was voorbij.

Aetzel zag er geen gevaar in om met de RID’er Leo te gaan praten. “Ik heb niets gezegd”, herhaalde hij aan het begin van het interview met Buro Jansen & Janssen. Maar is dat zo en hoe weet je dat? Mocht je stevig genoeg in je schoenen staan om naar een gesprek te gaan, neem het dan op, zodat je achteraf kunt verifiëren of je niet teveel hebt gezegd. Plane Stupid in Schotland heeft dit gedaan na de benadering van een van de activisten. Zorgvuldige voorbereiding is wel vereist, want niet iedereen heeft stalen zenuwen. De moderne smart phones maken het echter wel gemakkelijker.

fotografeer ook eens een geheim agent

Aug 132011
 

‘Tijdens het college nog een gezellig gesprek gehad met Eric en vervolgens net de bus gehaald naar huis. Dromerig staarde ik naar buiten over de polder. Ik werd opgeschrikt door het getril van mijn mobiel in mijn jaszak. Het nummer herkende ik niet, maar nam toch op. “Met de geheime dienst,” klonk het aan de andere kant van de lijn. Ik schrok helemaal wakker. Wat, waarom ik, in korte tijd schoten er allerlei gedachten door mijn hoofd. De mannenstem vroeg of hij met mij kon afspreken. Ik wist niet wat ik moest zeggen en zei dat ik hem zou bellen als ik thuis was. De rest van de busreis voelde ik de spanning toenemen, wat moest ik doen? Ik belde een vriend om te overleggen wat te doen. Ik heb niets te verbergen, prentte ik mezelf in, maar waarom wil die geheim agent dan een afspraak met mij?’


Een stuk tekst uit een slechte thriller of een waar gebeurd verhaal? Het overkwam Karin eind april 2011. Karin is actief in de dierenrechtenbeweging. Demonstreren, folders uitdelen, de media te woord staan en haar verhaal via allerlei sociale media websites vertellen. Karin heeft een prepaid telefoonnummer, maar voor de AIVD, de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst is het een fluitje van een cent om haar nummer langs niet legale weg te verkrijgen. Karin werd gebeld in de bus op weg naar huis. Ze had net college gevolgd op de universiteit. Het is niet duidelijk of de AIVD’ers wisten dat zij in de bus zat. De dienst heeft echter wel de moeite gedaan om haar op te sporen. Ze stonden haar namelijk op te wachten. Ze hadden haar telefoonnummer, wisten dat ze van school kwam, welke bus ze nam en waar zij woonde. En waarom? Omdat zij zich met dierenrechten bezig houdt. Continue reading »

Jul 162011
 

Paul IJsbrand Kraaijer en zijn spiegelpaleis: Van Buttonboy tot Spion

I – INLEIDING

Op 3 juni 2011 kondigde De Telegraaf de onthulling van een informant in extreem-linkse kringen aan. Met op de achtergrond de zee is in een korte video te zien hoe John van den Heuvel een man interviewt die zegt dat hij 25 jaar voor de inlichtingendienst heeft gewerkt. Dezelfde dag is de naam van de persoon in de video bekend: Paul Kraaijer.

De volgende dag verschijnt op pagina 6 van dezelfde ochtendkrant een eerste artikel dat gevolgd wordt door een tweede op 6 juni 2011. Kraaijer wordt neergezet als spion. In de weken die volgen gaat de discussie in de media en op internet vooral over de dubbelrol die Paul al die jaren zou hebben gespeeld: journalist en informant.

Het verhaal van Paul wordt als waarheid aangenomen, maar gezien het gebrek aan details zijn er grote vraagtekens te zetten bij de claim van de ‘spion’. Tevens rijst de vraag of De Telegraaf wel onderzoek naar Kraaijer heeft gedaan. Vragen aan de AIVD leveren niets op, dus is daarvoor uitgebreid bronnen raadplegen en archief-/persoonsonderzoek nodig.

John van den Heuvel heeft Kraaijer op 31 mei 2011 geïnterviewd, het eerste artikel verscheen op 4 juni. Het contact tussen van den Heuvel en Kraaijer is weliswaar al eerder tot stand gekomen, maar veel opzienbarende details heeft de ‘informant’ dan nog niet verteld. In Suriname, waar Paul thans woont, ontstaat ophef over zijn informantenrol en wordt hij door de journalistenvakbond aan de kant gezet.

Vervolgens probeert Kraaijer nog zijn verhaal in boekvorm uit te brengen, maar als uitgevers geen interesse tonen, biedt hij het op zijn weblog als pdf-bestand aan tegen betaling. Vervolgens wordt het door derden op het internet gepubliceerd. ‘Het dubbelleven van een AIVD-infiltrant/informant’ is in wezen een uitgebreide versie van de artikelen in De Telegraaf, veel nieuwe feiten staan er niet in. Wel veel persoonlijke dingen over het denken, doen en laten van Paul. De krant die Kraaijer jarenlang heeft ondersteund, gevolgd en ruimte heeft geboden voor zijn acties, de Zwolse Courant, kopt op 1 oktober na publicatie van het online-manuscript: ”AIVD-mol’ loopt leeg, maar wie wil het weten?’

Buro Jansen & Janssen schreef op 25 augustus 2011 een artikel onder de titel ‘Kraaijer, de AIVD en De Telegraaf.’ Daarin wordt aangegeven dat door het gebrek aan details, de wijze van presenteren, het gebruik van de woorden mol, spion, infiltrant en informant door De Telegraaf een man wordt neergezet die meer vragen oproept dan beantwoordt. Dit zijn niet alleen vragen over ethiek, beschaafdheid of een zuiver journalistiek geweten. Het betreft ook vragen over waarheid, feiten en de persoon zelf.

Het afgelopen jaar is door Buro Jansen & Janssen daarom uitgebreid onderzoek gedaan naar de persoon Paul IJsbrand Kraaijer. Wie is hij, wat heeft hij gedaan, waar was hij, wat heeft hij gezegd, geschreven en wat waren zijn ambities? Er zijn tientallen mensen gesproken en er is met tientallen mensen gecorrespondeerd. Er zijn meters archief door gespit over zijn verleden in de rechtbank, bij de vredesbeweging, zijn betrokkenheid bij Nicaragua, AFA, WISE, G8 en de dierenrechtenbeweging. Er zijn e-mails, brieven, artikelen, publicaties en andere stukken van Kraaijer verzameld, alsmede kranten-/tijdschriftartikelen en andere media doorzocht op feiten en gegevens over de persoon.

Er is een beeld gevormd over de persoon Kraaijer, zijn beweegredenen, zijn verlangens, zijn gevoelens en zwaktes. Er zijn informatieverzoeken, inzage verzoeken en andere procedures gestart. Diverse van deze procedures lopen nog. Een groot deel van dit onderzoek is hier beschreven. Het gaat in dit verhaal niet over de werkwijze van de inlichtingendienst, maar het gaat expliciet over de persoon Paul Kraaijer. Wat beweegt iemand om te zeggen dat hij 25 jaar zijn omgeving heeft bespioneerd. Waarom komt deze persoon tot een biecht? Wat is waar, wat niet? Hoe moet zijn verhaal gelezen worden?

Kraaijer heeft zelf verschillende publicaties op zijn naam. Deze publicaties komen in dit onderzoek regelmatig terug. Het gaat om ‘De mist trekt op’ uit 1995, ‘Een antifa vertelt’ uit 1996 en ‘Het dubbelleven van een AIVD-infiltrant/informant’ uit 2011. Sommige archieven zijn ingezien, maar kunnen niet in hun geheel openbaar worden gemaakt. Daarom is daar uitgebreid uit geciteerd. Diverse e-mails worden niet vrijgegeven en ook de bron niet. De geïnterviewden voor het onderzoek zijn geanonimiseerd. Niet omdat iedereen dat wilde, maar omdat veel van de geïnterviewde personen geen behoefte hadden om bij naam te worden genoemd. Om de personen toch te duiden is op zoveel mogelijk plaatsen een globale omschrijving van de geïnterviewden gegeven.

Centraal in dit verhaal staat de persoon Paul Kraaijer. Zijn leven, zijn werk, zijn informantenrol. Het onderzoek bestrijkt 25 jaar, zoekt naar patronen in het leven van Paul, zijn denkwijzen, zijn problemen. Er wordt veel gesprongen in de tijd om die verbanden te leggen. Sommige aspecten van het leven van Kraaijer zijn zeer gedetailleerd weergegeven en lezen minder als een spannend spionageverhaal. Deze delen zijn echter van belang voor het begrijpen van die psyche en voor de analyse van zijn rol in de activistenwereld. De rol van de RID, BVD en AIVD komt niet aan de orde. Natuurlijk valt veel te zeggen over het ondemocratische karakter van die diensten, maar dit is het verhaal van Kraaijer.

II – PERIODEN

Er zijn grofweg zes perioden in het leven van Paul Kraaijer te onderscheiden. Sommige perioden zijn duidelijker afgebakend dan andere en sommige activiteiten van een periode beginnen eerder of eindigen later. De periode van voor 1987, waarin hij werkzaam was voor de griffie van de Rechtbank in Zwolle, zijn militaire dienstplicht en zijn korte carrière op de redactie van de Zwolse stadsredactie.

De periode tussen 1987 en 1993 waarin hij werkte bij de Bouw- en Houtbond FNV en betrokken was bij de solidariteitsbeweging met Nicaragua, Chili en Peru en waarbij hij bij Havelte protesteerde, deelnam aan KAGO Zwolle en FNV Jongeren.

De periode van 1993 tot 1998 die gekenmerkt wordt door zijn zeer actieve betrokkenheid bij GroenLinks, Anti Fascistische Aktie (AFA) en vooral de Emmaschool in Zwolle en bij de Koerden.

De periode tussen 1998 en 2002 waarin hij trouwde, samen ging wonen met zijn vrouw en haar kinderen in Almere en werk vond bij een kabelkrant uitgever.

De periode tussen 2002 en 2007 waarin zijn werk voor milieuorganisatie WISE en zijn betrokkenheid bij het verzet tegen kernenergie in Suriname centraal staat, maar ook zijn betrokkenheid bij de andersglobalisten, G8 protesten en het actieblad Ravage.

Ten slotte de periode tussen 2007 en 2010 die vooral in het teken stond van de dierenrechtenbeweging. Het artikel begint bij het verhaal van Kraaijer in De Telegraaf, de biecht bij John van den Heuvel en zijn rol als journalist. Vervolgens wordt zoveel mogelijk chronologisch het verhaal van Kraaijer doorlopen. Beginnend bij zijn baan bij de griffie van de rechtbank in Zwolle.

III – DE BIECHT

Op 4 juni 2011 kopt De Telegraaf met het artikel ‘De biecht van de perfecte mol.’ Hierin wordt Kraaijer door de journalisten John van den Heuvel en Bart Olmer neergezet als ex-spion van de inlichtingendienst binnen de radicaal-linkse actiewereld van de afgelopen 25 jaar. Geen enkele beweging lijkt de ‘mol’ te hebben overgeslagen. De vredesbeweging, antifascistische acties, solidariteitsbeweging, dierenrechten; Kraaijer was betrokken bij alle groeperingen.

Jansen & Janssen analyseerde op 25 augustus 2011 in het artikel ‘Kraaijer, de AIVD en De Telegraaf’ het verhaal van Van den Heuvel en Olmer oppervlakkig, maar concludeerde dat er grote vraagtekens te zetten zijn bij het waarheidsgehalte van ‘De biecht van de perfecte mol.’ In het opgehitste medialandschap was de statuur van Kraaijer echter al tot grote hoogte gestegen. Kraaijer was de Nederlandse James Bond, en tevens journalist. Verontwaardigde artikelen, Kamervragen, journalistenvakbond op de achterste benen, serieuze radioprogramma’s die de journalist als spion als thema hadden; alles passeerde de revue.

Wat is eigenlijk waar van het Telegraaf-verhaal? Is Kraaijer inderdaad leeggelopen en heeft Van den Heuvel dat netjes overgeschreven, of is er serieus onderzoek aan de publicatie voorafgegaan? Aan het Jansen & Janssen artikel ‘Kraaijer, de AIVD en De Telegraaf’ zijn tien hypothesen toegevoegd. In een reactie op 2 september 2011 in het online magazine Ravage Digitaal geeft Kraaijer aan dat ‘de hypothesen – met uitzondering van 1 en 3 – kant noch wal raken.’

Beide hypothesen zijn echter bijna elkaars tegengestelde. Hypothese 1 verwoordt het verhaal van de spion Kraaijer in De Telegraaf: ‘Kraaijer was vijfentwintig jaar een infiltrant van de inlichtingendienst. Hij speelde van 1986 tot en met 2010 over allerlei bewegingen informatie door.’ Hypothese 3 is volstrekt bescheiden en heeft alleen betrekking op de periode dat Kraaijer bij AFA Zwolle betrokken was: ‘Kraaijer heeft uit zichzelf informatie gedeeld met de inlichtingendienst in de periode dat hij bij AFA Zwolle actief was, om de ‘slechteriken’ door de dienst in de gaten te laten houden. Als actief lid van GroenLinks is zijn uitgangspunt het parlementaire proces en hij vindt dat confrontaties met extreemrechts vreedzaam moeten verlopen. Het werk voor de geheime dienst ziet hij als een positieve bijdrage aan AFA.’ Paul schrijft in een reactie dat er ‘niets achter gezocht moet worden, dat is verspilde energie.’ Hij heeft zijn verhaal gedaan en daarmee uit.

Mensen die Paul in Zwolle en omgeving van dichtbij gekend hebben, maar ook de verschillende activisten, reageerden geschokt: “Is dit de man van wie ik dacht dat die een vriend van mij was?” Anderen zijn boos, vinden hem een lafaard omdat hij niet in details treedt over wat hij werkelijk heeft gedaan. Weer anderen moeten om Kraaijer lachen: “Altijd al gedacht, een fantast in hart en nieren.” Waarom toch het verhaal van een mogelijke fantast onderzoeken? Niet omdat hij zelf zegt dat hij geen fantast is, want hoeveel waarde moet er aan de woorden van een man worden gehecht die zegt dat hij 25 jaar zijn beste vrienden heeft voorgelogen? Kraaijer’s verhaal is interessant omdat het inzicht geeft in de psyche van een informant.

John van den Heuvel

De biecht van Kraaijer vindt volgens hemzelf plaats in het voorjaar van 2011. Hij schrijft in zijn publicatie van augustus 2011 dat hij ‘in het voorjaar van 2011 bewust contact opnam met de Telegraaf-journalist en programmamaker (tv) John van den Heuvel.’ ‘Met hem alleen’, benadrukt Kraaijer want hij waardeert het journalistieke werk van Van den Heuvel zeer. Zijn liefde voor De Telegraaf was al eerder opgevallen bij vrienden en bekenden. Hij las deze krant in zijn stamcafé en vertelde een naaste kennis uit Zwolle “dat hij het meeste nieuws uit De Telegraaf haalde.”

Hij had echter zeer beperkt contact met journalisten van die krant. Zijn contacten waren met mensen van het ANP, zoals oud ANP journalist Robert Bas en fotograaf Kees Spruijt, alsmede journalisten van andere landelijke dagbladen. Genoemde journalisten waren steevast van de partij bij demonstraties van extreem-rechts in de jaren ’90. Kraaijer schepte regelmatig op over zijn perscontacten, alsof hij extra informatie kreeg van de journalisten m.b.t. locaties van vergaderingen en demonstraties van extreem-rechts.

Nadat hij door Sven Kockelman in KRO’s Brandpunt was geïnterviewd over zijn activiteiten als antifascist, steeg Kockelman naar grote hoogte. Van den Heuvel echter kwam nooit ter sprake, misschien ook omdat De Telegraaf journalist nooit over activisme schreef. Volgens Kraaijer was Van den Heuvel “dé man die zich kon inleven in mijn dubbelleven” (Kraaijer 2011). Dit had volgens hem te maken met het undercover werk van Van den Heuvel voor een politiekorps.

In zijn publicatie van augustus 2011 schrijft Kraaijer dat ‘sommige zaken niet juist door de lezer kunnen zijn geïnterpreteerd’ omdat het interview door Van den heuvel in de typische en harde Telegraaf-taal was gegoten. De lezer snapt volgens Kraaijer niet wat de reporter bedoelt, maar een maand eerder geeft hij de krant nog een veeg uit de pan. Kraaijer schrijft in een reactie op vragen van de SP naar aanleiding van een protest van de NVJ over de inzet van journalisten als spionnen dat SP Kamerlid Van Raak ‘is afgegaan op de berichten in De Telegraaf, terwijl iedereen weet dat deze krant zaken nog wel eens uit het verband wil rukken of wil ‘aandikken’.’

John van den Heuvel zou zijn verhaal uit zijn verband hebben gerukt en groter gemaakt, schrijft hij op de NVJ-website. In zijn publicatie van augustus 2011 schrijft Kraaijer in hoofdstuk 23 ‘Nasleep’ dat Robert Molenaar van de Anti Dierproeven Coalitie zijn actie niet had begrepen. Molenaar zou niet hebben begrepen waarom Kraaijer naar De Telegraaf was gestapt met zijn onthullingen in plaats van naar de Volkskrant. Kraaijer schrijft in het hoofdstuk: ‘Bij De Telegraaf was ik verzekerd van een goede weergave van mijn verhaal.’

Paul probeert vervolgens te verduidelijken dat hij geen journalistiek werk deed in de perioden dat hij actief was als informant en dat hij slechts in de periode april 1998 tot november 2001 formeel werkzaam was in de journalistiek. Blijkbaar zijn er wel details mogelijk in zijn verhaal, maar die details hebben Van den Heuvel en Olmer genoeglijk terzijde geschoven, ‘voor het grote verhaal.’

Probleem is dat Kraaijer in zijn publicatie van augustus 2011 ook niet in details treedt. Hij schrijft dat zijn geheugen hem toch enigszins in de weg zit. ‘Wat weet ik me nog te herinneren van al die jaren van al mijn werkzaamheden waarvan niets blijvend op papier of op het internet werd vastgelegd vanwege begrijpelijke veiligheidsredenen en van hoe ik ooit verzeild raakte in het werken als ‘agent’ voor Nederlandse inlichtingendiensten’, schrijft hij op pagina 4 (Kraaijer 2011).

In zijn reactie op het artikel van Jansen & Janssen van augustus 2011, lijkt hij ook al aan te geven dat het moeilijk is precies te herinneren wat hij allemaal heeft doorgespeeld aan de geheime dienst. ‘De Mannheim-actie die J&J aanstipt vond plaats op 22 december 1990. Zoals aangegeven, heb ik alle activiteiten uit mijn geheugen moeten putten. Ik ken niet eens meer de naam van de jongen met wie ik naar Mannheim ben gereden’, schrijft hij. Het is typisch een van de opvallende zaken aan Kraaijer’s biecht. Hij weet de datum en veel details van de actie na 21 jaar feilloos te noemen, maar kan voor de rest geen details aanstippen.

Of nam Kraaijer soms contact op met De Telegraaf omdat die krant niet aan een uitgebreid feitenonderzoek doet en omdat Van den Heuvel toevallig in Suriname was? Kraaijer schrijft in een email van maart 2011 dat hij ‘plotseling in het grootste hotel van Paramaribo tweemaal een ontmoeting had met Telegraaf journalist John van den Heuvel. Hij was hier een paar dagen voor research naar ‘drugscontacten’ van Bouterse.’

Of Kraaijer de journalist tegen het lijf is gelopen of dat hij een afspraak had, wordt niet duidelijk. Hij schrijft in dezelfde mail namelijk dat hij, hoewel de ‘ontmoeting extreem toevallig was’, hij ook ‘een email naar De Telegraaf had gestuurd met het verzoek mij het e-mailadres van John door te geven, omdat ik graag met hem in contact wilde komen. Ik liet doorschemeren dat ik in Zuid-Amerika woon. Tot mijn verrassing kreeg ik zeer snel, eigenlijk per omgaande, een reactie van John zelf en die deelde mede zelf ook in Zuid-Amerika te zijn. Vervolgens liet ik hem weten dat ik in Paramaribo woon en ja hoor, mailtje van John: ‘Toeval bestaat niet, ik ben in Paramaribo. Kun je vanmiddag naar Royal Torarica komen?”

Journalist

Kraaijer lijkt verguld te zijn met zijn contact met Van den Heuvel. Eindelijk ontmoet hij zijn idool. Kraaijer werkte zelf een klein jaar op de stadsredactie van de Zwolse Courant. Zijn vader was toen hoofdredacteur en Paul mocht na het behalen van zijn HAVO diploma (vakkenpakket: Nederlands, Engels, Duits, Frans, aardrijkskunde en geschiedenis) aan het Thorbecke Scholengemeenschap in Zwolle voor de redactie van zijn vader stukken schrijven.

Kraaijer moest vervolgens zijn militaire dienstplicht vervullen en diende in Havelte als korporaal-administrateur. Terugkeren naar zijn baantje als freelance journalist lukte hem niet meer na zijn diensttijd. Zijn vader overleed in 1982 en Kraaijer moest op zoek naar iets nieuws. Zijn vader lijkt een voorbeeld voor Kraaijer te zijn geweest, dit in tegenstelling tot de rest van zijn familie.

Na zijn biecht in 2011 ontstond er ophef over de rol die Kraaijer al die jaren zou hebben gespeeld als journalist. In het artikel van Jansen & Janssen (25 augustus 2011) komt de vraag aan de orde of Kraaijer al die jaren eigenlijk wel journalist is geweest? In het interview van 4 juni 2011 met Van den Heuvel en Olmer zegt Kraaijer dat Robert Molenaar van de Anti Dierproeven Coalitie (ADC) “meteen door had dat hij mij kon gebruiken als journalist, wist hij veel.” Dat het ADC dacht dat Kraaijer journalist was, is niet zo gek. Bij de activisten gaf hij zich ook uit als freelance journalist. Aan de vegan streaker vertelde hij dat hij artikelen aan kranten verkocht.

De laatste jaren dat Kraaijer actief was in Nederland, met name rondom dierenactivisme, schreef hij veel, zowel voor zijn eigen weblog als voor de website van ADC. Ook in de periode dat hij actief was voor de Antifascistische Actie schreef hij het nodige: brochures, ingezonden stukken en andere berichten. Paul presenteerde zich in die tijd ook als freelance journalist, maar sinds zijn coming out en de kritiek die dat los heeft gemaakt, zowel in Nederland als Suriname, presenteerde hij zich als schrijver. Op 28 augustus 2012 schreef hij dat de Surinaamse Vereniging van Journalisten (SVJ) ‘de plank finaal mis slaat, omdat het niet eens ging en gaat om een journalist maar om een freelance schrijver.’ Hij is geen freelance journalist, maar een freelance schrijver, al moet hij zelf toegeven dat het ‘een klein nuance’ verschil is.

Ondanks het feit dat hij een freelance schrijver is en geen journalist, richt Kraaijer zich vooral op de Surinaamse journalistiek en journalistieke onderwerpen. Tevens windt hij zich vreselijk op dat zijn stukken niet meer geplaatst worden in kranten en weekbladen. Niet alleen de SVJ moet het ontgelden, ook de NVJ, de Nederlandse journalistenvakbond. Dit was al in juli 2011 het geval, toen hij reageerde op Kamervragen van SP-Kamerlid Van Raak.

Een jaar later is deze boosheid nog niet verdwenen. In juni 2012 hekelt Kraaijer op zijn blog de volgens hem ‘verkrampte reactie van de Nederlandse Vereniging van Journalisten’ op een verhaal in De Telegraaf. De krant schrijft uit goedingelichte bronnen te weten dat zeven journalisten voor de Olympische Spelen in China waren benaderd door de AIVD om voor de dienst te spioneren. De Telegraaf noemt geen namen, geen details, geen duidelijke informatie, alleen dat er informatie zou moeten worden verzameld over ‘Chinese officials die contact zochten met Nederlandse officials en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid, die bijeenkwamen in het Holland Heineken House.’

Kraaijer windt zich vreselijk op over de reactie van de NVJ op het betreffende artikel. De vakbond is arrogant en ‘onderbouwt niet, maar ‘schreeuwt’.’ Hij schrijft al zijn frustraties over de Surinaamse media en de Surinaamse en Nederlandse journalistenvakbond van zich af in welgeteld 117 artikelen in de eerste negen maanden van 2012. Hierin snijdt hij verschillende onderwerpen aan, maar hij is vooral bezig met de journalistieke kwaliteiten van individuele journalisten, websites, kranten en andere media. Woorden als ‘arrogantie’, ‘slechte kwaliteit’, ‘beneden alle peil’ vullen zijn blog.

Het voornaamste onderwerp echter behelst de integriteit van de media. Die bestaat volgens Kraaijer niet in Suriname. Hij daarentegen is de integriteit zelve. Hij was geen journalist, maar spioneerde om Nederland te beschermen tegen excessen van actiegroepen. Kraaijer presenteert zich als de man van het ethisch geweten. Hij heeft in alles het juiste gedaan, kritiek op hem is niet alleen onterecht, het is arrogant, fout en oneerlijk.

Bij de Nederlandse milieuorganisatie WISE presenteerde hij zich als eindredacteur/journalist en na zijn ontslag in 2005 solliciteerde Kraaijer bij verschillende media, zowel omroepen als kranten, om een baan te vinden als journalist/redacteur. Dat lukte hem niet waarna hij vijf jaar werkloos was voordat hij in augustus 2010 vertrok naar Suriname. Een aantal mensen waar hij nog contact mee had in die laatste periode in Nederland, had de indruk dat hij gefrustreerd was over het feit dat hij geen baan in de journalistiek kon vinden. Zijn vader was zijn grote voorbeeld, maar het lukte Kraaijer niet in zijn voetsporen te treden.

Zijn affiniteit met de journalistiek was al in de jaren ’90 opgevallen. Enkele mensen van GroenLinks Zwolle herinneren zich dat Kraaijer in de tijd dat hij in de steunfractie zat, graag wilde overstappen naar een dagblad. In Suriname had hij meer geluk, maar na zijn biecht in De Telegraaf werd hij aan de kant gezet als freelance schrijver. Hij zal daar niet op gerekend hebben. Op 25 juni 2011 schreef hij nog onder de kop ‘Hypocrisie en ethiek in journalistiek Suriname gaan hand in hand’ dat het zijn enige reactie zal zijn ‘naar aanleiding van de ongenuanceerde en hypocriete en inhoudelijke onjuiste en zelfs leugenachtige reacties in de Surinaamse media op mijn onthullingen in De Telegraaf begin juni 2011.’

Kraaijer’s ambities lagen en liggen dus bij de journalistiek. Niet alleen in 2012 liet Kraaijer een onaflatende productie van artikelen zien. In de afgelopen 25 jaar heeft hij honderden zo niet duizenden brieven, artikelen, berichten, brochures geschreven. Zodra het over de antifascistische strijd ging, raakte hij gepassioneerd, maar ook dierenleed en de vervuiling van het milieu of mijnbouw in Suriname ging hem om het hart.

Met name gedurende de vijf jaar dat hij zich met het werk voor de Anti Fascistische Aktie (AFA) bezig hield, midden jaren ’90, wordt hij als zijnde fanatiek, bijna bij het obsessieve af, omschreven. Hij wilde extreem-rechts hoe dan ook aan de schandpaal nagelen en ontketende een persoonlijke strijd met Henk Ruitenberg, die toentertijd in de Zwolse gemeenteraad zitting nam. In zijn schrijfstijl klonk die passie door.

Met zijn biecht lijkt hij te willen suggereren dat hij activist is geweest en om die reden een informantenrol kon spelen. Kraaijer beschouwde zichzelf tijdens zijn AFA-periode en de dierenrechtenstrijd eerder als gepassioneerd journalist dan als activist. Dat hij gepassioneerd kon schrijven, staat dan ook buiten kijf, maar of het ook passie voor het antifascisme of dierenrechten betrof, is onduidelijk. Voor een beter begrip van zijn verschillende rollen – gepassioneerd activist, de wens om journalist te zijn, informant voor de inlichtingendienst, archivaris van verschillende bewegingen – is het noodzakelijk in zijn levensloop te overzien.

IV – PERIODE VOORAFGAANDE 1987

Rechtbank

Op 14 december 1983 werd Kraaijer beëdigd als waarnemend-griffier bij de rechtbank in Zwolle. Het besluit om Kraaijer aan te nemen als administratief medewerker werd op 7 december door de minister van Justitie genomen. Paul begon als administratief medewerker (Schrijver A) van de griffie van het kantongerecht in Harderwijk op 1 oktober 1981. Hij werd gestationeerd bij de rechtbank van Zwolle.

Op 1 oktober 1982 kreeg hij een vaste aanstelling bij de griffie van de Arrondissementsrechtbank in Zwolle. Hij begon als administratief ambtenaar C 2de klasse. Zijn takenpakket bestond uit het registreren van in beslag genomen voorwerpen, het typen van strafbladen/extracten, afschriften, inzage I-nrs, baliewerk, archiefwerkzaamheden, middelenstaten en tekstverwerking. In hetzelfde jaar droeg het hoofd van de Hoofddirectie Organisatie Rechtspleging en Rechtshulp hem voor de functie van waarnemend griffier. Het duurde echter tot 30 november 1983 voordat de griffier een brief stuurde aan het ministerie van Justitie om Kraaijer te benoemen als waarnemend-griffier. Op 7 december kreeg de rechtbank de beschikking om Kraaijer te beëdigen.

Kraaijer schrijft zelf over zijn tijd bij de griffie: ‘Ik werkte overigens nog bij Justitie, maar meer en meer met tegenzin. Klasse justitie en onrecht begonnen mij te ergeren. […] Het werd steeds moeilijker om mijn uitvoerende werkzaamheden als ambtenaar te verenigen met mijn wijze van denken over recht en onrecht, democratie’, schrijft hij in zijn publicatie van augustus 2011. In de herfst van 1996 schrijft hij in Een antifa vertelt: ‘Als er in een weekend ergens in het land een of andere demonstratie was geweest ergens voor of tegen, werd mij maandagmorgen door collega’s gevraagd of ik daar ook aan had meegedaan. Als bijnaam had ik ook nog eens een keer ‘buttonboy’ gekregen. Veelal kwam ik op het werk met een oude, groene legerjas aan met daarop gespeld buttons met teksten erop tegen kernkoppen, kernenergie, voor Greenpeace, voor Chili en de Nicaraguaanse Sandinisten.’

Kraaijer mocht echter geen uiting mag geven aan zijn politieke voorkeuren op zijn werk, maar dat deed hij stiekem toch. ‘Ook tijdens verkiezingen van de dienstcommissie (ondernemingsraad) mocht ik geen AbvaKabo-buttons dragen.’ Hij zegt dat hij in september 1987 zelf ontslag nam. Op 4 september 1987 werd hem door het Hoofd van de Centrale Directie Personeelszaken van het Ministerie van Justitie eervol ontslag verleend.

De strijdlustige Kraaijer verliet de rechtbank en ging vervolgens voor de Regionale Inlichtingendienst (RID) werken, strookt dat wel met zijn recalcitrante gedrag bij de griffie? Uit stukken van het ministerie van Justitie komt een ander beeld naar voren. Kraaijer werkte als ambtenaar C 2de klasse op de rechtbank te Zwolle, maar wilde en moest wel doorleren, want anders zat er geen toekomst voor hem in bij de griffie.

Op 26 juli 1985 werd hij dan ook opgegeven voor de P-opleiding van het ministerie, een interne justitiële opleiding. In de Memorie van Toelichting van de begroting van het ministerie van Justitie wordt de P-opleiding geïntroduceerd. Bij de paragraaf over administratief personeel staat: ‘In het voorjaar 1975 werd begonnen met een anders opgezette eerste opleiding, de zogenaamde P-opleiding. Deze is compacter dan de vroegere A-opleiding en wordt schriftelijk gegeven. Door de grenzen voor toelating te verruimen kan er een grotere groep personeelsleden aan deelnemen.’

Bij de gerechten is behoefte aan vakbekwaam personeel en de P-opleiding is een soort basis opleiding die ‘voor het personeel een goede basis gelegd voor verdere opleiding bij de gerechten.’ Kraaijer was al eerder opgegeven voor deze opleiding. Hij meldde zich echter op 11 mei 1983 af en op 4 augustus 1983 werd hij door het ministerie van de deelnemerslijst afgehaald. De minister schreef echter wel dat slechts ‘een aantal malen aan een cursus van de P-opleiding kan worden deelgenomen (te weten twee maal).’

In 1985 verwees de Arrondissementsgriffier naar deze mislukte cursus van 1983/1984, maar Kraaijer had geluk. De afzegging van 1983 werd buiten beschouwing gelaten. Hij kon dus met een gerust hart beginnen aan de cursus en kreeg nog een derde kans, mocht hij niet slagen. Kraaijer haakte echter opnieuw voortijdig af. ‘Naar aanleiding van uw brief d.d. 26 mei 1986 deel ik u mede dat u op eigen verzoek, met ingang van heden bent afgevoerd als deelnemer aan de cursus 1985/1986 van de P-opleiding’, schrijft de minister op 26 november 1986. De brief eindigt met de zin: ‘Indien u meent nog in aanmerking te komen voor deelname aan de P-opleiding verwijs ik u voor nadere uitwerking en regeling van de herkansingsmogelijkheden naar bovengenoemde circulaire.’

In de brief wordt niet gemeld dat Kraaijer nog een tweede kans tegoed heeft. Blijkbaar is het feit dat hij een tweede keer voortijdig is afgehaakt niet in goede aarde gevallen. Na twee opeenvolgende mislukkingen leek het ministerie huiverig hem nog een derde kans te geven. Die komt er ook niet. Per 1 september 1987 werd hem eervol ontslag verleend. Hij kon zijn woning aan de Steenboerweg in Zwolle niet meer betalen en verhuisde naar een studentenkamer in de Groenestraat.

V – PERIODE 1987 – 1993

Het vangen van een grote boef

Kraaijer schrijft in zijn publicatie van augustus 2011 dat hij ‘voor het eerst in aanraking kwam met de Regionale Inlichtingendienst (RID) van het regio politiekorps Regio IJsselland in 1986. Destijds was ik werkzaam als waarnemend-griffier in strafzaken bij de Arrondissementsrechtbank Zwolle en leidde een rustig en anoniem leven. Nog niet maatschappelijk of politiek actief.’

Natuurlijk is het lang geleden, maar Kraaijer schrijft over de periode bij de griffie drie alinea’s later dat hij met tegenzin bij justitie werkte. Er heerste klassenjustitie en onrecht en het was moeilijk zijn werk uit te voeren. Zijn collega’s zagen hem als buttonboy en actievoerder en aan de onderkant van zijn elektronische typemachine zou hij een sticker van de AbvaKabo hebben geplakt, schrijft hij in 1996. Een kennis van Kraaijer uit Zwolle uit die tijd kan zich een jas vol buttons niet herinneren: “Nou, zo ging hij niet gekleed”, mailt hij.

Zijn carrière als informant begon volgens Kraaijer in 1986. In de eerste vier jaar tot en met 1990 infiltreerde hij in de onderwereld van Zwolle, het VAK-Mobiel en KAGO-Zwolle. Deze drie infiltraties beschrijft hij in de vier pagina’s van hoofdstuk 2 van zijn publicatie. Van de drie infiltraties beschrijft hij slechts de actie in Mannheim gedetailleerd. Het gaat om een actie tegen de Amerikaanse militaire transporten.

Kraaijer herinnert zich dat hij met iemand uit Zwolle naar Mannheim is gereden, dat ze enthousiast bij een vredeswinkel werden ontvangen, dat hij een ongemakkelijke nachtrust had, dat ze een kraan zouden bezetten, dat ze om drie uur ‘s nachts onderweg naar de haven werden klem gereden door de politie, dat ze niet werden verhoord en weer konden gaan. Hij herinnert zich ook dat er pamfletten in de kofferbak lagen. Hij beschrijft het avontuur met grote angst, maar over de andere twee infiltratiepogingen is hij in het geheel niet gedetailleerd.

Zijn eerste klus voor PID’er ‘Hans’ bijvoorbeeld. De PID is de plaatselijke inlichtingendienst, soms ook politionele inlichtingendienst genoemd. Kraaijer moest een ‘landelijk gezochte crimineel’ die zelfs ‘vuurwapen gevaarlijk’ was in de gaten houden. De man zou soms het café bezoeken waar Kraaijer in die tijd wel eens dart speelde. Het betreft hier het inmiddels gesloten café The Big Bull dat naast het politiebureau in de Luttekestraat gevestigd was.

Er is zeer weinig over de ‘landelijk gezochte vuurwapen gevaarlijke crimineel’ terug te vinden, maar er zijn drie opvallende zaken aan het verhaal van Kraaijer. Niet de CID, de Criminele Inlichtingendienst, benaderde Kraaijer, maar de PID. Natuurlijk kan dat, maar in het algemeen hebben CID’s (tegenwoordig CIE’s) veel meer inlichtingen over het criminele circuit en runnen verschillende informanten. Als het om een ‘landelijk gezochte crimineel’ zou gaan, zal eerder de CID het initiatief tot benadering hebben genomen.

Vervolgens schrijft Kraaijer dat het om een gezochte crimineel zou gaan, waarvan de politie wist dat hij wel eens in het dart café van Kraaijer kwam. Waarom werd de vuurwapen gevaarlijke bandiet niet in de kraag gegrepen bij het verlaten van het café? Als hij gezocht werd en gevaarlijk was, is het vreemd dat de politie de beste man liet darten met Kraaijer.

Het belangrijkste detail echter is de onbewogenheid waarmee Kraaijer zijn avontuur met de crimineel beschrijft. Een nachtelijk avontuur in Mannheim, waarbij hij door de Duitse politie wordt aangehouden, heeft meer indruk op hem gemaakt dan een avond in een bar met een vuurwapengevaarlijke en gezochte bandiet. Kraaijer werd bij zijn eerste spionage opdracht ook nog eens het diepe in gegooid met de opdracht een gezochte crimineel te schaduwen. Voor een administratief medewerker van de griffie die daarvoor een ‘rustig en anoniem’ bestaan leidde een reuze sprong.

Ook bespioneerde Kraaijer de ‘blokkadeacties van een Amerikaanse legerbasis in het Drentse dorpje Darp bij Havelte’. Het betrof hier de Johannes Post kazerne waar Kraaijer zijn dienstplicht had vervuld. Kraaijer schrijft dat hij ‘voor bijna honderd procent zeker wist dat er kruisraketten lagen’. Bij de maandelijkse antimilitaristische blokkades was ook Kees Koning aanwezig, maar Kraaijer moest vooral twee activisten uit Zwolle in de gaten houden.

Volgens Kraaijer nam hij in 1986 deel aan de blokkade-acties. ‘Die twee vriendelijke en naar mijn mening ongevaarlijke dames bleven toch gedurende vele jaren ‘interessant’ voor de RID en ik was de aangewezen persoon om in contact te blijven met de twee’, schrijft hij. Een organisator van de maandelijkse blokkades mailt: “Over zijn persoon heb ik eigenlijk geen beeld. Er is me nauwelijks iets van hem bijgebleven, behalve dat ik hem af en toe bij acties tegenkwam. Ik kan me ook niet herinneren dat hij ooit heeft gesuggereerd dienst te hebben gedaan op Havelte. De eerste blokkade was op maandag 3 november 1986 en daarna vonden ze elke eerste maandag van de maand plaats (vanaf 12 uur, het tijdstip inderdaad van de sirenes, dus ze kunnen best door deze of gene Sirenemaandag acties zijn genoemd. Deze maandelijkse blokkades zijn doorgegaan tot en met februari 1988.” Na het Paaskamp in april 1988 vonden er in 1988 nog enkele blokkades plaats.

Een van de twee vrouwen die Kraaijer in de gaten moest houden, schrijft in antwoord op de vraag om het verhaal van Kraaijer te verifiëren: “Ik heb Paul zeker gekend in Zwolle. Ik ben vanaf ongeveer augustus 1987 bij de maandelijkse blokkades in Havelte geweest. Ik ben ook met een groepje, waar Paul ook bij was, in 1988 een dagje erheen geweest.” Dit was tijdens het Vredes Actie Kamp (VAK) begin april 1988 op de Havelterberg. Ze zegt dat Kraaijer er niet altijd bij was: “Er waren in die tijd elke eerste maandag van de maand blokkade-acties bij Havelte. Kan mij eigenlijk niet herinneren dat Paul erbij was, in ieder geval niet elke keer.” Andere deelnemers en organisatoren bevestigen dit beeld. Ze kennen zijn gezicht, maar hadden weinig tot geen contact met hem. Hij was er onregelmatig bij, vaker niet dan wel.

Kraaijer heeft het expliciet over twee vrouwen uit Zwolle die hij in de gaten moest houden. Hij noemt geen namen terwijl hij wel specifiek weet dat zij ‘vriendelijke en ongevaarlijke dames’ waren. Wel herinnert Kraaijer zich het kniptangetje dat hij voor een rijksdaalder van Kees Koning kon lenen. Natuurlijk is het lang geleden, maar verschillende gebeurtenissen bij Havelte zijn anderen wel duidelijk bij gebleven. Tijdens het Paaskamp in april 1988 werd er actie gevoerd in Havelte en Steenwijk. Daar werd een noodverordening afgekondigd en 25 vredesactivisten gearresteerd. In 1987 was er een Sinterklaasactie bij de Johannes Post kazerne.

Kraaijer beschrijft evenmin de wijze waarop de acties in het algemeen verliepen. De militairen en de marechaussee sloegen er in het algemeen flink op los als de vredesactivisten voor de poort op de grond zaten. Een verslag van de blokkade van 3 oktober 1988 verscheen in de VAK-Mobiel nieuwsbrief:

‘Maandagochtend 11.30 werd er verzameld bij het theehuis vlak bij de Johannes Post kazerne. […] Het bleek al snel dat er op onze komst gerekend was, de marechaussee kwam even langs paraderen met een busje vol manschappen en ook het obligate stillen-volvootje ontbrak niet. […] We hadden met het oog op eerdere ervaringen in Havelte, afgesproken om te vertrekken zo gauw als de ME zou worden ingezet en zou gaan slaan. […] Met ongeveer 35 mensen hebben we ons bij de toegangsweg van de JPK opgedeeld in twee groepjes. Een grote groep welke zich verspreid over 2 weghelften en 1 kleiner groepje dat uit de bosjes aan de kant van de weg, takken de weg opsleepten. […] Na plus minus 10 minuten stonden er een paar militaire vrachtwagentjes stil voor de blokkade. […] Nadat de rijbaan schoon is van hout word ons gezegd op te rotten en als hieraan niet onmiddellijk gehoor wordt gegeven laten ze zien dat op de opleiding niet het verschil tussen mensen en takken hebben geleerd. […] Ikzelf bijv. heb enkele dagen na blokkademaandag amper kunnen lopen wegens een heupwond. […] Omdat vreedzaam blokkeren op deze wijze niet mogelijk was besloten we ons alternatieve plan maar in werking te stellen. […]. Toen ik voor de 2de keer in de buurt van het munitieterrein kwam ben ik weer gaan knippen weer in mijn eentje terwijl 2 getuigen op 15 meter afstand het tafereel in de gaten hielden. […] Zover kwam het echter niet, na enige meters knippen kwamen wederom 2 dienstplichtigen soldaten aanrennen. […] Bij mij aangekomen bleven zij even besluiteloos staan kijken en vroeg toen ‘hou daar mee op?’ Toen ik daar niet op reageerde richtte er een zijn geweer iets omhoog en schoot over mijn hoofd heen.’

Kraaijer meldt niets over het gewelddadig optreden van militairen en marechaussee terwijl dit bijna elke blokkade voor kwam. Ook herinnert hij zich het schietincident niet meer dat tot vragen in de Tweede Kamer heeft geleid. Op 10 november 1988 vroeg Kamerlid Van Es (PSP) aan de ministers van Justitie, Binnenlandse Zaken en Defensie: “Heeft bij een vreedzame demonstratie op 3 oktober jl. Te Havelte aan het hek van de Johannes Post Kazerne een dienstdoend militair een schot afgevuurd anderhalve meter over het hoofd van een activist heen, terwijl hij daarbij de woorden toevoegde: ‘de volgende is raak’.”

Het geheugen kan Kraaijer in de steek hebben gelaten, maar geen enkel detail? Ook de blokkade-actie van 6 juli 1987 is iets om niet te vergeten. In de Bonk van juli/augustus 1987 staat een kort verslag van een ware doorbraak van 20 actievoerders: ‘Op de eerste maandag van de maand juli besloten ongeveer 20 mensen om deze keer niet zelf voor de poort van de kernwapensite te gaan zitten’, vermeldt axiegroep de Zwerfkei. ‘Zes levensgrote poppen hadden hun plaats ingenomen. […] Politie en marechaussee reageerden verward, controleerden uiterst voorzichtig die griezelige poppen’.

De vredesactivisten waren ondertussen tientallen meters hekken aan het verwijderen en waren al begonnen aan de tweede verdedigingsring rond de basis. ‘Toen we ons stonden te vergapen aan hun grote geheim (het ziet er live enger uit dan op foto’s; wachttorens, muren, prikkeldraad) kwam er een peloton bewapende militairen van de site af die ons probeerden aan te houden. De tocht werd echter vervolgd richting openbare weg.’ Het artikel eindigt met de zin dat de actievoerders ‘op weg naar huis nog lang zijn begeleid.’

De poppen, het toegang verschaffen tot het terrein, de achtervolging, niets is Kraaijer bijgebleven. Ook namen van medeactivisten komen in de loop van de tijd bij Kraaijer niet bovendrijven. Kraaijer geeft geen details. Ook noemt Kraaijer geen andere infiltranten in de vredesbeweging, het VAK-Mobiel, in die tijd. Han Dekker was een dergelijk informant voor de PID Nijmegen. Hij werd begin 1989 actief kwam via de actiegroep voor uitkeringsgerechtigden en de wandelgroep ‘Is het hier oorlog?’ bij het VAK-Mobiel terecht. Voormalig infiltrant Joop de Boer noemt Kraaijer wel, maar niet in verband met Havelte, maar in relatie tot medewerkers van WISE.

Van de drie infiltraties van Kraaijer in de jaren ’80 begin jaren ’90 weet hij het meest te melden over de actie in Mannheim. Een van de vrouwen die hij rond Havelte in de gaten moest houden, herinnert zich hem ook als deelnemer van KAGO-Zwolle (Komitee Anti Golf Oorlog) ook wel bekend als No Pasaran. “Van No Pasaran herinner ik me dat we een keer met een spandoek hier op de spoorbrug hebben gestaan”, weet zij zich te herinneren. Op een pamflet van 7 december 1990, met een oproep om deel te nemen aan een demonstratie in Amsterdam tegen de golfoorlog, prijkte de naam Paul en het toenmalige telefoonnummer van Kraaijer. Zij kan zich de actie in Duitsland niet herinneren, maar kan zich niet voorstellen dat Kraaijer daar aan deel zou hebben genomen.

De Telegraaf van 4 juni 2011 schrijft over No Pasaran: ‘Spannender waren de nachtelijke acties van Kraaijer in 1990 in Duitsland, waar Nederlandse schepen werden ingezet om Amerikaans defensiemateriaal naar het oorlogsgebied in het Midden-Oosten te varen. “Ik was in contact gekomen met een jonge activist en samen met anderen zouden we in Mannheim een kraan bezetten, die schepen met oorlogsmateriaal laadde”.’

In zijn publicatie van 2011 staat het verhaal op pagina 15 en 16, maar het is vooral spannend omdat Kraaijer bang lijkt te zijn voor de Duitse politie. Actieblad NN van 10 januari 1991 bevat een overzicht van verschillende protesten tegen de eerste Golfoorlog: ‘Zaterdagmorgen 22-12-90 werd er door de vredeswinkel uit Mannheim en No Pasaran Zwolle actie gevoerd in de haven van Mannheim waar de afgelopen weken duizenden legervoertuigen werden verscheept naar Rotterdam en Antwerpen. De actie bestond uit het bezetten van een laadkraan en het ophangen van spandoeken. Op het tijdstip van de actie bleken het op het haventerrein geen werkzaamheden plaats te vinden. De actiegroep was zichtbaar verrast.’

Het klopt dat er Nederlanders aanwezig waren bij de mislukte actie. Kraaijer zegt dat het drie uur in de ochtend was, hetgeen niet in het artikel wordt vermeld, maar dat zou kunnen. Het type auto dat wordt vermeld in NN moet van de ‘maat’ van Kraaijer zijn geweest. ‘Bij vertrek van het haventerrein werden we verrast door een grote politiemacht die onderweg was naar het haventerrein. Hierbij was ook een Nederlandse auto, een Peugeot 405 break, kleur antraciet’, meldt NN van 10 januari 1991. Kraaijer schrijft in zijn publicatie dat ‘de kofferbak moest worden geopend en daarin lagen anti Golfoorlog affiches.’ Het artikel uit NN, dat sinds 2010 online te raadplegen is, vervolgt: ‘De auto werd doorzocht en de spandoeken werden gefotografeerd en de paspoorten genoteerd. Ook werden affiches van No Pasaran in beslag genomen. Nadat duidelijk werd gemaakt dat we niet meer mochten demonstreren konden wij vertrekken voor weer zo’n 500 km. terug naar Zwolle. [bron: BBS De Zwarte Ster].’

Drie infiltraties, een vuurwapengevaarlijke bandiet, vredesactivisten bij Havelte en No Pasaran, zou de start van de carrière van Kraaijer in dienst van de inlichtingendienst zijn geweest. Valt uit het verhaal van Kraaijer af te leiden dat hij daadwerkelijk actief voor de geheime dienst is geweest? Zijn er details uit die tijd op te diepen die specifieke vragen over zijn rol kunnen beantwoorden? Nee, Kraaijer is niet gedetailleerd. Mensen herinneren zich dat Kraaijer bij de maandag blokkades in Havelte een enkele keer aanwezig was, maar niet actief, erg onopvallend.

Een conflict over de benadering van de media, zoals Kraaijer in zijn publicatie van 2011 beschrijft, weet niemand zich te herinneren en kunnen weinig mensen zich voorstellen. Kraaijer schrijft in 2011: ‘De antimilitaristen vonden het maar niks dat ik contact zocht met een journaliste.’ Het VAK-Mobiel stond in die tijd juist in de belangstelling in verband met noodverordeningen, artikel 140 proces en spectaculaire openbare acties, en was blij met de aandacht in de media. Het verhaal over Mannheim is op het internet terug te vinden. Een van de vrouwen die hij in de gaten moest houden, betwijfelt of Kraaijer aan een dergelijke actie deel heeft genomen.

Al was het toen nog niet zo duidelijk: Kraaijer was een archivaris, een administrateur, niet een activist die op de barricades stond. Of hij informant is geweest bij de zojuist omschreven drie ‘infiltratiepogingen’, wat hij daarover heeft doorverteld, wat hij afwist van mensen waar hij mee omging; het is allemaal erg mager, waardoor harde conclusies niet te trekken zijn. In ieder geval heeft Kraaijer een marginale rol gespeeld binnen de vredes- en de antikernwapenbeweging.

Vakbond

Na zijn ontslag bij de rechtbank eind 1987 ging Kraaijer vrijwillig werken voor FNV Jongeren, de jongerenafdeling van de FNV. Een naaste collega die ruim anderhalf jaar naast hem heeft gezeten, herinnert zich hem nog heel goed. “Het was eigenlijk vreemd dat hij daar werkte. Hij was zeer fanatiek en maakte vele uren. Eigenlijk onbegrijpelijk dat hij geen baan kon vinden”, vertelt ze.

Kraaijer omschrijft ze als zijnde eenzaam destijds en op zoek naar erkenning en bevestiging. Hij stond het liefst in het midden van de aandacht en was gecharmeerd van de aandacht van de jonge meiden bij FNV Jongeren. “Het was het pre-computer tijdperk en we werkten op elektrische typemachines. Kraaijer was heel snel en wilde graag dat wij zeiden, ‘goh wat goed’.”

Ze vond dat hij zich erg slecht verzorgde, vooral zijn tanden, die vielen bijna uit zijn mond. Kraaijer zegt nu dat hij in die tijd alleen de antimilitaristen in de gaten hield, maar zijn voormalige collega van FNV Jongeren schrok van het artikel in De Telegraaf. “Je hebt lange tijd naast iemand gezeten, dag in dag uit, en die blijkt dan zijn hele leven bij elkaar te hebben gelogen. Dat geeft mij een raar gevoel”, zegt ze. Kraaijer echter doet alsof zijn leven als mol doodnormaal is geweest. Op maandag spioneer je voor de inlichtingendienst en op dinsdag schuif je aan bij FNV Jongeren.

In datzelfde jaar raakte hij ook betrokken bij een scholenbouwproject van de Bouw- en Houtbond FNV in Nicaragua, het ‘el Sol’ project. Diverse Nederlandse jongerengroepen werden door de vakbond naar Nicaragua gestuurd om daar mee te helpen aan de bouw van scholen. Kraaijer beweert dat zijn betrokkenheid bij het el Sol project mede bijdroeg aan zijn ‘liefde’ voor Nicaragua.

Hij besloot midden 1989 tot begin 1990 vrijwillig te gaan werken voor het Nicaragua Komitee Nederland (NKN) in Utrecht. Een persoon die bij dit comité zijn vervangende dienstplicht vervulde, herinnert Kraaijer vaag. Hij beschrijft hem als “een niet onaardige maar ook niet heel persoonlijke jongen. Geen uitgesproken figuur en ook niet erg politiek. Bij het blad Fuente, waar ik onder meer werkte, heb ik niets gemerkt van zijn journalistieke aspiraties. Eigenlijk kan ik me niets opmerkelijks van hem herinneren; ik was verrast toen ik hem in De Telegraaf zag staan, maar herkende hem meteen.”

Ook andere Latijns Amerikaanse landen vielen onder Kraaijers aandachtsveld. Zo werd hij lid van het Chili Komitee Zwolle en de Vereniging Inca Pirca, een groep die inheemse volken in Ecuador steunde. Kraaijer was actief, had geen sociaal leven, en had alle tijd naast zijn vrijwilligerswerk voor FNV Jongeren. Hij kwam in aanraking met de solidariteitsbeweging via zijn betrokkenheid bij de wereldwinkel ‘de Bonte Hond’ in Zwolle. Een oud-medewerker herinnert zich dat Paul “in de loop van de jaren ’80” voor de wereldwinkel is gaan werken. De Bonte Hond was gevestigd op de eerste verdieping in de Zwolse winkelstraat naast de ruimte van het SVAG (Stichting Voorlichting Aktieve Geweldloosheid), tevens onderkomen van diverse landencomités en actiegroepen.

“Bij de wereldwinkel werden buskaarten verkocht voor demonstraties. Er kwamen allerlei mensen over de vloer”, vertelt de oud-medewerker. Kraaijer zegt zelf dat zijn activiteiten in de solidariteitsbeweging ‘geheel los stonden van de toenmalige BVD’. Bij de Bonte Hond en het ernaast gelegen pand liepen allerlei actiegroepen echter door elkaar heen. Kraaijer wist dit als geen ander, en het is daarom vreemd dat hij nu zo krampachtig doet over het feit dat hij in staat is geweest om het doorgeven van informatie aan de politie over een deel van zijn ‘werk’ te scheiden van zijn overige activiteiten. De periode bij FNV Jongeren en bij het el Sol project markeren zijn administratieve drang die in de jaren die daarop volgen steeds duidelijker werd.

Kraaijer werd in 1987 ook actief rond het derde van scholenbouwproject van de Bouw- en Houtbond. Een van de drijvende krachten achter het el Sol project en kaderlid van de Bouw- en Houtbond herinnert zich Kraaijer als collega bij de vakbond. “Paul heeft tevens meegewerkt aan het uitdragen van informatie over El Sol, vooral in Zwolle en dan vanuit de Jongerenbeweging en later FNV jongeren”, vertelt hij. Kraaijer werd steeds fanatieker ten aanzien van de jongeren en zijn teleurstelling over de vierde ‘brigade’ is dan ook groot. Op pagina 226 van de syllabus die Kraaijer samenstelde over het project staat vermeld: ‘Na de tweede rondzendbrief uit Nicaragua van Bertje en Edwin werd het stil. De oorzaak hiervan is mij nooit echt duidelijk geworden. Teleurstellend. Natuurlijk schreef ik diverse persberichten. Vanwege het geringe aantal rondzendbrieven (de brieven die ik wel ontving waren heel kort en waren dan ook niet geschikt voor de Zwolse Courant) treft u op enkele volgende pagina’s nog wat artikelen aan uit de Diario del Sol geschreven door andere brigadisten.’

Bert en Edwin waren Zwolse jongeren en Kraaijer zette een systeem op bestaande uit rondzendbrieven, berichten in de Zwolse Courant, cassettebandjes voor de Lokale Omroep Zwolle, berichten in de Peperbus en andere lokale media. De pr-werkzaamheden die hij verricht voor het el Sol project zullen zich later ook vertalen in zijn werk binnen AFA en ADC. Hij hield de lijntjes met lokale media kort, verzorgde een eindeloze stroom aan persberichten en de Zwolse Courant besteedde bij het minste geringste aandacht aan het scholenbouwproject.

Wellicht is Kraaijer volgens eigen zeggen dan geen journalist maar een freelance schrijver, van 1987 tot en met 1991 ontwikkelde hij zich tot een waar communicatiemedewerker en archivaris. ‘Ik hield een knipselarchief bij en had een bibliotheek met meer dan honderd boeken over het land’, schrijft hij nu. Dat niet alleen. Hij stelde een evaluatie syllabus samen met eigen stukken, krantenknipsels, berichten en brieven van de jongeren die naar Nicaragua gingen over het El Sol project. Een exemplaar van de bundel bestaande uit ruim 500 pagina’s verkocht hij aan het IISG (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis).

Ook dat is bij hem een terugkerend verschijnsel: het publiceren van brochures of publicaties in eigen beheer, gelijk de publicatie van zijn hand uit augustus 2011 over zijn vermeende infiltratie in de actiebeweging. Kraaijer lijkt bevangen te zijn geweest door een soort vervreemding. Alles wat hij deed, lijkt hij met een zekere mate van afstandelijkheid te hebben gedaan, als administrateur. Zijn politieke beleving, zijn persoonlijke leven, het actie voeren, het praten met de BVD; alles lijkt erop te duiden dat er geen ‘echte’ Kraaijer bestaat, net zomin als dat de ‘spion’ Kraaijer er in werkelijkheid is geweest. Dit sluit niet uit dat hij wel degelijk informantenwerk heeft verricht, maar de wijze waarop hij zijn verhaal beschrijft, archiveert, administreert doet denken een een soort doorlopend autobiografisch project.

Zijn betrokkenheid bij Nicaragua en El Sol werd vanaf 1989 tot aan verschijning van de syllabus gedomineerd door twee jonge vrouwen. Hun namen komen in zijn werken constant terug. Hij begeleidde ze voor deelname aan de vijfde brigade, vroeg geld voor ze aan bij de gemeente Zwolle, onderhield contact met ze tijdens hun verblijf in Nicaragua, wilde ze daar opzoeken en droeg de lijvige bundel aan hen op. Een van de betrokken vrouwen herinnert zich hem nog goed. “Een beetje rare man, heel persoonlijk. Hij schreef heel veel brieven aan ons en was erg met ons bezig, ook toen we terugkwamen. Hij drong zich erg aan ons op, bijna obsessief.”

Kraaijer leek vriendschap te willen, hetgeen zij niet zag zitten. Toch bleef hij haar zeer persoonlijk benaderen. Zo schreef hij haar op 11 februari 1990: ‘Wat me trouwens opviel tijdens het lezen van je brief was dat je nogal gek bent van en op eten. […] als ik je brief zo lees denk ik dat er bij jou misschien wel een en ander aan gewicht bijkomt […]???’ Op 17 juni 1990 schreef hij haar iets over zijn leven in Zwolle: ‘In het Pinksterweekend is bij mij thuis ingebroken met als gevolg dat mijn bankrekening geheel geplunderd is.’

Hij geeft aan om zelf naar Nicaragua te komen: ‘Bij deze vraag ik maar weer of jullie op 11 juli ‘s morgens om 07.00 uur op het vliegveld van Managua willen zijn bij de aankomst van mij. Ik zou dat ontzettend leuk vinden. Zal ik een pot pindakaas en aardbeienjam meenemen ???????’ In een van zijn laatste brieven wil hij afspraken maken m.b.t. een te houden informatie-avond over Nicaragua in Zwolle. ‘Let alsjeblieft niet op de term ‘dames’, laten we dat maar houden op wethoudertaal.’ En hij besluit de brief met: ‘Ik hoop dat jullie deze week even contact met me opnemen voor een afspraak, wellicht gekoppeld aan een etentje […] en borreltje.’

Het contrast tussen de betrokken Kraaijer en twee jonge meiden die naar Nicaragua gaan om te helpen een school te bouwen, in relatie tot zijn deelname als informant aan een blokkade-actie bij Havelte is zeer groot. In de periode 1986-1991 zou hij, naast zijn vrijwilligerswerk voor FNV Jongeren, het scholenbouwproject, het NKN en vanaf 1990 als betaald medewerker van de Bouw- en Houtbond FNV in Zwolle, vooral twee vrouwen uit de vredesbeweging hebben bespioneerd voor de BVD. Hoewel hij ‘verslagjes’ schreef voor de dienst en die niet bewaarde, kan hij zich heel weinig herinneren van zijn werk als informant. Dat gebrek aan geheugen staat in schril contrast met de ‘feitenkennis’ die hij later tentoon spreidt, zowel bij AFA als ADC. Die ‘feitenkennis’ heeft veel te maken met zijn verzameldrang en het opbouwen van een archief.

Kraaijer’s administratieve en archivaris capaciteiten lopen als een rode draad door zijn leven. Hij legt alles vast. Bij de rechtbank niet publiekelijk, maar zijn werk voor het scholenbouwproject, AFA en dierenrechten documenteerde hij. Havelte en KAGO/No Pasaran waren misschien geen belangrijke activiteiten voor hem, hij gaat er in de media prat op dat hij er aan heeft deelgenomen.

Er is iets vreemds aan de argumentatie van Kraaijer met betrekking tot zijn informantenrol. Hij moest twee vrouwen uit Zwolle in de gaten houden die hij vriendelijk en bijna lief vond. Bij AFA kon hij het goed vinden met de mensen in het ‘landelijk secretariaat’. Hij spreekt er zelfs vol lof over, net als bij het ADC. ‘Vrienden’ en ‘kameraden’, zo omschrijft hij de mensen nu waar hij jaren mee heeft opgetrokken. Aan de andere kant beseft Kraaijer dat zijn werk was ‘ingegeven door zijn diepgewortelde aversie tegen het gebruik van geweld, bedreiging en intimidatie door extreemlinkse en dierenrechten organisaties.’

Al deze organisaties hielp hij echter met zijn archief- en schrijfwerk, alsmede tomeloze inzet om hun boodschap breed uit te meten in zowel lokale als landelijke media. Een boodschap, zoals zal blijken, die door Kraaijer radicaler werd uitgedragen dan veel mensen in Zwolle van hem gewend waren. Zelfs landelijk werd hij binnen GroenLinks pleitbezorger van een radicale politiek. Kraaijer gedroeg zich als een beroepsactivist, maar ontkent nu dat hij dat is geweest. Hij raakte overal bij betrokken, maar eigenlijk meer op administratief/geschiedkundig gebied dan politiek. In de loop der jaren vroegen zich steeds meer mede-actievoerders zich af wat zijn politieke visie eigenlijk is.

Beroepsactivist

“De actiegroepen en demonstraties waar Paul Kraaijer zijn medewerking aan verleende zijn ontelbaar. Hij ontweek klappen van de ME bij een blokkade tegen Shell en was woedend toen hij bij De Efteling zag dat levende duiven met verf waren bespoten. Zoiets vreet aan mij. Maar ik ben zeker geen beroepsactivist. Ik ren niet van demonstratie naar demonstratie. Ik heb duidelijk mijn grenzen gesteld. […] Mensen die vaak aan acties meedoen willen nog wel eens de realiteit uit het oog verliezen”, stelde Kraaijer in een interview met de Zwolse Courant (13 juli 1991). Hij gaf aan meer de man te zijn van “persberichten schrijven, spandoeken en vlugschriften maken. Ik sta graag op de barricade maar zeker niet vooraan.” In de inleiding van het interview wordt nog vermeld dat hij ‘knippies in het hek van de Amerikaanse basis in Havelterberg samen met Kees Koning’ heeft gezet. ‘Paul IJsbrand Kraaijer (30). Actievoerder, communist en hardrocker’, zo eindigt de inleiding.

Kraaijer werd in de Zwolse Courant neergezet als een bevlogen Zwollenaar, een gepassioneerd man. “De maatschappij wordt steeds egoïstischer. Daar maak ik me kwaad om.” En hij is de vakbondsman. Van 1990 tot en met 1993 werkte hij als administratief medewerker bij de Bouw- en Houtbond FNV op het districtskantoor in Zwolle. Hij had ambities om een beleidsfunctie te gaan vervullen. “Het is mijn wens om op de beleidsafdeling voor internationale zaken van de FNV te komen. Vooral Spaanstalige landen spreken me aan”, citeerde journalist Dick Laning de man in 1991. Zijn muziekkeuze uit die tijd leek niet samen te vallen met het stempel hardrocker. Vooral Latijns Amerikaanse muziek en Marillion hadden zijn voorkeur. Hij luisterde naar zanger-gitarist Luis Enrique Mejia Godoy. Een bekende uit de tijd van begin jaren ’90 herinnert zich nog dat Kraaijer later op zijn weblogs een nummer van Mercedes Sosa had staan. “Ooit uitgegeven door de Vara en hij wil nog steeds de cd een keer bemachtigen.”

Luisteren naar Latijnsamerikaanse troubadours en soft rock en gepresenteerd worden als hardrocker, lijkt totaal in tegenspraak. Nu kan de journalist Kraaijer niet goed hebben begrepen, maar genieten van Spaanse strijdliederen is moeilijk te verwarren met hardrock. Het is hetzelfde als op de barricades staan, maar eigenlijk ver achteraan of liever thuis willen zijn om een persbericht te schrijven. Of zeggen dat je geen beroepsactivist bent, terwijl je jezelf omschrijft als buttonboy en tegelijkertijd vredesdemonstraties, antifascisme demonstraties, manifestaties van solidariteitscomités, acties tegen het verven van duiven en anderssoortige acties bijwoont.

Het beeld dat in die beginjaren van zijn ‘activistische’ bestaan opdringt, is dat van een man die zijn plek niet wist te vinden. Hij sprak zichzelf tegen in interviews en de dagelijkse werkelijkheid. Het blijft onduidelijk wat hij nu is: activist of administrateur, archivaris of persman. Die onzekerheid lijkt minder te worden in de loop van zijn carrière, maar zijn houding ten aanzien van de journalistiek maakt duidelijk dat hij tot aan zijn vertrek uit Nederland niet gemakkelijk zijn plek wist te vinden. Aansluiting bij de ‘gewone’ wereld lukte hem niet, en binnen de actiewereld werd hij ook niet helemaal opgenomen, al accepteerde men zijn vreemde voorkomen meer dan daarbuiten.

Kraaijer wist vanaf eind jaren ’80 de weg naar de media goed te vinden. De knipsels rond het scholenproject El Sol leveren daar een goed beeld van. De blokkades bij Havelte en de acties met KAGO /No Pasaran spraken hem blijkbaar minder aan, want daar heeft hij geen uitgebreide knipselmappen en brochures over samengesteld. Ook speelde hij daar een minder belangrijke rol in het typen van persberichten en het aanspreken van journalisten.

Naast een actievoerder en vakbondsman stelde Kraaijer zich in het interview van 13 juli 1991 ook voor als communist: ‘Althans, hij sloot zich aan bij de CPN’, schrijft Dick Laning in de Zwolse Courant. “Het is een actiepartij”, vult Kraaijer aan. Kraaijer werd echter nooit lid van deze partij, zag het eerder als vehikel. Maar eigenlijk was hij al te laat, want de partij gaat op in GroenLinks. “Ik ben er op tegen dat de CPN zichzelf heeft opgeheven. Ik zal ook geen lid worden van GroenLinks”, benadrukt hij juli 1991.

Vier maanden na het interview wordt tijdens de fractievergadering van GroenLinks Zwolle (12 november 1991) de komst van Kraaijer aangekondigd ‘in verband met het fraktiesekretariaat.’ Twee dagen later verwelkomde de voorzitster hem: “Hij wil inderdaad het fraktiesekretariaat op zich nemen.” Paul Kraaijer blijft actief lid van de GroenLinks steunfractie in de Zwolse gemeenteraad tot juli 1996. Binnen de partij werd hij door verschillende mensen wel omschreven als ‘beroepsactivist’.

Kraaijer bleef niet bijster lang in dienst van de FNV. Hij zegt zelf in zijn publicatie van augustus 2011 dat hij na een intern conflict en met een gouden handdruk de laan is uitgestuurd. ‘Een paar jaren heb ik fulltime gewerkt bij de Bouw- en Houtbond FNV, districtskantoor Zwolle. Daar werd ik na een intern conflict over de arbeidsvoorwaarden eervol ontslagen met een gouden handdruk. Dat zal ergens rond 1993 zijn geweest.’ Het lijkt zijn lot te zijn om in conflict te komen met het systeem. Bij de griffie op de rechtbank gebeurde volgens Kraaijer hetzelfde.

Uit nader onderzoek blijkt dat het toch iets anders in elkaar steekt. En ook bij de FNV is het anders gegaan. Nu is nader onderzoek niet nodig. Kraaijer schrijft zelf op pagina 29 in Een antifa vertelt dat hij ‘eind 1992 door deze vakbond via de Kantonrechter werd ontslagen, direct ten gevolge van een landelijke reorganisatie binnen de bond.’ Niet een intern conflict, maar een reorganisatie. En de gouden handdruk was iets minder glimmend. Hij kocht een witte auto, een tweede hands Ford Fiesta of Opel Kadett, vertelt een kennis uit die tijd.

VI – PERIODE 1993 – 1998

GroenLinks: de Emmaschool

Kraaijer werd actief voor de GroenLinks steunfractie in de gemeenteraad van Zwolle, terwijl hij die partij eigenlijk verfoeide. Kraaijer gebruikte GroenLinks voor zijn eigen activiteiten: gekraakte Emmaschool, AFA en de Koerden. Hij gebruikte de partij niet alleen voor zijn acties, hij nam een belangrijke plek in als fractiesecretaris en als lid van de steunfractie. Het artikel in de Zwolse Courant (1991) leest als het artikel in De Telegraaf (2011) met als enige verschil dat in het eerste interview meer details, meer duiding van zijn ‘politieke’ stellingname is terug te vinden.

Beide interviews echter scheppen een beeld van een man die niet geheel de waarheid vertelt, of de waarheid verdraait. Hierbij gaat het niet om het spionageverhaal, maar om de feitelijke gebeurtenissen. Bij het artikel in de Zwolse Courant is het overduidelijk, twintig jaar later treedt Kraaijer niet in detail en is daarom niet te betrappen op een discrepantie. Waarom een stoer standpunt innemen over GroenLinks terwijl Kraaijer al een jaar voorafgaande het interview met de Zwolse Courant toenadering zocht tot de partij?

In het GroenLinks Zwolle fraktieverslag nr 12 (20 juni 1990) wordt onder het kopje naar aanleiding van het vorige verslag vermeld: ‘Paul Kraaijer, het is niet gelukt een afspraak vóór zijn vertrek te maken. Er waren ook geen ideeën waarover gesproken zou moeten worden. Na de zomervakantie komt dit terug. Moet op lijst lopende zaken.’ Kraaijer zou in juli 1990 naar Nicaragua afreizen voor een evaluatie toer, en zocht daarvoor al toenadering tot de kern van de partijafdeling van GroenLinks Zwolle. Hij voerde in de loop van 1990 en 1991 meerdere gesprekken over toetreding tot de steunfractie en het op zich nemen van het fractiesecretariaat. Eind 1991 werd hij volwaardig lid van de GroenLinks steunfractie in Zwolle.

De eerste notulen die Kraaijer maakte voor de steunfractie, zijn van de vergadering van 4 december 1991. Hij ondertekende het verslag met ‘Paul’, en onderstreepte zijn naam. Begin 1992 schreef Kraaijer een samenvatting van de fietsnota van GroenLinks, trad toe tot de gemeenteraadscommissies openbare orde en juridische zaken en welzijn, onderwijs en cultuur en ontpopte zich tot de duizendpoot binnen de partij. Zo hield hij zich bezig met het woonboten-beleid, met het opzetten van een ‘dynamisch-biologische markt’ in Zwolle en allerlei andere zaken waar de partij toentertijd op werd aangesproken.

Tijdens de vergadering van 6 februari 1992 kwam een bewoner van de destijds gekraakte Emma-school op bezoek. De bewoners en gebruikers van het pand waren verrast door een ‘inval van de brandweer’ in de school. De kraker zocht steun bij GroenLinks. De fractie leek de boot af te houden, maar de krakers bleken vasthoudend. Zij schreven een vier pagina’s lange brief over het handelen van de gemeente. Op 15 februari 1992 schreef Kraaijer aan de krakers: ‘Op 3 maart aanstaande zullen dan ook de volgende fraktieleden aanwezig zijn: raadslid, fraktielid en ondergetekende (Paul Kraaijer)’. Na de ‘jaarvergadering’ van de Emma-school schreef de fractievoorzitter van GroenLinks een brief met acht vragen voor de raadsvergadering van 9 maart 1992 over de feitelijke situatie rondom de school.

Kraaijer vervulde steeds meer een brugfunctie. Hij nam contact op met de krakers in verband met een rondleiding in de school voor leden van de Duitse Grünen. GroenLinks en Kraaijer gingen zich steeds meer met de Emma ateliers bemoeien. Zowel de culturele component, in de school hadden allerlei kunstenaars hun ateliers, als de historische waarde van het pand werden benadrukt. Brief aan het College van B en W van vrijdag 21 mei 1993: ‘Vandaag ontving ik evenals u een plan van de Stichting Ateliers Emma. […] GroenLinks is van mening dat deze visie, gelet ook op het culturele belang, serieus onderzocht moet worden.’ 25 augustus: ‘Paul geeft stand van zaken Emma weer.’

De notulen van de GroenLinks-fractie van 3 september: ‘Paul heeft telefonisch contact gehad met v.d. Reijd (vastgoedmaatschappij die huurappartementen in de school wil bouwen). Hij (v.d. Reijd) deelde mede nog geen reactie van het college te hebben ontvangen met betrekking tot zijn Emmaschool voorstel.’ In het aandachtspunten-overzicht van 8 september staat dat Kraaijer ingaat op de actuele Emma-situatie en de gemeentelijke tegenwerking die gevoeld wordt. Kraaijer was ondertussen tot het bestuur van stichting Ateliers Emma toegetreden. Op 1 juni 1993 werd hij voorzitter van het bestuur van de stichting. ‘Aandachtspunten raadsledenoverleg’ 20 oktober 1993: ‘Paul gaat in op situatie Emmaschool, 1 Mei-Platform en Cultuurplatform. Op 22 oktober stapt Paul uit het Cultuurplatform (zaak is op de rails en er komt veel Emma- en GL-werk aan).’

Op 23 november 1992 plaatste Kraaijer een advertentie in de Volkskrant ‘Kunst in Zwolle? Behoud Emma! Paul Kraaijer.’ Twee dagen later demonstreerden de kunstenaars bij het stadhuis voor behoud van het pand. En op 28 november stelde GroenLinks opnieuw vragen over de wijze waarop het stadsbestuur met de Emma-school omgaat. Een ander bestuurslid herinnert zich Kraaijer nog: “Ik kende hem vanaf 1990. Van 1993 tot en met 1994 heeft hij zitting gehad in het dagelijks bestuur van Stichting Ateliers Emma waarvan ik ook deel uitmaakte.”

Hij liet zich in 1993 fotograferen in een van de ruimten van de school en zorgde voor een mediaoffensief voor het behoud ervan. Na het scholenproject El Sol lijkt de Emma-school het nieuwe werkproject van Kraaijer te zijn geworden. Het is echter geen lang leven beschoren. In dezelfde periode besteedde hij meer tijd aan antifacistische activiteiten. Eind 1993 werd duidelijk dat de strijd voor behoud van het kraakpand verloren was. De Zwolse Courant publiceerde op 21 december 1993: ‘Het GPV (Gereformeerd Politiek Verbond) heeft vorige week de deur voor Ateliers Emma, die bij deze fractie toch al op een kier stond, met een ferme klap dicht gegooid.’ De geringe steun in de gemeenteraad is dan volledig afgebrokkeld.

Zijn AFA-activiteiten waren bij de overige bestuursleden van de stichting Emma Ateliers bekend: “In die tijd was hij initiator van AFA-Zwolle en informeerde ons diverse keren over AFA acties en de zogenaamde contacten met het ministerie van Binnenlandse Zaken”, vertelt een oud bestuurslid. “Niet voor niets had hij de bijnaam Paul ‘oproerkraaijer’. Hij hield van stemmingmakerij via artikelen in de krant.”

Die AFA activiteiten vielen op 12 april 1994 samen met zijn voorzitterschap van de Emmaschool. Op die dag vond het protest tegen de installatie van het CP-raadslid Henk Ruitenberg in Zwolle plaats. ‘Het verzamelpunt voor de blokkade-actie was de Emmaschool’, schrijft Guido Zijlstra in actieblad NN van 28 april 1994. ‘Vanaf de school toog de groep richting gemeentehuis.’ Na de installatie ‘verliet Ruitenberg, begeleid door z’n kameraden Douwe van de Bos en Van der Kamp, via een zij-uitgang het gemeentehuis, omringd door politiemensen. Ze wisten te ontkomen. Drie andere CP’ers, naar verluidt waarschijnlijk familieleden van Ruitenberg, werden weggevoerd in de richting van een politiebusje, achtervolgd door de actievoerders. Een actievoerder spoot toen traangas in het busje waarin de drie CP’ers (Ruitenberg was daar niet bij) en een smeris zaten. Er volgde een arrestatie’, zo vervolgt het artikel ‘The good and the ugly’.

Terug in de Emmaschool verzamelde zich een politiemacht voor de deur die een tweede persoon wilde arresteren. De krakers van de Emma-school lieten de politie binnen. ‘Een direct betrokkene van de school: De Emmaschool heeft inderdaad alle medewerking aan de politie verleend. Niet alleen toen. De Emmaschool heeft al genoeg problemen met de gemeente e.d. en zij kan geen negatieve publiciteit gebruiken.’ Binnen ontstond een vechtpartij tussen politie en demonstranten. Twee mensen werden gearresteerd.

De arrestaties in de school leidden tot een heftige discussie binnen AFA, vooral over de rol van Paul Kraaijer. Hij had ‘zijn gebouw’ ter beschikking gesteld, terwijl de andere bewoners en gebruikers daarover niet duidelijk vooraf waren ingelicht. Kraaijer was zelf niet aanwezig in de school en ontdook daardoor alle verantwoordelijkheid voor het drama. Uiteindelijk luiden de perikelen rond de installatie niet het einde van Kraaijer’s carrière binnen AFA in, maar leken vooral de ontruiming van de Emma-school te bespoedigen. Op 19 juli 1994 was het zover. Kraaijer en een medebestuurslid deden nog op 25 juli aangifte van vernielingen in het pand, maar het doek was gevallen. Als laatste stuiptrekking plaatste Kraaijer nog een ingezonden brief over het verval van de school in de Peperbus van 27 juli.

GroenLinks: AFA

Kraaijer was vanaf het moment dat hij zitting heeft genomen in de steunfractie van GroenLinks Zwolle een zeer actief lid. Als secretaris van de fractie verzorgde hij de notulen, communicatie en allerlei zaken voor de partij. Daarnaast nam hij deel aan allerlei activiteiten als vertegenwoordiger van GroenLinks, zoals het cultuur overleg en het 1 Mei platform. Kraaijer was betrokken bij een hoeveelheid aan projecten.

Twee vergaderingen uit maart 1993. In de notulen van 5 maart 1993 wordt de naam Kraaijer bij vijf van de negen punt vermeld. De notulen van 23 maart 1993: ‘op 15 april hoopt Paul […] Paul heeft een gesprek […] Paul slaat er het Staatsblad nog even op na […] Paul betrekt brief […] Paul gaat naar […] Paul vraagt ook anderen […] Paul speelt […] Paul maakt […] Paul neemt […]’ lezen als een te-doen-lijst voor Kraaijer.

Op 10 november 1993 kondigde hij aan dat hij na de gemeenteraadsverkiezingen van 2 maart 1994 ‘zijn functie als secretaris neerlegt’. Hij gaf aan lid te willen blijven van de GroenLinks steunfractie. ‘Na tweeënhalf jaar secretaris te zijn geweest, wil Paul op een andere manier het fractiewerk ervaren en de vrij gekomen tijd benutten/besteden aan zaken die tot nu toe helaas zijn blijven liggen.’ Op 17 mei 1994 was het zover. Kraaijer wordt ‘door de fraktie bedankt voor het sekretariaatswerk dat hij heeft gedaan en de daarbij betoonde inzet.’ De vrouw die zijn werk overnam, maakte ondertussen ook deel uit van AFA Zwolle en was tevens bestuurslid van de Emmaschool.

In zijn publicatie van augustus 2011 schrijft Kraaijer: ‘Ik werd benaderd door Hans van de RID Regio IJsselland met het verzoek om een lokale groep op te richten van de Anti-Fascistische Aktie, AFA. Die actiegroep was net ontstaan. Reden voor het opzetten van een AFA-Zwolle groep was de deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen in 1994 te Zwolle van de landelijke voorzitter van de – inmiddels verboden – extreem-rechtse politieke partij CP’86 (Centrum Partij 1986), Henk Ruitenberg.’

In diezelfde publicatie beschrijft Kraaijer AFA als een gevaarlijke organisatie: ‘De AFA had door het hele land lokale groepen en bestond vooral uit jonge, extreemlinkse autonoom uitziende types (vooral in het zwart gekleed, alternatief, zich verzettend tegen de gevestigde orde, de maatschappij in het algemeen, egocentrisch en vaak en bewust uit op rellen, geweld), krakers ook.’ Je zou denken dat hij slechts zijdelings bij de strijd betrokken was, echter van eind 1993 tot 1998 raakte hij serieus betrokken bij AFA en bleek hij veel minder negatief over de jonge ‘vooral in het zwart gekleed zijnde krakers’.

Uit Een antifa vertelt (herfst 1996): ‘Maar, onder die kleren en onder dat haar zitten gewone jonge mensen, vaak nog kinderen. Ze zijn maatschappij- en politiek kritisch. […] Het is voor mij niet duidelijk waarom dat als bedreigend wordt ervaren. Een bivakmuts, ja, dat zou als bedreigend kunnen worden opgevat. […] Dat doet men ‘slechts’ om niet herkend, gefotografeerd en gefilmd te worden door rechts-extremisten. Bekendheid kan leiden tot bedreigingen vanuit extreem-rechts’, schrijft Kraaijer. Hij ging zelfs nog een stap verder en oordeelde in het boek dat geweld soms begrijpelijk is: ‘Bij het wegrijden vonden enkele fascisten het nodig om net gestolen asbakken uit het horecabedrijf vanuit een open dakluik van de bus naar de groep tegenstanders te gooien. Dat op zo’n moment vanuit de groep anti-fascisten met allerlei voorhanden zijnde voorwerpen wordt teruggegooid vind ik begrijpelijk.’

Bevatte het boek uit 1996 leugens, was het nep? Het feit dat Kraaijer zich nu presenteert als spion lijkt daar op te duiden, maar hoe echt is die claim? De BVD leek in de jaren ’90 AFA niet echt als speerpunt te hebben. Hoewel de dienst zich zei te richten op het ‘onderkennen van dreigende confrontaties tussen ultra-links en extreem rechts’ (jaarverslag 1993) had dit ‘tot op heden niet geleid tot grootschalige, gewelddadige confrontaties’ (jaarverslag 1994 het jaar van het installatie-incident in Zwolle). In het jaarverslag van 1994 wordt expliciet vermeld dat ‘de hoofdmoot van de aandacht van de BVD voor politiek gewelddadige activisten ook in 1994 voorbehouden bleef aan de Revolutionaire Anti Racistische Actie, RARA.’

Kraaijer schrijft in de bundel De mist trekt op (11 december 1995) dat AFA-Zwolle op 17 november 1993 werd opgezet. Dit zou dus de datum zijn van de BVD-operatie Kraaijer en AFA. Waarom 17 november 1993? Kraaijer schreef op die dag op briefpapier van de GroenLinks fractie in Zwolle een brief aan de gemeenteraadsfracties van GroenLinks in Amsterdam, Groningen, Haarlem, Assen, Nijmegen, Rotterdam, Tilburg, Utrecht en Zaanstad. ‘De CP’86 doet in maart ’94 ook in Zwolle mee aan de gemeenteraadsverkiezingen!! […] Bij deze verzoekt de Zwolse fractie dan ook om toezending van eventuele stukken, nota’s etc. Met betrekking tot het aspect ‘hoe te handelen naar de CD en CP’86 met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen’.’ Kraaijer ondertekende deze brief met ‘namens de fractie van GroenLinks, Paul Kraaijer, secretaris.’

Het is de vraag of hij deze brief ook als BVD-informant schreef en de partij voor zijn infiltratiedoeleinden gebruikte. Kraaijer beweert nu dat GroenLinks geen doelwit voor hem was, maar welke rol speelde hij dan binnen die partij? Hij was geen gewoon lid die zich op de antifascistische strijd stortte. Het is onduidelijk wat voor reacties er op de brief van 17 november zijn gekomen, maar Kraaijer stuurde een persbericht over de oprichting van AFA Zwolle naar de lokale media, de Peperbus en de Zwolse Courant: ‘Op 15 december besteedde de Peperbus aandacht aan de oprichting van AFA-Zwolle. De Zwolse Courant publiceerde er pas over na twee keer het persbericht te hebben ontvangen, op 23 december.’

Het klopt dat Kraaijer het eerste en eigenlijk het enige lid is geweest dat bij de oprichting van AFA Zwolle was, maar hij zocht wel verbreding gedurende de eerste maanden: ‘Half december benaderde ik onder andere enkele mij bekende personen, afdelingen van politieke partijen, maatschappelijke organisaties en allochtone groeperingen’ (De mist trekt op, pag. 15). Kraaijer belegde een vergadering, maar raakte daarover naderhand teleurgesteld. ‘Tijdens die vergadering werd, helaas, duidelijk dat de meeste aanwezigen zich niet zo konden vinden in de ‘radicale’ politieke benadering van AFA met betrekking tot het maatschappelijke verzet tegen extreemrechts.’

Er werd een apart comité, Anti Fascisme Comité (AFC), opgericht dat op 24 februari een fakkeloptocht organiseerde. ‘De enige AFC-aktiviteit werd een fakkeloptocht tegen racisme op 24 februari 1994. Daarna sliep het AFC vredig en zonder ophef in. Behalve AFA.’ Op 27 januari 1994 verscheen er een interview met Kraaijer in de Zwolse Courant onder de kop ‘Affiches contra Centrum Partij’. ‘Op de vraag in hoeverre beide organisaties elkaar overlappen, zegt Paul Kraaijer: “Het Anti-Fascisme Comité kent een wat breder platform. Het beschouwt de AFA als wat te radicaal”.’

Een van de andere voormalige deelnemers aan het AFC schetst anno nu een ander beeld: “Tot onze grote verrassing was de opkomst zeer groot (bij de eerste vergadering). Er waren vertegenwoordigers van de Raad van Kerken, FNV, migrantenorganisaties, individuen en de Groenen. Tijdens de tweede of derde vergadering, kwam Paul Kraaijer. Hij presenteerde zichzelf als AFA Zwolle.” AFC had al eerdere een fakkeloptocht gehouden: ‘In december 1992 werd eveneens een fakkeloptocht georganiseerd. […] Vlak voor deze fakkeloptocht hadden zeer vervelende racistische incidenten plaatsgevonden in met name Duitsland (Solingen). De Zwolse optocht in december 1992 bleek de grootste in Nederland’ (de Peperbus, 23 februari 1994).

Het Anti Fascisme Comité bestond dus al veel langer. De GroenLinks fractie kreeg jaarlijks het jaarverslag van de groep toegestuurd. In het jaarverslag over 1986 blikte de groep terug op haar vijfjarig bestaan. Tevens werd er naar de verkiezingen en de Centrum Democraten gekeken. Het postadres in 1994 was nog steeds hetzelfde als in de jaren ’80. De voormalig betrokkene bij het AFC: “Tijdens de vergaderingen was Kraaijer continu bezig om zijn mening er door te drukken, en ons een richting uit te duwen die niet strookte met wat de meeste deelnemers wilden.”

Het idee van AFA Zwolle om het gemeentehuis te blokkeren bij de installatie van de nieuwe raadsleden in april 1994, was voldoende om de meeste deelnemers van het AFC te doen afhaken. Tijdens de eerste jaren van AFA Zwolle was de gemeenteraadsfractie van GroenLinks zelf ook actief rond de ‘racisme (CD en CP’86) problematiek’. De partij schreef in december een vertrouwelijke notitie voor een besloten commissie van Algemene Bestuurlijke Aangelegenheden (ABA) die plaats zou vinden op 16 december 1993. Kraaijer verspreidde die notitie weer onder migrantenorganisaties zoals de Turkse Migrantenvereniging aan de Holtenbroekerweg 2a in Zwolle.

Probeerde Kraaijer, als informant van de BVD, AFA Zwolle als enige anti-racismegroep in Zwolle te laten overblijven door radicale standpunten? Zijn uitspraken zowel in de krant, als in zijn publicaties duiden eerder op een grondhouding. Kraaijer werd door sommige bekenden omschreven als een ‘oproerkraaijer’, die discussies soms flink aanzette, en stevige woorden gebruikte in de media en in eigen publicaties. Zijn eigen partij GroenLinks zal daar in de loop der jaren ook mee worden geconfronteerd.

Na het incident rond de installatie en de Emmaschool in april 1994, en de sloop van de school in de zomer van dat jaar, werd Kraaijer minder actief, zowel binnen AFA als GroenLinks. Hij reed op vrijwillige basis als bestuurder mee met de dierenambulance. Hij reageerde zelfs niet op een interview in de Zwolse Courant met gemeenteraadslid Henk Ruitenberg van CP’86. Pas op 18 november 1994 haalde Kraaijer weer de kolommen van de Zwolse Courant: ‘AFA Zwolle heeft beslag gelegd op twee pamfletten van CP’86. […] Kopieën van de pamfletten heeft de AFA naar alle raadsleden gestuurd’.

De volgende dag deed Kraaijer mee aan een demonstratie in Lisse en in december 1994 bracht hij de eerste van diverse knipselkranten of publicaties uit, getiteld ‘De schaapskooi een jaar bezien’. Op 4 januari 1994 nam hij weer deel aan de steunfractie van GroenLinks. ‘Aanwezig: Paul (nu weer als steunfractielid)’, zo wordt er genotuleerd. Zijn werk voor AFA nam echter een grote vlucht en Paul gebruikte de fractie om niet alleen AFA Zwolle te promoten, maar ook GroenLinks te gebruiken als vehikel in zijn strijd tegen Ruitenberg. ‘AFA knipselkrant ontvangen’ (notulen fractie 13 januari 1995). ‘Paul: Op 25-2 gaat Ruitenberg naar een grote manifestatie in Rotterdam’ (notulen 16 februari 1995).

De lijsttrekker van GroenLinks in de gemeenteraad schreef de burgemeester een brief om Kraaijer als CP’86 deskundige aan te prijzen: ‘Wanneer wij op de een of andere manier je hierbij van dienst kunnen zijn dan staan wij daarvoor klaar. Ik wijs erop dat een van de ‘kenners’ van CP’86 ook actief is in onze steunfractie. Paul Kraaijer is een zeer betrokken mens en staat daarom ook vaak bloot aan bedreigingen en intimidaties vanuit de hoek van CP’86. Hij is stimulator en voorzitter van AFA Zwolle en heeft vele landelijke contacten. Wanneer je iets over CP’86 en hun contacten weten wilt beveel ik je Paul als informatiebron aan’. (brief 11 maart 1995)

Er is sprake van een solidariteitsverklaring van het Komitee Utrecht tegen Racisme en Fascisme (notulen 14 maart 1995) en een brief over extreem-rechts en de positie van vrouwen van AFA (14 maart 1995). Kraaijer ging op bezoek bij burgemeester Franssen; de uitkomst van het gesprek werd in de GroenLinks vergadering van 18 april 1995 besproken. In de notulen van 20 juni 1995 informeerde de fractie over AFA Zwolle: ‘Er is subsidie gekregen met wat extra’s om de Broerenkerk af te huren. Er komt een knipselkrant over de CP. Landelijk GL probeert alle groepen bij elkaar te krijgen.’

Het lijkt er inmiddels op alsof AFA Zwolle een van de commissies is binnen de GroenLinks fractie. C. Mars schrijft in een ingezonden brief in de Zwolse Courant van 18 januari 1996: ‘Wat overigens niet onvermeld mag blijven, is dat een groot deel van AFA lid is van GroenLinks en zelfs door deze partij gefinancierd wordt.’ In Zwolle werd veel op de man gespeeld. De strijd tussen Kraaijer en Ruitenberg was bijna een persoonlijke strijd geworden. Dat Kraaijer ruggensteun zocht bij de fractie lijkt logisch in de periode dat het zich afspeelde. De nauwe verbondenheid met GroenLinks roept echter vragen op over zijn rol als informant.

Hij zegt nu dat hij AFA bespiedde in verband met de strijd tegen extreem-rechts, maar GroenLinks was destijds ook erg betrokken bij die strijd. In Zwolle was de scheiding tussen AFA Zwolle en GroenLinks erg vaag. Gezien de verwevenheid tussen de politieke partij en de actiegroep en, zoals later zou blijken, de consequenties en acties is het ongeloofwaardig dat Kraaijer bij zijn werk als informant die scheiding heeft kunnen waarborgen.

Installatie Ruitenberg

Op 12 april 1994 werd Henk Ruitenberg van CP’86 geïnstalleerd in de Zwolse gemeenteraad. GroenLinks, AFA en de Emmaschool kwamen bij die installatie tezamen. Overal in het land waar leden van CD of CP’86 werden beëdigd, werden demonstraties georganiseerd. Zo ook in Zwolle. Over de blokkade bij het gemeentehuis schrijft Kraaijer in 2011: ‘Als persoon Paul Kraaijer was ik fel gekant tegen welke actie dan ook tegen de installatie van extreem-rechtse gemeenteraadsleden. Die raadsleden waren immers democratisch gekozen. […] De actie had ik dan ook georganiseerd als de ‘antifascist’, ‘acteur’ en ‘agent’ Paul Kraaijer.’

Voor de blokkade van het gemeentehuis werd er verzameld in de Emmaschool. ‘Ik was secretaris van het stichtingsbestuur (st. Ateliers Emma) van dat kraakpand’, schrijft Kraaijer, terwijl hij voorzitter was. Hij schrijft er met grote distantie over. ‘De Emmaschool-krakers waren geen politieke krakers, maar ‘culturele’ en op zichzelf gerichte krakers’ (pag. 22). En de andere twee bestuursleden lijken vreemden voor hem, terwijl hij een van de twee bestuursleden, een jonge vrouw van GroenLinks Zwolle, persoonlijk kende. Zij nam na de verkiezingen de taak van fractiesecretaris over van Kraaijer, deed mee aan wat activiteiten van AFA Zwolle en had regelmatig contact met hem. Over het andere bestuurslid schreef hij vijftien jaar eerder: ‘Nog steeds heb ik een bijzonder goed contact met een mede oud-bestuurslid van de stichting Ateliers Emma. Zij is een goede vriendin van me geworden.’

‘Bij de blokkade-actie ging het mis. Een paar radicale linkse autonomen uit de stad Groningen ontdekte achter het gemeentehuis familieleden van Henk Ruitenberg. Die werden prompt door een of meerdere autonomen met traangas bespoten. Zinloos […] Gevolg: paniek, charges van de politie, autonomen/daders op de vlucht naar de Emmaschool waarin ze zich verschansten’, schrijft Kraaijer in 2011.

Van den Heuvel en Olmer schrijven op 4 juni 2011 in De Telegraaf: ‘Met de AFA-Zwolle ging de inlichtingendienst heel ver. De infiltrant organiseerde een blokkade-actie voor de ingang van het Zwolse gemeentehuis om de installatie tegen te houden van Henk Ruitenberg, het nieuwe raadslid voor CP 86. De infiltrant had antifascisten uit het hele land opgetrommeld. Maar de actie liep uit op geweld. De actie, die feitelijk was georganiseerd door de AIVD, eindigde in ME-charges.’

In Kraaijers publicatie een paar maanden later volgt echter een andere versie: ‘De RID en BVD hebben geen bemoeienis met de organisatie van de actie gehad. Feit is wel dat het opmerkelijk te noemen is dat ik sowieso een dergelijke actie heb kunnen organiseren met medeweten van de RID en BVD. Maar, wellicht hoopte de BVD met een dergelijke actie op een rel.’

Maakten de blokkade-actie en de daarop volgende rel nu onderdeel uit van zijn werk als informant, of was Kraaijer begaan met AFA en fel gekant tegen de democratisch gekozen Ruitenberg? Zestien jaar geleden schreef Kraaijer: ‘Deze aktie was op zich een sukses. Helaas was het voor AFA-Zwolle wel noodzakelijk om anti-fascisten uit te nodigen uit enkele noordelijke steden. Dit was een direkt gevolg van de matige Zwolse belangstelling voor zo’n aktie. Voor vele Zwollenaren bleek deze aktievorm al te ‘radikaal’.’ (december 1995). ‘In mijn achterhoofd spookt echter nog steeds het ‘traangas-incidentje’ op 12 april 1994 tijdens de installatie van Henk Ruitenberg in de Zwolse gemeenteraad’, zo is op pag. 83 van Een antifa vertelt te lezen (najaar 1996).

Na het incident bij het gemeentehuis van Zwolle gingen de demonstranten terug naar de Emmaschool en werden daar uiteindelijk omsingeld door de politie die nog op zoek was naar een verdachte. ‘Met veel machtsvertoon arresteerde de politie in het gebouw de actievoerders die betrokken waren geweest bij het incidentje achter het gemeentehuis. De overige actievoerders verlieten woedend de Emmaschool. Zij waren ervan overtuigd dat hun ‘kameraden’ door krakers van de Emmaschool aan de politie waren uitgeleverd. Krakers leveren elkaar niet uit aan de politie, dat behoeft geen nadere uitleg, denk ik! Ik was en ben het met die overtuiging eens.’

De demonstratie van 12 april 1994 verliep niet eenvoudig voor Kraaijer. Hij had een verzamelplaats gekozen waarvan de bewoners niet echt blij waren met de komst van de demonstranten. Na het incident achter het gemeentehuis en de inval van de politie gaven veel actievoerders uit het noorden Kraaijer de schuld van de arrestaties. Kraaijer verweert zich. Hij kende de mensen van de Emmaschool eigenlijk niet. ‘Zwolse krakers zien zichzelf niet als krakers. Bewust spreken ze over zichzelf als ‘gebruikers’. Het zijn conservatieve, kunstzinnige, blowende quasi reli ‘gebruikers’. ‘Gebruikers’ van de Emmaschool waren woest op mij. Ik was voorzitter van de stichting Ateliers Emma […] Ik had de Emmaschool in diskrediet gebracht, vond men. Kortom, ik werd op 12 april min of meer heen en weer geslingerd tussen twee groepen. Politiek en idealistisch inhoudelijk gezien lag en ligt mijn hart bij de groep actievoerders en niet bij ‘krakers’ in Zwolle.’

Pauls hart lag bij de groep actievoerders, en lang niet alle AFA activisten gaven Kraaijer de schuld. De solist Kraaijer had echter geen oog voor wat er met de andere activist van AFA-Zwolle op 12 april 1994 gebeurde. Deze vrouw, onervaren met de actiewereld, kreeg de verantwoordelijkheid op zich voor de gang van zaken rondom de Emmaschool na het incident achter het stadhuis. ‘Na afloop van de installatie op 12 april 1994 zouden we naar de Emmaschool gaan. Ik was secretaris van Emmaschool en de rest van het bestuur wilde niet dat de Emmaschool geassocieerd zou worden met AFA; ze wilden geen trammelant. Ik ging naar de Emmaschool, Paul zag ik niet. Er kwam politie bij de Emmaschool en ze wilden naar binnen omdat er zich AFA leden schuil zouden houden. Ik heb ze toen wel binnengelaten, want ik wilde geen gedonder met de Emmaschool. Net voordat de politie kwam zag ik Paul buiten weglopen. Ik stond er alleen voor. Diverse mensen zeiden dat ik een verrader was.’

De gebeurtenissen rondom de Emmaschool leidden tot heftige reacties. Enkele activisten uit het noorden van Nederland spraken van verraad en uitlevering van demonstranten aan de politie. Kraaijer leek er in eerste instantie een schepje boven op te doen. In de Zwolse Courant van 13 April 1994 tekent Wout Sleijster op: ‘De actie gierde hem (Kraaijer) uit de hand. “De AFA-groepen uit Groningen en Leeuwarden zouden zich aanpassen aan onze actie”, sprak Kraaijer na afloop met nog trillende stem. “Dat is niet gebeurd”.’

Zowel in NN als in andere actiebladen verschijnen verklaringen, ook op de eerste elektronische discussielijsten. Een gebruiker van de lijst neemt het voor Kraaijer op: ‘Eerder op de middag was de smeris gebeld omdat er skins rond het pand (de Emmaschool) hingen en men vreesde voor een aanval. Dat de politie gebeld werd schijnt in Zwolle normaal te zijn. De smeris belde de Emmaschool met de mededeling dat er een binnentredingsbevel was, en niet andersom’.

De twee weken die volgden op 12 april 1994 waren duidelijk een hectisch tijd voor Kraaijer. Hij schrijft diverse brieven aan het landelijk secretariaat van de AFA. Een brief over de opheffing van AFA Zwolle van 13 april 1994 waarin hij afstand neemt van het ‘geweld’ tijdens de installatie. Een brief op 17 april 1994 waarin hij de gebruikers van de Emmaschool de schuld geeft. “De gebruikers ervan (die zich geen krakers noemen) zijn niet te vergelijken met ‘echte’ krakers.” In deze brief keurt hij het geweld van AFA niet af. “Dat wil niet zeggen dat ik sommige vormen van geweld afkeur. Indien ik en AFA Zwolle niet betrokken zouden zijn geweest bij de blokkade actie had ik dan ook geen moeite gehad met wat zich heeft voorgevallen. Ik heb zelfs enige affiniteit met enkele buitenlandse organisaties die geweld niet schuwen.”

En in zijn laatste brief aan AFA groepen van 20 april 1994 legt hij het een en ander nog uitgebreider uit. Hij trekt het boetekleed aan. “Achteraf gezien neem ik het mij ontzettend kwalijk dat ik de Emmaschool als centraal ontmoetingspunt heb gekozen op de 12e april.” Hij distantieert zich nu van het gebruik van traangas, maar is blij dat de actie radicaal is. “Voor Zwolse begrippen was de actie behoorlijk ‘radicaal’ en nieuw!” Op 28 april 1994 vergadert AFA en wordt besloten Kraaijer opnieuw uit te nodigen.

Kraaijer zal waarschijnlijk het begrip van diverse AFA activisten en de reacties in actiebladen bedoelen van mensen die hem steunen ondanks de forse kritiek. ‘Na vele, voor mij positieve, telefoontjes met enkele AFA-aanhangers en -groepen besloot ik na een week toch verder te gaan met AFA en haar aktiviteiten’, schrijft hij in De mist trekt op. In 2011 portretteert hij zich tijdens die installatie als de eenzame spion die overal alleen voor staat. ‘Er was dan ook weinig tot geen morele steun vanuit de BVD en de RID Regio IJsselland en dat raakte me. […] Mijn echte verhaal en emoties kon ik aan niemand kwijt […] Er was geen uitlaatklep, geen warme praatpaal.’ Vijftien jaar na dato is het kennelijk nog steeds vooral zijn eigen emotionele sores die hem het meest is bijgebleven.

Hoe moet de installatie van Henk Ruitenberg achteraf worden gezien met de wetenschap dat Kraaijer een BVD-informant was? De ‘blokkade’ van het gemeentehuis werd gepresenteerd als een grote rel. Aan de achterzijde van het stadhuis had iemand traangas gespoten in een bus waarin zich familieleden van Ruitenberg en een agent in bevonden. Dit leverde vooral veel spanning op bij de demonstranten die zich terugtrokken in de Emmaschool en enkele mensen van de school. Kraaijer zelf was op het laatste moment niet meer in de omgeving aanwezig.

In De Telegraaf van 4 juni 2011 wordt geconcludeerd, uit de mond van Kraaijer, dat deze blokkade in feite georganiseerd werd door de inlichtingendienst. Dat de actie uit de hand liep was dus niet de schuld van hem, maar van mensen uit het noorden van Nederland. Ook de arrestatie van de mensen in de Emmaschool was ook niet de schuld van Kraaijer, want niet hij, maar een mede-bestuurslid zette de deur open voor de politie. Kraaijer blijkt achteraf, volgens eigen zeggen, noch voor de blokkade, noch voor het uit de hand lopen, noch voor de uiteindelijke arrestaties verantwoordelijk. Hij stelt dat hij onvoldoende begeleid werd door de inlichtingendienst en dat daardoor alles in het honderd liep.

Zijn eigen reconstructie van de gemeenteraads-installatie van Ruitenberg is opmerkelijk. Eerst was hij de trotse voorman van AFA-Zwolle die een radicaal geluid wilde laten horen en de installatie van Ruitenberg wilde tegengaan. Vervolgens meldt Kraaijer dat de BVD achter AFA-Zwolle zat en achter de blokkade-actie van april 1994. Kraaijer zelf trof geen enkele blaam. Hij was indertijd slechts een eenzame ‘spion’ die niet goed zou zijn begeleid door de BVD. Zijn actie was uit de hand gelopen, het geweld dat hij bestreed had hij uitgelokt, zelfs georganiseerd: de kans dat het uit de hand zou lopen was zeer groot. AFC organiseerde om die reden geen blokkade-actie op 12 april 1994, Kraaijer’s AFA wel.

Er viel Kraaijer indertijd niets te verwijten, iets wat hij zelf ook zegt over zijn rol als informant: ‘hij acteerde en speelde de rol van politiek links activist en het acteren is hem goed afgegaan.’ Opnieuw plaatst hij zich buiten de discussie: er is hier geen Paul Kraaijer die verantwoordelijkheid neemt voor acties of voor zijn levensloop. Nee, het is zijn Avatar uit Second Life, de wereld waarin Kraaijer acteert. Kraaijer speelt met de waarheid, buigt die om, vult het spannender in om zichzelf vervolgens vrij te pleiten.

Dat deed hij rondom de installatie van Ruitenberg, omdat wat er bij de Emmaschool gebeurde niet de schoonheidsprijs verdiende voor een solidaire antifascist, en al helemaal niet voor een goede vriend. De persoon die besloot de politie binnen te laten in de Emmaschool was de jonge vrouw die Kraaijer later GroenLinks binnen loodste, maar die hij ook bij AFA-Zwolle en de Emmaschool betrok. Zij zat in die tijd in een moeilijke periode van haar leven. Kraaijer liet haar echter zitten en kneep er tussenuit. Zij werd uitgemaakt voor verrader, zowel die dag als later in artikelen over het incident.

Kraaijer werd er naderhand wel op aangesproken, maar bleef buiten schot. AFA wilde Kraaijer voor het netwerk behouden en zocht contact met hem om AFA-Zwolle te blijven voortzetten. Dat lukte, en hij kon zo zijn antifascistische werk voortzetten, die anders naar alle waarschijnlijkheid een stille dood zou zijn gestorven.

Kraaijer en AFA

Op 4 juni 2011 schrijft John van den Heuvel in De Telegraaf dat ‘met de AFA-Zwolle, frontstore van de AIVD, de inlichtingendienst heel ver ging.’ Kraaijer zegt in het interview: ‘In feite stond de Zwolse AFA-afdeling volledig onder controle van de BVD, aldus Kraaijer, die voor zijn inlichtingen- en infiltratiewerkzaamheden stevige vergoedingen kreeg. Mijn studio werd betaald en ik kreeg ruime onkosten¬vergoedingen. Ik kon er prima van leven.’ Hij vervolgt zijn verhaal door te zeggen dat hij ‘binnen de kortste keren had ik het vertrouwen van een van de leiders van de AFA. Ik werd landelijk woordvoerder van de AFA. Ik stond zelfs de pers te woord!’ Van den Heuvel voegt aan het verhaal van Kraaijer toe dat ‘de AIVD-infiltrant geregeld werd geïnterviewd door journalisten, onder wie Sven Kockelman, destijds voor KRO s Brandpunt.’ Wat voor rol speelde Kraaijer in AFA, wat wist hij en wat waren zijn standpunten?

In De mist trekt op schrijft Kraaijer dat hij pas in november 1993 kennis maakte met AFA. ‘In november 1993 las ik in een landelijk aktieblad een artikel over de Anti-Fascistische Aktie in Nederland: het was mijn eerste kennismaking met deze aktiegroep.’ Het artikel met de kop ‘Radicale strijd tegen extreem-rechts’ verschijnt in NN #148 van 11 november 1993.

Augustus 2011 beschrijft Kraaijer dat hij AFA-Zwolle op 17 november 1993 heeft opgericht. In die publicatie beschrijft hij niet wanneer hij voor het eerst van AFA heeft gehoord. Als beide verhalen uit 1995 en 2011 juist zijn, dan heeft hij óf de BVD in zes dagen tijd een organisatie in elkaar gezet. Dat kan natuurlijk, want de groep heeft nooit een rechtspersoon gehad. Aan de andere kant betekende november 1993 ook een actieve rol van GroenLinks bij het begin van AFA-Zwolle.

AFA als landelijke organisatie werd opgezet in november 1992. In het artikel ‘Radicale strijd tegen extreem-rechts’ komt Peter aan het woord: “We zijn het onderling bij AFA niet eens of een verbod van extreem-rechts nu een goede zaak is of niet. We achten zo’n doelstelling op korte termijn ook niet haalbaar.” En: “We zullen er als organisatie hard aan werken om te voorkomen dat de actie uit de hand loopt. Kijk ik verwacht een situatie aan te treffen dat de CD-leden door een dubbele rij dranghekken en onder begeleiding van politie het gebouw moeten betreden. Wij moeten daar dan zeer veel lawaai maken”, zegt Peter in NN.

Vanuit GroenLinks was er aandacht voor extreem-rechts. De partij was weliswaar activistisch, maar Kraaijer een eenling en paste niet in een hiërarchische structuur. Kraaijer kende de wereldwinkel annex publicatiewinkel de Bonte Hond goed en daar werd NN verkocht. Het ligt voor de hand dat hij het artikel over AFA met beide armen heeft aangegrepen om AFA naar Zwolle te halen. Onderaan het artikel stond een uitnodiging: ‘AFA houdt haar eerst volgende bijeenkomst over de campagne op zaterdag 27 november, 11 uur op Lauwerecht 55 in Utrecht. Belangstellenden zijn van harte welkom.’

Of Kraaijer bij die bijeenkomst aanwezig is geweest, weten betrokkenen niet meer precies. Wel verschijnt zijn naam en adres op de ‘adressenlijst AFA, intern, stand 10 maart 1994.’ De lijst is niet geheel intern, want het zou gaan om openbare adressen en telefoonnummers van AFA-groepen. Naast adressen van verschillende kraakpanden worden er postbussen en het adres van Paul Kraaijer op de lijst vermeld. Namen van personen komen er niet op voor.

De start van AFA-Zwolle bleek echter niet eenvoudig. Kraaijer wist eigenlijk niet hoe hij een eigen organisatie moest opbouwen. Bij de actie in Havelte was hij slechts ingestapt, bij het Chili comité, Nicaragua comité, het scholenbouwproject en Inca Pirca idem dito. Hij name deel aan reeds bestaande organisaties en creëerde vervolgens zijn eigen werkterrein. AFA-Zwolle was andere koek. Hij had dan wel wel GroenLinks – de partij diende wellicht als springplank – maar was zeker geen basis voor AFA-Zwolle.

Op een bijeenkomst in Amersfoort sprak Kraaijer een jonge vrouw van AFA aan. Hij nodigde haar uit om in Zwolle te komen praten over het opzetten van zijn actiegroep. “Hij was gecharmeerd van de opzet in Amersfoort. We hadden een brede basis en veel steun. Helaas ging het allemaal over bedreigingen, maar wij hadden een goede organisatie”, zegt zij bijna 20 jaar later. Ze ging bij hem op bezoek omdat ze met hem te doen had. “Hij bedoelde het goed, niet radicaal in zijn uitspraken, een PPR type. Hij had een heel verhaal, het moest allemaal anders, maar ik had het gevoel dat hij mij niet om AFA had uitgenodigd.”

Na haar bezoek aan Paul begon hij haar geregeld te bellen. Dat ging op een lompige manier. Het leek veel op stalken. “Ik werd moe van hem en vermeed hem. Enige tijd later stopte ik ook met AFA.” Later kwam zijn hem nog enkele keren tegen bij acties rondom Koerdistan. Ze vertelt dat ze zich ongemakkelijk bij hem voelde, maar weet niet of dat met haar argwaan ten aanzien van hem te maken heeft gehad of dat ze hem gewoon een vreemde onaangename persoon vond die niet binnen AFA paste.

Kraaijer nam gedurende de zes jaar na 17 november 1993 deel aan landelijke vergaderingen van AFA, zo bevestigen ook enkele andere activisten uit die tijd. Een zonderling figuur, maar omdat Henk Ruitenberg, de landelijke voorzitter van CP’86 in de Zwolse raad zat, wilden mensen binnen AFA Kraaijer na de verkiezingen van maart 1994 voor de groep behouden. Dit was niet alleen omdat hij in Zwolle woonde. Iemand uit die tijd omschrijft hem als het type “buitenbeentje”, iets ouder dan de rest, maar ook een “goede prater, vriendelijk, vol ideeën” en, misschien wel het belangrijkste, “een redelijk goede en makkelijke schrijver die verantwoordelijkheid op zich nam.”

Kraaijer bleek overduidelijk een solist. AFA-Zwolle bestond op een gegeven moment uit twee mensen, maar alleen Kraaijer kwam bij landelijke vergaderingen van AFA. Het andere AFA-Zwolle van GroenLinks nam het fractiesecretariaat van Kraaijer over. Zij is begin 1994 tot AFA-Zwolle toegetreden, maar haakte al snel af. De achtergrond van Paul’s vader, hoofdredacteur van de Zwolse Courant, en de administratieve vaardigheden die hij bij de griffie van de rechtbank en bij de FNV had opgedaan kwamen nu goed van pas. Kraaijer schreef tientallen brieven aan gemeenten, verstuurde ingezonden stukken, gaf interviews, verzamelde krantenartikelen en produceerde een reeks bundels van 1994 tot en met 1996.

In 1994 werd Kraaijer in ruim tien artikelen in de lokale media, de Zwolse Courant en de Peperbus, genoemd als voorman van AFA-Zwolle. In de twee jaar die daarop volgden, steeg zijn roem. Kraaijer stelde een 27 pagina’s tellende bundel samen en publiceerde die in december 1994 onder de titel De schaapskooi: een jaar bezien (een globaal overzicht van perspublikaties over CP’86). In 1995 zou deze documentatie uitgroeien tot een dagtaak.

Kraaijer zou natuurlijk zo bij de BVD hebben kunnen gewerkt, per slot van rekening bestaat een groot deel van het werk van inlichtingendiensten uit het verzamelen van informatie uit openbare bronnen. Het idee van een knipselkrant is niet nieuw. Kraaijer was ook al bij GroenLinks begonnen aan een knipselkrant. ‘Afdeling vindt dit een prima idee. De krant zal tweemaal per maand verschijnen. […] De eerste knipselkrant zal in maart 1992 verschijnen’, zo lezen we in de GL-notulen van 9 januari 1992.

Vanaf 1995 zal Paul’s postadres ruim twee jaar op de eerste pagina van de AFA-nieuwsbrief prijken. In datzelfde jaar verschijnen er vijf publicaties met krantenartikelen uit het gehele land. Pagina één van nieuwsbrief #1 vermeldt dat deze ‘tot doel heeft elkaar te informeren over plaatselijke AFA-activiteiten en extreem-rechts-‘incidenten’. Dit informeren zal vooral bestaan uit het verzamelen van nieuws uit lokale – en regionale bladen. […] Alle stukken kunnen een week voor een landelijke AFA-vergadering verzonden worden naar het AFA-Zwolle adres.’

Kraaijer kreeg publicaties toegezonden uit het gehele land. Zelf kocht hij na een demonstratie, gebeurtenis of een incident een landelijke krant. In zijn beginperiode bij AFA betaalde de lokale afdeling van GroenLinks Zwolle een deel van zijn abonnementsgeld voor de Zwolse Courant. ‘Voor zover ik mij kan herinneren is vorig jaar afgesproken dat de helft van het abonnementsgeld van de Zwolse Courant door de fractie betaald zou worden’ (brief van Kraaijer aan de publicatiehouder d.d. 23 maart 1993). ‘Voor het abonnement op de Zwolse Courant ten behoeve van de knipselkrant is 200 begroot’ (notulen 22-08-1995).

Met een beperkt budget kon Kraaijer aan allerlei bladen komen. ‘Een tijdelijk gratis abonnement op de Groene wordt verzonden naar Paul, die het doorgeeft’, wordt bijvoorbeeld vermeld in de notulen van het fractieoverleg (16-02-1995). Tot slot kwam hij regelmatig De Telegraaf lezen in café de Singel. Al die krantenknipsels verwerkte hij samen met collega’s van AFA in nieuwsbrieven en ‘de schaapskooi’, enkel in dat kader ‘een half jaar bezien; januari – juni 1995’. Eind van dat jaar (11-12-1995) schreef hij een overzicht van zijn strijd tegen extreem-rechts voor ‘De mist trekt op; rechts-extremisme onder de loep’.

Het vastleggen van publicaties betreffende zijn strijd tegen CP’86 lag in het verlengde lijn van zijn archiefwerk aangaande de eerdere projecten Latijns Amerika en Nicaragua. Op pg. 71/72 van Een antifa vertelt licht Kraaijer toe hoe hij hierbij te werk gaat. ‘Sinds zes jaren hou ik een uitgebreid knipselarchief bij. In dit archief bewaar ik onder andere krantenartikelen over alle Zuid-Amerikaanse landen. […] Per land sla ik de vele krantenartikelen zowel in ordners als in de computer op. […] In het bijhouden van het archief gaat wekelijks de nodige tijd zitten. […]Behalve dit archief heb ik een soortgelijk archief over Turkije en – vanzelfsprekend – over extreem-rechts in Nederland en in de rest van Europa.’ Kraaijer blijkt een verantwoordelijk persoon, precies, hij archiveert om op de hoogte te blijven. Details zijn van groot belang in alles wat hij doet. Geen artikel ontsnapt aan zijn aandacht, hij legt ze vast in nieuwsbrieven en publicaties.

Spion binnen AFA?

In zijn vorig jaar online verschenen publicatie Dubbelleven van een AIVD-infiltrant/informant besteedt Kraaijer veertig pagina’s aan zijn werkzaamheden voor AFA: zijn rol als antifascist, de demonstratie in Zwolle in het kader van de installatie van Henk Ruitenberg, bedreigingen, de enige keer dat hij zal worden aangehouden gedurende zijn 25-jarig bestaan als informant, de BVD, de demonstratie van de NVU en AFA in Zwolle en demonstratierecht voor extreem-rechts. Aan het laatste onderwerp worden de helft van de veertig bladzijden besteed. De overige pagina’s bevatten weinig interessante details over zijn mogelijke kennis van AFA. Wist hij dus iets van AFA en zo ja, wat dan en is het mogelijk dat Kraaijer gedurende die periode van vijf jaar voor de BVD werkzaam was, dan wel in die periode werd benaderd?

Enkele betrokkenen van AFA uit de periode 1994 tot en met 1998 geven aan dat de AFA nieuwsbrief niet door Paul werd verstuurd. Hij had geen toegang tot een adressenlijst, maar wel de beschikking over telefoonnummers en adressen van AFA-activisten die op vergaderingen kwamen. Of dit enkel personen uit de regio betrof (Groningen, Assen, Twente) is niet duidelijk. Kraaijer gaf daar vorig jaar in het interview met De Telegraaf en in zijn eigen online-publicatie geen uitsluitsel over. En de mensen van AFA die hij persoonlijk kende dan, probeerde hij bij hen die informatie soms te ontfutselen?

Een activist uit Utrecht die samen met Kraaijer een korte periode het landelijk secretariaat heeft gedraaid zegt dat hij zo nu en dan met hem naar vergaderingen reisde. “Hij wist mijn naam, waar ik woonde, telefoonnummer, misschien zelfs de naam van mijn vriendin en enkele andere details van mijn leven. Dat is een erg onprettig gevoel nu, maar ja ik heb gewoon niet opgelet.” Als hij erover vertelt zegt hij dat het ook te maken had met het karakter van AFA. “We wilden een open organisatie zijn. De strijd tegen het fascisme verbreden en niet opgesloten zijn in onze eigen actiegroep. De staat maakt daar gebruik van, dat weet je nu eenmaal en dat is klote, want allerlei onschuldige mensen worden daar het slachtoffer van.” Als hij hoort dat Turken uit Zwolle door de BVD zijn benaderd, is hij plots boos. “Zie je wel, dat gebeurt er nu.” Hoewel hij zich belazerd voelt, vindt hij het vooral zielig voor Kraaijer. “Het was een zielig figuur. Erg geïsoleerd. Hij had het steeds over verbreding, maar was in Zwolle en omgeving niet in staat om mensen bij elkaar te krijgen. Een neurotische type eigenlijk.”

Een vrouw uit Groningen die samen met Paul regelmatig met de trein naar landelijke AFA vergaderingen reisde, vond Kraaijer wel aardig, maar vooral ook zielig. Hij werd deels uitgesloten omdat hij zo anders was dan de rest, en hij bleek erg gevoelig, emotioneel. “Wij reisden maandelijks naar AFA bijeenkomsten, zowel algemene vergaderingen als actie bijeenkomsten. Ik had hem daarvoor nooit eerder ontmoet. In de trein praatte hij vooral over zichzelf, veel privézaken. Over een vriendin die ernstig ziek was. Hij nam mij dan echt in vertrouwen en moest soms zelfs huilen tijdens die gesprekken. Eigenlijk vroeg hij mij nooit veel over mijzelf of mijn activiteiten.”

Enkele bekenden uit Zwolle bevestigen het bestaan van die zieke vriendin van destijds. Zij woonde in dezelfde straat als Kraaijer, de Pieter Steijnstraat. Paul zorgde voor haar, had “een knipperlicht relatie met een vrouw die volgens mij Janine heette en die verslaafd was aan de alcohol.” Kraaijer had een een zwak voor een bepaald type vrouwen. Hij ontfermde zich over jonge vrouwen met problemen of die hij kon helpen, zoals die van de eerder beschreven scholenbouwbrigades. Kraaijer besloot na 17 oktober 1995 eerste klas te gaan reizen. Volgens hem werd die dag door leden van CP’86 brand gesticht in het trapportaal van zijn flat. Aan zijn voormalige medereiziger van AFA vertelde hij dat hij zich bedreigd voelde. De straat waarin hij woonde was en is niet de meest nette straat van Zwolle. “Een paar jaar geleden is er iemand doodgeschoten. Dat komt sporadisch voor in Zwolle”, geeft een kennis aan.

Kraaijer kwam dus regelmatig op landelijke vergaderingen van AFA, reisde met mensen mee, verscheen bij aanverwante acties en demonstraties, had toegang tot bepaalde adressen, namen en telefoonnummers, was van 1994-1995 t/m 1997-1998 voorlichter van de actiegroep, beheerde de telefoon/fax van AFA, stelde de nieuwsbrief samen en onderhield op die manier contact met zijn collega’s. Wat zegt dit ons over zijn positie als informant? AFA-Zwolle ontsteeg nooit de grootte van ‘groep Kraaijer’.

Een betrokkene uit die tijd verduidelijkt dit. “Hij hield zich nooit bezig met het mobilisatiewerk. Het lijkt me dus sterk dat hij in Leeuwarden en Groningen is geweest om daar te mobiliseren voor de AFA-Zwolle actie tegen Ruitenberg, dat was niet zijn ding. Kraaijer was een totale solist.” Iemand anders vult aan: “Ik plaats sowieso vraagtekens bij zijn positie als informant omdat hij nadrukkelijk van de geweldloze/gematigde lijn was. Daardoor werd hij overal buiten gelaten.”

Paul was aanwezig bij een AFA-demonstratie in Rotterdam/Schiedam: “Het werd in de voorbereiding nadrukkelijk open gelaten hoe de actie zou verlopen zodat iedereen zijn eigen middelen kon kiezen. Dit gebeurde op lokaal niveau. Ik kan me niet voorstellen dat Paul hierbij betrokken is geweest. AFA-Zwolle was niet meer dan Kraaijer zelf.” Een andere AFA-activist afkomstig uit Twente over deze demonstratie in Rotterdam: “Ik weet nog dat bij de allereerste Rotterdam-demo, waarbij veel mensen zijn opgepakt, Kraaijer ook aanwezig was. Hij moest een beetje lachen om hoe we eruit zagen (helmen, e.d.). Alsof hij het allemaal niet echt kon volgen, vroeg hij me op het verzamelpunt: ‘wat ben je van plan joh?’”

Kraaijer had dus wel een bepaalde informatiepositie, maar niet centraal, ook niet bij acties. Dat had niet alleen met zijn solistische karakter te maken of omdat hij buitengesloten werd. Het interesseerde hem eigenlijk ook niet zo. “Hij was juist enorm voorstander van de legale weg, vond dat de overheid moest ingrijpen bij extreem-rechtse demonstraties”, zegt een AFA-activist uit Utrecht. Kraaijer besteedde daar zijn tijd aan, en misschien nog belangrijker, tijdens acties was hij meer met de pers bezig dan met de demonstranten. Dat kwam niet alleen doordat hij perswoordvoerder was van AFA, hij vond zichzelf ook heel belangrijk. Hij zocht bevestiging, iets dat destijds ook bij de FNV Jongeren is opgevallen.

Kraaijer beweert nu echter dat hij informant voor de BVD is geweest. Zijn daar dan geen sporen van? Het enige andere lid van AFA-Zwolle, die Paul ook gekend heeft van de Emmaschool en GroenLinks, herinnert zich nog wel dat ze hem destijds gevraagd heeft hoe het toch kwam dat hij over zoveel namen en informatie aangaande CP’86 beschikte. “Paul heeft op een gegeven moment, ik weet echt niet meer wanneer, gezegd dat hij soms wel informatie aan de politie doorspeelde waar hij geld voor kreeg. In ruil daarvoor kreeg hij van hen ook weer info. Hij heeft nooit de naam van die agent genoemd, wel dat het iemand met een hoge positie was.”

In zijn publicatie van vorig jaar ontkent Kraaijer dit, het contact met de BVD en de latere AIVD zou uit ‘eenrichtingsverkeer’ hebben bestaan. Hij is daar zelfs heel expliciet over: ‘Ik verstrekte informatie, maar andersom werd ik nooit geïnformeerd, ook niet wanneer ik eens een specifieke vraag had.’ Wilde Kraaijer in de jaren ’90 zijn collega van AFA-Zwolle soms imponeren? Zij was de jonge vrouw die veel van Kraaijer’s werkzaamheden bij de Emmaschool en GroenLinks had overgenomen. Zij was ook de vrouw die als verrader werd weggezet na de installatie van Ruitenberg en die daarbij door Kraaijer in de steek werd gelaten. Zij keek tegen Paul op, was in die tijd erg kwetsbaar en Kraaijer had zich over haar ontfermd.

Dat Kraaijer koketteerde met het feit dat hij over bepaalde informatie aangaande CP’86 beschikte was bekend, maar het was ook duidelijk waar die informatie vandaan kwam. “Ik weet dat Kraaijer een goed contact onderhield met ANP-journalist Robert Bas. Ook uit kringen van antiracisme en antifascisme groepen kreeg hij interne informatie over extreem-rechts”, zegt de persoon uit Twente. Kraaijer schrijft zelf in een publicatie uit 1996 dat hij op ‘de 29e januari word gebeld door een van mijn vele bronnen. John deelt mij mede dat morgenavond een belangrijke vergadering zal plaatsvinden in de fractiekamer van de CD in het gebouw van de Tweede Kamer in Den Haag.’

De persoon uit Twente vult het verhaal van Kraaijer in: “Soms gaf hij informatie door die wij niet wisten, bijvoorbeeld over die demo van de CD/CP’86 in Zwolle, de definitieve toestemming. Of het gedoe rondom het huren van een pand in de buurt. Hij kreeg die informatie van een aantal journalisten of via GroenLinks-contacten op het gemeentehuis.” Kraaijer zelf was echter geen voorname bron van informatie. Een demonstratie of een bijeenkomst van extreem-rechts zijn publicitair uit te buiten. Een lijst namen van extreem-rechtse sympathisanten in Zwolle valt moeilijker te verzilveren. “Ik weet dat hij een keer een uitdraai heeft gekregen van Zwolse rechts-extremisten, maar zover ik weet heeft hij daar niet zoveel mee gedaan”, vult de persoon nog aan.

Kraaijer schrijft zelf in 1996: ‘Uiteraard heb ik deze brief dezelfde dag al in bezit: AFA heeft zo zijn bronnen.’ Of Kraaijer zo’n bijzondere informatiepositie heeft gehad, valt te betwijfelen. Ook zal hij eerder uit handen van journalisten informatie of bevestiging van bepaalde feiten hebben gekregen dan van de BVD. Zijn status als zijnde antifascist was in Zwolle groter dan in de rest van het land.

Demonstratierecht deskundige

Kraaijer wil zelf graag herinnerd worden als spion in de extreem-linkse beweging, als een goede ethische verantwoorde journalist, als een betrokken persoon bij Latijns Amerika en als een deskundige op het terrein van het demonstratierecht voor extreem-rechts. In zijn online-publicatie ruimt hij voor dat laatste dan ook een apart hoofdstuk in. Tijdens zijn AFA-periode was reeds bekend dat Paul bezig is geweest met een publicatie over het demonstratierecht, maar die is er nooit gekomen. Het al dan niet afdwingen van een demonstratieverbod voor extreem-rechts was destijds een belangrijk thema binnen AFA. Een deskundige in de persoon van Kraaijer moet hier welhaast een belangrijke rol in hebben gespeeld. Dit door de discussie op de voet te volgen en als gesprekspartner voor politiek, overheid en journalisten te fungeren.

Nu Kraaijer echter uit de kast is gekomen als zijnde ‘spion’ blijkt zijn deskundigheid achteraf discutabel. Was hij wel de demonstratierecht-deskundige zoals hij in zijn publicaties over AFA beweert, of heeft hij dit destijds geacteerd als ‘agent Kraaijer’? In zijn online-publicatie maakt hij graag een uitzondering: plots is er geen sprake meer van een dubbelleven voor de deskundige/informant Kraaijer, maar is hij wel degelijk expert op het terrein van het demonstratierecht. Zijn de activiteiten van Kraaijer voor AFA-Zwolle/landelijk en zijn deskundigheid op het terrein van demonstratierecht van elkaar te scheiden?

De start van Kraaijer’s AFA-Zwolle mag dan enigszins problematisch zijn geweest door het incident bij de Emmaschool in april 1994, daarna steeg zijn ster. Bij acties en demonstraties kwam hij echter niet regelmatig opdagen. Hij opereerde vooral in Overijssel, buiten deze regio kwam hij niet zo vaak. Hij was aanwezig bij een demonstratie tegen een CP’86 bijeenkomst in Lisse, bij de demonstratie tegen extreem-rechts in Rotterdam op 25 februari 1995, 4 maart 1995 in Utrecht en enkele andere manifestaties.

Kraaijer viel op door zijn afwijkende verschijning: een wat oudere man, een grote bril, kalend, in niet al te modieuze kleding tussen jongeren in het zwart, met ruige haardossen, kisten en soms bivakmutsen. ‘De groep van 150 linkse demonstranten werd door agenten en Mobiele Eenheid met honden aangehouden op perron drie van het Rotterdams Centraal Station’, meldt de NRC van 27 februari 1995. Kraaijer beschrijft in ‘Een antifa vertelt’ (1996) zijn ervaringen van die dag. ‘Op 25 februari bracht de ME de trein tot stilstand waarin ik met vele antifa’s op weg was naar een verboden demonstratie van de NVP/CP’86. Wij wilden een tegendemonstratie organiseren. Op het station moest iedere ‘niet gewone’ passagier de trein verlaten, waarna bijna iedere anti-fascist op het perron door de politie werd gearresteerd en afgevoerd. Ik ontkwam aan arrestatie, omdat de politie mij niet ‘herkende’ als een anti-fascist! Terwijl links en rechts om mij heen bekenden werden gearresteerd, waaronder Cees, kon ik ongemoeid tussen een aantal hagen ME’ers met gevaarlijk uitziende honden doorlopen. Evenals de ME’ers hadden ook de schuimbekkende honden geen oog voor mij. Het was een vreemde ervaring.’

Een week later, 4 maart 1995, werd Kraaijer wél gearresteerd. Anno 2011 schrijft hij daarover: ‘Ik had aan de arrestatie kunnen ontkomen, maar heb mij bewust laten oppakken, ik speelde immers een rol. Een vreemde gewaarwording ook, immers, ik stond aan hun kant, aan de kant van de politie, aan de kant van de overheid, maar dat wist en mocht niemand weten.’ Aan het eind van het hoofdstuk onderstreept Kraaijer nog eens zijn spionnen status: ‘En het was inderdaad zo, dat ik me op die 4e maart van 1995 bewust heb laten oppakken, niet alleen om eens te zien of en hoe politie en Justitie hun werk deden, maar vooral om geloofwaardig te zijn en te blijven en om mijn rol voor de BVD goed neer te kunnen zetten.’

Kon Kraaijer echter ook aan de demonstratie ontkomen? De NRC van 7 maart 1995 meldt dat ‘de arrestanten werden opgepakt ook al deden ze niet mee aan de demonstratie.’ De krant had een dag eerder al een groot stuk geschreven onder de kop ‘Politie op glad ijs met oppakken op grond van uiterlijk’. De politie pakte gewoon iedereen op die zich op het Janskerkhof bevond, ook Kraaijer dus. Zowel in 2011 als in 1996 schrijft Paul dat hij ‘een aantal dagen later, in Utrecht, niet een tweede keer aan arrestatie wilde ontkomen vanwege het feit dat de politie mij kennelijk niet ziet als een actievoerder. Uiterlijkheden zeggen echter niets over de politieke motieven en gedachten van een persoon.’

Hier eindigt de passage die Kraaijer in 2011 aanhaalt uit zijn publicatie ‘Een antifa vertelt’. De tekst in het boek loopt echter door en levert een heel andere reden op voor zijn wens om te worden gearresteerd: ‘Mogelijk ben ik militanter dan menig militant uitziende linkse, radicale autonome kraker. Door me te laten arresteren in Utrecht wilde ik ook op mijn manier de confrontatie met politie en Justitie aangaan. Ik beschik over enige justitiële kennis, opgedaan in de jaren die ik werkzaam was op de strafgriffie van de Zwolse arrondissementsrechtbank.’

De NRC quote anti-fascisten op 7 maart 1995: ‘De antifascisten spraken van Chileense toestanden.’ Kraaijer stuurde vervolgens een boze ingezonden brief naar een aantal dagbladen met als titel ‘Zonder tegen-acties mag extreem-rechts van de overheid vrij marcheren’ aan een aantal kranten. ‘Wat er op 25 februari en 4 maart jongstleden is voorgevallen in respectievelijk Rotterdam en Utrecht is ongehoord. […] In het stadion werd mij duidelijk dat zeer vele mensen waren gearresteerd die absoluut niets met de ‘demonstratie te maken hadden […] Zelfs een verslaggever van het Algemeen Dagblad.’

Kraaijer doet het in 2011 voor komen dat het allemaal ‘all in the game’ was. Het hoorde bij ‘mijn rol als antifascist.’ Hij gaat zelfs een stap verder. Hij speelde zijn rol als James Bond zo goed dat hij de arrestatie ‘notabene zelf had uitgelokt’. In Utrecht werd echter iedereen gearresteerd, zonder aanziens des persoons. Kraaijer kon er in Rotterdam tussenuit glippen omdat hij er volgens een journalist van de Zwolse Courant er uitzag als een postzegelverzamelaar. In Utrecht was er geen ontkomen aan. De politie sloot de demonstratie in en voerde iedereen af, inclusief toevallige voorbijgangers.

Naast zijn opwinding over de wijze waarop demonstranten behandeld werden, lijkt Kraaijer ook nog trots te zijn op de demonstraties van AFA. In ‘Een antifa vertelt’ schrijft hij: ‘Desondanks kan nu gezegd worden dat deze werkwijze van AFA een zeer positief effect heeft behaald en een niet te onderschatten bijdrage heeft geleverd aan de ontstane maatschappelijke en politieke discussie over het wel of niet van tevoren verbieden van demonstraties van extreem-rechts!’ Het kan onderdeel van de ‘game’ zijn geweest, maar Kraaijer bestempelde de rol van AFA in de discussie over extreem-rechts en demonstratierecht als essentieel. Zonder AFA geen discussie en geen ‘deskundige’ Kraaijer.

In december 1996 schrijft hij: ‘Zonder de vele door AFA aangekondigde tegendemonstraties was de na 24 februari ontstane maatschappelijke en politieke discussie niet ontstaan. Immers, ik ben ervan overtuigd dat zonder de aankondigingen van tegendemonstraties extreemrechts overal legaal had kunnen demonstreren, omdat er geen sprake zou zijn geweest van een ‘dreiging van verstoring van de openbare orde.’ Zonder AFA geen discussie over extreem-rechts en voor Kraaijer geen carrière als ‘de deskundige’, want volgens hem staan ‘andere deskundigen’ niet stil bij de rol van AFA.

Kraaijer was in die periode regelmatig bij demonstraties van extreem-rechts aanwezig, maar ook in de 21ste eeuw. “Twee jaar geleden zijn wij hem nog een keer tegengekomen bij een antifa actie in Den Bosch. Hij was toen heel snel weg en wilde duidelijk niet met ons praten. Ik heb hem toen nog wel gegroet”, zegt een activiste die Kraaijer nog van begin jaren ’90 kent. Het betrof hier een demonstratie van de NVU op 23 mei 2009. Voorafgaande een eerdere NVU-demonstratie, 21 februari 2009 in Amersfoort, sprak hij met een bekende uit Koerdische kringen af de stationsrestauratie van Amersfoort. “Hij was actief in kringen van dierenrechten activisten en vertelde dat hij net in België was geweest.” Het gesprek duurde een klein uur, waarna Kraaijer plots zei dat hij de stad in ging en weg was hij. Ook bij een demonstratie van de NVU op 30 augustus 2008 in Zwolle bleek Kraaijer aanwezig, alsmede in Bergen op Zoom op 1 maart 2008.

Na een NVU-demonstratie van 17 mei 2003 in Apeldoorn schreef Kraaijer een kritisch artikel voor actieblad Ravage over het functioneren van AFA. Op 16 mei 2002 in Harderwijk, waar AFA geen tegendemonstratie hield, stond hij als een van de weinige mensen langs de kant van de weg om de NVU demonstratie te aanschouwen. Toch was het straatgebeuren bepaald niet zijn passie. Zoals hij in een interview op 13 juli 1991 door liet schemeren, stond hij bij voorkeur achteraan bij acties en schreef liever persberichten en vlugschriften.

Het eerste nummer van het blad antifascistische blad Alert (november 1997) bevatte een artikel van zijn hand over demonstratierecht en extreem-rechts. Kraaijer schrijft in zijn online-publicatie dat hij ‘enkele maanden voor zijn vertrek bij de AFA nog een lang artikel schreef over demonstratierecht voor extreem-rechts. Het artikel geeft goed weer hoe intensief ik mij tijdens mijn AFA-jaren met dit onderwerp heb beziggehouden en hoe de sfeer in die jaren was.’ Op pagina 19 van zijn publicatie omschrijft hij zich zelfs als ‘deskundige op het gebied van demonstratierecht voor extreem-rechts.’ Hij beweert dat hij ook ‘in die hoedanigheid’ aanwezig was ‘bij de Vaste Kamer Commissie van Binnenlandse Zaken toen gesproken werd over extreem-rechts.’

Hoewel het bezoek aan vergaderingen en demonstraties onderdeel uitmaakte van zijn rol als informant, beweert hij nu dat hij het Alert-artikel op ‘eigen initiatief’ heeft geschreven, ‘vanwege een ontstane persoonlijke interesse voor dit onderwerp.’ De BVD had hem daarbij niet geholpen en het was ook niet ‘op verzoek van’ van de geheime dienst.

Kraaijer raakt verstrikt in zijn eigen versie van ‘all in the game.’ De arrestatie in Utrecht maakte onderdeel uit van deze act. Helaas kreeg hij daarvoor ‘van de BVD geen extra vergoeding of iets dergelijks.’ Het was de perfecte act, ook de deelname aan de demonstraties en blokkades. Het hoorde erbij. Maar niet zijn schrijfsel over het demonstratierecht. Nee hij was deskundige, betrad de Tweede Kamer, was erbij toen het onderwerp door de politiek besproken werd. Plots wil hij nu niet dat de credits voor al dat noeste werk en onderzoek naar demonstratierecht hem ontnomen wordt. Nee, dat artikel was van zijn hand, niet van de onzichtbare BVD, die hem naar Utrecht, Rotterdam, Apeldoorn, Den Bosch, Bergen op Zoom en waar dan ook toe stuurde.

Kraaijer en geweld: Demonstreren in Zwolle

Twee jaar na het debâcle rond de Emmaschool van 12 april 1994, toen Kraaijer het vooral met activisten uit het noorden van Nederland aan de stok kreeg, kreeg hij zijn revanche. CD en CP’86 wilden op 24 februari 1996 demonstreren in Zwolle en kregen daarvoor toestemming van burgemeester Franssen. AFA-Zwolle besloot om een tegendemonstratie te organiseren die eveneens toegestaan werd. Het besluit van Franssen deed veel stof opwaaien. Kraaijer mengde zich in het debat en ging in gesprek met de burgemeester. Hier presenteerde Kraaijer zich als de ‘democraat’ die zich verre wilde houden van geweld en het verbod op een gekozen politieke partij.

Paul schreef najaar 1996 in ‘Een antifa vertelt’ dat hij op 30 januari 1996 een ‘brief faxt aan de burgemeester van Avereest met het verzoek de aangekondigde folderactie van de CD (op 5 februari 1996) te verbieden.’ Kraaijer had op dat moment de folder nog niet in handen en kon niet weten niet wat de strekking ervan was, toch wilde hij dat deze verboden werd. Hetzelfde gebeurde bij de demonstratie van CD en CP’86 in Zwolle. In hetzelfde boek schrijft hij: ‘Een demonstratie van extreem-rechts is, volgens mij, op zich al een verstoring van de openbare orde wat reden zou moeten zijn over te gaan tot een verbod.’ Hij schrijft nog wel dat hij een ‘brede maatschappelijke discussie’ op gang wil brengen, maar de uitkomst is duidelijk. Geen demonstratierecht voor extreem-rechts.

Op pagina zes schrijft hij: ‘Vanwege het feit dat de naam en de locatie van de bewuste zaal (nog) niet bekend zijn, stuur ik de burgemeesters van die gemeenten die liggen binnen een straal van vijfentwintig kilometer van Dedemsvaart op 10 januari een fax. In die fax waarschuwen AFA-Zwolle en -Twente de burgemeesters, dat de CD mogelijk binnen een van hun gemeenten een vergadering wil beleggen op de 24e februari. Tevens verzoekt AFA de burgemeesters om over te gaan tot een verbod van de CD-bijeenkomst indien deze daadwerkelijk zal plaatsvinden in zijn of haar gemeente.’ Niets discussie, verbieden! Toen hij namens AFA-Zwolle bij de burgemeester op 16 februari 1996 een afspraak had om te praten over de demonstratie van CD en CP’86, snakte hij naar adem nadat Franssen had gezegd dat hij extreem-rechts zou laten demonstreren. ‘Franssen valt met de deur in huis: de CD en NVP/CP’86 mogen demonstreren! Ik sla even dicht. […] Hoe is dit mogelijk?! […] In mijn lichaam gaat een zwoel briesje over in een kille zware orkaan.’

Volgens enkele actievoerders die in de jaren ’90 samen met Kraaijer deel uitmaakten van AFA, was Paul vooral voorstander van de legale en geweldloze weg. De overheid moest de demonstraties verbieden, iets dat met een parlementaire discussie kon worden bereikt. Kraaijer’s mening verschilde niet bijster veel van AFA die gewoon een verbod eiste. Hij was echter meer op de hand van de actiegroep dan velen toentertijd dachten. Een AFA-sympathisant uit het oosten van het land herinnert zich de positie van Kraaijer rond geweld nog duidelijk. “Paul vond dat je uit zelfverdediging wel mocht terugslaan, maar hij keurde bijvoorbeeld het aanvallende geweld af”, vertelt hij. “Eigenlijk zoals altijd in de beginselverklaring van AFA heeft gestaan. Paul deelde die mening.”

Onder de kop ‘AFA doet weinig aan verbreden doelgroep’ meldt het lokale GroenLinks tijdschrift Tijdnood dat ‘Paul Kraaijer GroenLinks een hypocriete houding verwijt: aan de ene kant willen we graag dat er actief tegen extreem-rechts wordt opgetreden, anderzijds is er veel kritiek op de AFA die geweld soms niet schuwt.’ De schrijfster doelt met dat geweld vooral op ‘jongeren met bivakmutsen’, maar ook op Kraaijer zelf. Voor de demonstratie van 24 februari 1996 werd Paul geïnterviewd door de Zwolse Courant. Daarin zegt hij “een geweldloos mens” te zijn. Of toch niet echt. “In principe dan. Maar er zijn momenten dat ik denk, was ik maar radicaal. Dan had ik bepaalde mensen allang iets aangedaan.”

Het paginagrote interview belicht Paul’s actieverleden, extreem-rechts en geweld. “Wij zijn nooit uit op geweld. Er is niemand van de AFA die aankondigt een zaak plat te branden. We denken gewoon dat het uit extreem-rechtse hoek kan komen”, zegt hij als hem wordt gevraagd wie het dreigtelefoontje naar een zaaleigenaar in Dedemsvaart heeft gepleegd. Kraaijer gaat zelfs nog een stap verder: “Geweld gaat nooit van ons uit”, zegt hij. “Maar als de tegenstanders beginnen, door ons zoals in Lisse met asbakken te bekogelen, dan mag je terugslaan.”

Nu kan dit onderdeel uitmaken van zijn act als informant. Het kan strategie zijn door aan de vooravond van een demonstratie aan te geven dat als er geweld plaatsvindt, dit is uitgelokt. Maar waarom zegt Kraaijer dan dat hij “bepaalde mensen allang iets had aangedaan” en dat hij “het liefst bij iemand een steen door de ruit wil gooien”? Als Kraaijer informant is geweest, heeft hij zich bepaald niet als een klassieke provocateur gedragen. Hij heeft wel de aanzet, de gelegenheid, de handreiking verleend, met de woorden “geweld gaat niet van ons uit” en “terugslaan mag.” In zijn latere periode bij de dierenrechten activisten lijkt hij een stap verder te gaan.

Bedreigingen: Kraaijer naar GroenLinks landelijk

Kraaijer is er nooit op betrapt een steen te hebben gegooid. Wel beweert Paul dat hij in de periode dat hij AFA-woordvoerder was regelmatig werd bedreigd. ‘Drukke jaren, spanningen, zeer veel bedreigingen en intimidaties’, schrijft hij in de online-publicatie. Ook al was hij BVD-agent, de politie lijkt hem in deze nooit serieus te hebben genomen. ‘Consequent deed ik telkenmale aangifte bij de Zwolse politie, maar een dader is nooit gevonden. Ik heb ook niet het gevoel gehad dat ooit serieus onderzoek werd verricht door de politie.’ Hij stond bekend als ‘oproerkraaijer’ en leek de aan zijn adres geuite dreigementen ook politiek te willen uitbuiten tegen extreem-rechts. In de tijd van de intimidaties bewoonde Kraaijer een flat in de Pieter Steijnstraat. De woning bevond zich niet op de begane grond noch in het trappenhuis.

Kraaijer beweert echter dat het sleutelgat van zijn voordeur werd dicht gelijmd, dat er stroop in zijn brievenbus was gegoten, hij een doodsbrief had ontvangen, anonieme intimiderende telefoontjes kreeg en dat er bij hem in zijn flatportaal brand was gesticht. Kraaijer vermeldt erbij dat hij de dreigementen relativeerde. In zijn online-publicatie beschrijft hij de dreigementen, maar op de volgende pagina lijkt hij meer angst te hebben voor ‘zoveel radicale antifascisten, gekleed in het zwart, ‘kisten’ dragend, bivakmutsen, shawls en zelfs zwarte integraal helmen’. Kraaijer meldt dat AFA voor hem ‘angstig, zeer bedreigend en intimiderend’ was. Niet extreem-rechts was bedreigend, maar AFA. Is dit ook de indruk van mensen uit zijn omgeving?

Het eerste wat een goede bekende uit Zwolle over Paul zegt, is dat het hem bevreemdt dat Kraaijer zich een specifieke bedreiging niet meer herinnert, en wel in 1989 met een mes. “Het was op een afscheidsavond van een bouwbrigade, ik was daar aanwezig met een infokraampje van de Wereldwinkel. Iemand wilde een fles Nicaraguaanse rum meenemen zonder te betalen, wat ik niet goed vond. Daarop werd ik bedreigd met een mes. Paul kwam mij te hulp maar werd vervolgens ook bedreigd. De politie heeft die persoon aangehouden. Voorafgaande aan die avond waren ook al twee meiden door deze persoon bedreigd. We hebben met zijn vieren aangifte gedaan en een confrontatie gehad.”

Deze bedreiging heeft diepe indruk achtergelaten op de kennis en op Kraaijer. De man die met het mes zwaaide was dan wel geen lid van extreem-rechts en Kraaijer nog niet actief voor AFA, maar een dergelijke gebeurtenis in je ‘politieke carrière’ vergeet iemand niet snel. Kraaijer beweert dat hij niet bang is geweest voor extreem-rechts. Hij lijkt zelfs de dreigementen aan zijn adres in het licht te zien van zijn rol als informant. Het deed zijn ster stijgen. ‘Op zonnige dagen wilden zelden kennissen, vriendinnen of vrienden met mij op een terrasje zitten om een bakje koffie of een pilsje te drinken. Te bang om met mij in verband te kunnen worden gebracht en dan ook door rechts-extremisten te worden aangezien voor ‘activist’/’antifascist’ (augustus 2011).’

In ‘Een antifa vertelt’ uit de herfst van 1996 schrijft hij iets vergelijkbaars: ‘Een goede vriendin van me, die een keer met mij door de stad fietste zei op het moment dat onze wegen moesten scheiden: ‘Ik ben blij dat ik hier af moet slaan, want dan ziet men mij niet langer samen met jou fietsen!” Toch is de toon van zijn betoog daar anders. Niet Kraaijer, de informant, die nergens voor terugdeinst staat centraal, maar de man die sociaal is en mensen om zich heen heeft die zich zorgen om hem maken. ‘Gelukkig is het niet zo dat goede vrienden en vriendinnen amper meer met mij durven om te gaan. Integendeel. Ik heb veel kennissen bij wie ik over de vloer kom en andersom.’ Blijkbaar gingen de dreigementen hem toch niet in de koude kleren zitten.

Die indruk hebben andere actievoerders ook. De vrouw die met Kraaijer meereisde naar AFA-vergaderingen herinnert zich de brand in zijn trapportaal nog heel goed. “Paul was ervan geschrokken. Hij zei meteen dat het nazi’s waren die de brand hadden gesticht. Vervolgens ging hij eerste klas reizen. Ik snapte niet echt waarom dat veiliger zou zijn.” Een andere AFA activist herinnert zich dat Kraaijer op een dag zijn antwoordapparaat voor hem liet afspelen. “De stem die ik me meende te herinneren zou van Ronaldus van Doorn uit Zeist zijn geweest. Ik weet niet meer de exacte tekst op het bandje, maar ik weet nog wel dat Van Doorn op het einde lachte.” Kraaijer was zichtbaar geschrokken. Hij vertelde een kennis in Zwolle dat hij een geheim nummer had aangevraagd en regelmatig een ander telefoonnummer nam.

Kraaijer was niet onbewogen over de bedreigingen en intimidaties. In 1996 maakte hij zich boos over een commentaar van voormalig minister van Buitenlandse Zaken die in die tijd verbonden was aan het Crisis Onderzoeks Team (COT). Op 2 april van dat jaar is Rosenthal in Trouw van oordeel dat “extreem-links gewelddadiger is dan extreem-rechts en dat anti-fascisten in Leerdam de democratie ‘per definitie’ geen dienst hebben bewezen.” (‘Een antifa vertelt’). Als reactie schrijft Kraaijer dat hij ‘intimidatiepraktijken als geestelijk en psychologisch geweld’ beschouwt.

Zonder de dreigementen aan het adres van Kraaijer te willen bagatelliseren, moet wel opgemerkt worden dat hij niet in de veiligste wijk van Zwolle woonde. De Pieter Steijnstraat ligt in de wijk Dieze Oost van Zwolle. Enkele jaren geleden is daar nog iemand doodgeschoten. Dit kenmerkt nog niet de wijk, maar geeft een indicatie van de spanning waarvan soms sprake is. De brief met de doodsbedreiging en het dreigtelefoontje hebben anderen gezien of gehoord. Voor de stroop in zijn brievenbus, de kit in zijn sleutelgat en de brandstichting in het portaal zijn geen getuigen.

Kraaijer werd voor zijn woning gefotografeerd en afgedrukt in een blad van extreem-rechts, de IJsselpost. Volgens leden van CP’86 werd Kraaijer niet op de foto gezet bij zijn voordeur, iets dat wel is gebeurd bij twee vrouwen in Zwolle. De extreem-rechtse actievoerders belden bij deze vrouwen aan en toen zij de deur opendeden werden er foto’s van hen gemaakt. Voor de vrouwen was de actie van de CP’86 sympathisanten erg intimiderend. De dreigementen aan Paul’s adres brachten hem wel in gezelschap van collega’s van GroenLinks die ook door extreem-rechts werden bedreigd.

Naast de poging van de CP om het congres van GroenLinks in Zutphen op 25 november 1995 te verhinderen, was er sprake van talrijke intimidaties richting wethouders, gemeenteraadsleden en andere GroenLinks-leden. De Volkskrant kopte op 7 maart 1996 ‘Ultra-rechts bedreigt GroenLinksers’. In het artikel wordt de demonstratie in Zwolle aangehaald en een aanslag op een raadslid in Spijkenisse genoemd. ‘Tijdens de demonstratie in Zwolle (24 februari 1996) was er opnieuw een golf van bedreigingen. In Spijkenisse werden bommen aangetroffen onder de auto van een raadslid van GroenLinks.’

Ook Kraaijer wordt genoemd in de media. ‘Paul Kraaijer, medewerker van de fractie van GroenLinks in Zwolle en woordvoerder van de Antifascistische Actie (AFA), is geregeld slachtoffer geweest van CP’86. Dreigtelefoontjes, een brandende doos papier in zijn portiek en publicatie van zijn foto in het partijblad van CP’86 werden zijn deel’, schrijft Het Parool (06-03-1996). Toenmalig voorzitter van GroenLinks, Ab Harrewijn, wenst volgens de Volkskrant ‘een beetje onderkoeld’ te reageren. Hij wil extreem-rechts geen publiciteit leveren.

Het artikel in de Volkskrant werd geschreven naar aanleiding van een interview met het Tweede Kamerlid Tara Singh Varma in het magazine van de partij. In dat interview gaf zij aan regelmatig bedreigd te worden. Harrewijn zegt dat “alle bedreigingen worden gemeld bij de politie.” Hij en toenmalig partijleider Rosenmöller zijn ervan “overtuigd dat de meldingen uiterst serieus worden genomen.” Kraaijer ergert zich aan de ‘terughoudende opstelling van het bestuur van GroenLinks’, meldt Het Parool. ‘Volgens hem kan informatie over dergelijke incidenten ertoe bijdragen dat CP’86 wordt verboden.’

Het interview met Tara Singh Varma in het GroenLinks Magazine zorgde er wel voor dat extreem-rechts op de agenda van het dagelijks bestuur (DB) van de partij van 27 februari 1996 komt te staan. ‘Door de CP’86 is bij de politie een klacht ingediend tegen Paul Kraaijer uit Zwolle (lid van GroenLinks en Anti Fascistische Aktie (AFA), die ook al enkele malen bedreigd is. AFA heeft om een gesprek gevraagd’, vermelden de notulen. Binnen het dagelijks bestuur was overeenstemming over de wijze waarop GroenLinks diende te reageren: negeren.

Zwollenaar Paul Kraaijer kreeg geen steun bij het landelijke bestuur. Met name voorzitter Harrewijn leek de touwtjes strak in handen te hebben. Uit de notulen van de vergadering van 12 maart 1996, punt 8: ‘Opstelling tegenover bedreigingen van extreem-rechts. De affaire moet tot z’n juiste proporties worden teruggebracht; ten aanzien van de publiciteit past een terughoudende opstelling. Onderzocht wordt of juridische stappen gezet kunnen worden ter bescherming van de leden van GroenLinks. Woordvoerderschap ligt bij Ab Harrewijn en de penningmeester’. Het partijbestuur nam de regie in handen.

De volgende dag vond het gesprek tussen GroenLinks en AFA plaats. Paul Kraaijer was daarbij als woordvoerder van AFA aanwezig, maar tevens als lid van GroenLinks Zwolle. Anderen die bedreigd waren, werden niet uitgenodigd. Tijdens het gesprek kwam een interview met Kraaijer in het GroenLinks Magazine (GLM) van maart 1996 ter sprake. Het bestuur stelde dat ‘het GLM deze beleidslijn heeft doorbroken’, de strategie van GroenLinks zogezegd om niet teveel publiciteit te trekken. Het interview had volgens het bestuur veel aandacht getrokken. Kraaijer noemt in het artikel allerlei bedreigingen aan zijn adres. Hij zegt zich erg opgewonden te hebben over het bericht in het vorige nummer van GLM, waarin het bestuur te kennen gaf geen ruchtbaarheid te willen geven aan de intimidaties door extreem-rechts.

Zowel de redactie van GLM als Kraaijer werden er door het partijbestuur op aangesproken. Paul was per slot van rekening naast AFA-woordvoerder ook medewerker van de fractie van GroenLinks in Zwolle. Uit het bewuste interview valt op te maken dat Kraaijer als lid van GroenLinks een escalatie-strategie heeft willen forceren. Hij pleit voor een harde aanpak van CP’86, “waardoor het kan komen tot een verbod van die partij.” Hij vindt eigenlijk dat AFA de kastanjes voor GroenLinks uit het vuur haalt. “Ook GroenLinks vind ik daarin hypocriet. Men mag zich in de handen knijpen dat wij onze nek uitsteken.”

‘Wij’, plotseling is Kraaijer AFA en distantieert hij zich van GroenLinks. En Kraaijer ging nog een stap verder: “Ik kan mij voorstellen dat mensen van AFA iets bij zich steken om zich te verweren.” GroenLinks leden uit Zwolle bevestigen het beeld van een man die verbaal flink van leer trok. “Het hoorde bij de verbale gevechten. Het was duidelijk dat Kraaijer ruzie had met extreem-rechts of ruzie zocht. Soms ging het hard tegen hard.”

Op 19 maart 1996 werd er binnen GroenLinks een werkgroep samengesteld om de extreem-rechtse ontwikkelingen te volgen, de landelijke GroenLinks commissie over ER, extreem-rechts. Ook daar nam Kraaijer deel aan, wederom als GroenLinks lid en als AFA afgevaardigde. In mei 1996 stond ‘het aanhoudend lastig vallen van Tara op de agenda van het DB.’ Daarover was contact met het Openbaar Ministerie. Op DB van 28 mei deed twee leden van het bestuur verslag van een gesprek met twee juristen. Deze stelden voor om contact te leggen met de BVD en de PVDA. Ze schoven aan bij de werkgroep. Op 5 juni 1996 meldde de Zwolse Courant onder de kop ‘BVD schiet Zwollenaar te hulp’ dat Harrewijn de hulp had ingeroepen van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD).

In dezelfde week probeerde de voorzitter een publicatie van journalist Hans Krikke over de bedreigingen van Tweede Kamerlid Tara Singh Varma tegen te houden. ‘Blijkt een dag later te zijn mislukt’, vermelden de notulen van 11 juni 1996 bij punt 3. Het bestuur leek de regie langzaam kwijt te raken. Uit dezelfde notulen valt op te maken dat een lid van het dagelijks bestuur contact heeft opgenomen met ‘het GL-Magazine omdat extreem-rechts weer aandacht heeft gekregen in het blad.’ De week daarop werd in het dagelijks bestuur gemeld dat voorzitter Ab Harrewijn contact heeft gehad met het ministerie van Binnenlandse Zaken en de BVD. Wat er besproken was, werd door de voorzitter niet gedeeld met de rest van het bestuur. Het ministerie adviseerde GroenLinks wel ‘de zaken in proportie te blijven zien.’ Kraaijer kwam opnieuw aan de orde in de vergadering. ‘Paul Kraaijer wordt aangesproken op de van hem geciteerde uitspraken in Contrast.’ Het ministerie steunde de strategie van GroenLinks, niet die van AFA.

Door de dreigementen rees Kraaijer’s ster binnen GroenLinks. Hij leek de antifascist nummer één te worden binnen de partij. Kraaijer schrijft in 2011 dat ‘GroenLinks Zwolle of landelijk nooit zijn werkveld voor de inlichtingendiensten is geweest.’ Wel is hij ‘enige tijd actief geweest voor deze partij.’ Hij probeert te onderstrepen dat GroenLinks niet een doelwit was. ‘Die interesse was er niet en ik ben ook nooit gevraagd om bepaalde informatie te vergaren.’ Toch gebruikte hij de gemeenteraadsfractie van GroenLinks vanuit een belangrijke positie als een vehikel voor zijn eigen hobby’s: krakers van de Emmaschool, AFA en het Turks Koerdisch conflict. Deze hobby’s vielen ook nog eens samen met zijn werk als informant voor de BVD. Diezelfde hobby’s, met name AFA en het Turks Koerdisch conflict, brachten hem in werkgroepen op landelijk niveau van zijn partij.

Zowel op lokaal niveau als op landelijk niveau gedroeg Kraaijer zich als een ‘oproerkraaijer’. Dit valt misschien binnen een partij als GroenLinks niet zo op. De partij kent een cultuur van tegendraadse meningen, in de jaren ’90 sterker dan nu. Geeft het echter pas het dagelijks bestuur van de partij tegen de haren in strijken met radicale uitspraken met betrekking tot de bedreigingen van extreem-rechts? De dreigementen waren niet enkel aan het adres van Kraaijer, maar ook tegen diverse andere leden die er meer onder te lijden hadden.

Kraaijer was tevens, naar eigen zeggen, informant van de BVD. De partij had in samenspraak met het ministerie van Binnenlandse Zaken, de baas van de BVD, zich uitgesproken voor een de-escalatie strategie omdat zij dachten dat dit beter was om de vele bedreigingen aan het adres van GroenLinks leden te stoppen. Het dagelijks bestuur van GroenLinks had als houding geen olie op het vuur te willen gooien om nieuwe extreem-rechtse dreigementen en aanslagen te voorkomen. Het opereren van Kraaijer op landelijk niveau ging overduidelijk tegen de afgesproken modus in.

Kraaijer beweert dat AFA-Zwolle op 17 november 1993 werd opgezet. Die datum viel samen met een mailing aan allerlei GroenLinks fracties in het land. In de loop der jaren gebruikte Kraaijer zijn positie als fractiesecretaris en zijn lidmaatschap van de steunfractie van GroenLinks om op gemeentelijk niveau AFA-Zwolle verder te helpen. Met de bedreigingen kwam hij zelfs als GroenLinks-lid en als AFA woordvoerder op landelijk niveau in een werkgroep van GroenLinks terecht. GroenLinks en zijn AFA activiteiten waren volledig verweven. Binnen AFA werd hij door sommige activisten gezien als een GroenLinks lid die het AFA standpunt nooit kon verkopen.

Zijn werkzaamheden voor GroenLinks en AFA waren totaal verweven met elkaar. Daarbij komt dat de inlichtingendienst in het verleden regelmatig heeft laten zien dat zij het bespioneren van democratisch gekozen partijen als een onderdeel van haar werkveld beschouwt, denk aan CPN, PSP en PvdA. GroenLinks zal daar geen uitzondering op vormen. De partij werd ook door de lokale politie met argusogen bekeken. De betrokkenheid bij de Koerdische kwestie zal een extra reden zijn geweest voor Kraaijer om interne informatie in te winnen over GroenLinks.

Exit GroenLinks: Bolu en Kraaijer

Kraaijer was al eerder regelmatig met zijn eigen GroenLinks fractie in Zwolle in conflict gekomen. Zoals voorafgaande aan de demonstraties van CP’86 en AFA van 24 februari 1996. Op de dag dat Kraaijer van burgemeester Franssen vernam dat zowel extreem-rechts als zijn AFA-Zwolle mochten demonstreren in de stad, vergaderde het fractiebureau van GroenLinks. Zij hadden informatie ingewonnen dat ‘Franssen akkoord gaat (met de aanvraag van de CP/CD demonstratie), maar hij wil de tegendemonstratie verbieden. Paul praat hier met Franssen over. Vandaag zal Franssen een persverklaring afgeven’ (notulen 16 februari 1996).

De fractievergadering vond ‘s avonds plaats, terwijl Kraaijer ‘s ochtends het standpunt van Franssen vernam. Voorafgaande aan die bewuste vrijdag was het nog niet duidelijk wat de gemeente zou beslissen. Na het besluit van Franssen stuurden PvdA-fractielid Yildirim en de fractievoorzitter van GroenLinks een brief aan Franssen ter ondersteuning van zijn besluit. Binnen de fractie was daar overigens nog discussie over.

Tijdens een ledenvergadering later in het jaar (14-08-1996) wordt geconcludeerd: ‘Een ander politiek gevoelig onderwerp was het verbieden van de demonstratie van CP’86. Er is toen een brief van Yildirim en de fractievoorzitter de deur uitgegaan, die in de fractie was afgekeurd.’ Kraaijer was daar boos over. Hij was voorstander van het verbieden van de CD-CP’86 demonstratie en kreeg uiteindelijk zijn zin: GroenLinks veranderde van standpunt, maar de verklaring was al uitgegaan.

Kraaijer zei eerder op een bestuursvergadering van 26 juni 1996 dat ‘hetzelfde gebeurde toen de fractievoorzitter dit voorjaar samen met Yildirim (PvdA) een brief schreef naar Franssen dat de demonstratie van extreem-rechts van GroenLinks door mocht gaan en de voorzitter daarna 180 graden draaide.’ GroenLinks deed op 20 februari 1996 namelijk een nieuwe brief uitgaan met de mededeling dat de raadsfractie verbaasd en teleurgesteld was wegens het feit dat extreem-rechts de straat op mocht gaan van de burgemeester.

Het conflict binnen GroenLinks Zwolle leek vooral te gaan tussen de fractievoorzitter en Kraaijer, maar met meer mensen in de partij boterde het niet. Voor het ledenblad Tijdnood (maart 1995) van de partij schreef Kraaijer het artikel ‘GroenLinks: meer groene als rode pepers’. “Een geluid van een GroenLinks RWW’er die hier enig GroenLinkse hypocrisie en maatschappelijke gelatenheid aan de kaak wil stellen’, zo begint Paul. Vervolgens meldt hij geregeld Coca Cola te drinken, graag auto te rijden, dat hij geen ‘eko-rommel’ wenst en dat hij zo min mogelijk afval scheidt. Hij eindigt met: ‘Waar blijven de zogenaamde GroenLinksers als het gaat om antifascisme en antiracisme activiteiten in onze metropool of wordt men belemmerd, omdat daar geen eko-groen-stempeltje op gedrukt kan worden?’

De redactie besloot het provocerende artikel aan te passen. Kraaijer was woest. Op 23 maart 1995 plaatste Tijdnood een boze brief van hem met als titel ‘censuur’: ‘Hetgeen de redactie met het artikel heeft gedaan komt neer op censuur, verkrachting van regels en ik til hier zeer zwaar aan!!’, schrijft hij. Hij eist dat het ledenmagazine in het volgende nummer haar excuses aanbiedt en de tekst alsnog volledig afdrukt. Anders ‘stel ik vanaf april geen prijs meer op toezending van het blaadje en de door mij te verspreiden exemplaren.’ Die radicale stijl van Kraaijer kwam in de partij op plaatselijk en landelijk niveau terug.

Juni 1996 barstte de bom. Kraaijer stapte dan uit de partij. Op de bestuursvergadering van 26 juni 1996 zei hij: ‘Bolu is niet de oorzaak, maar de druppel voor mij.’ Bolu is een stad in Turkije, gelegen tussen Ankara en Istanbul. Al in 1994 lanceerde GroenLinks Zwolle het idee om er een Turkse partnerstad van te maken. Er werd hevig gediscussieerd over het voorstel. De fractie bleek verdeeld, maar een meerderheid was voorstander om de mogelijkheden te onderzoeken. De rest van de fractie, waaronder Paul, vond het een slecht idee. Er zou geen stedenband moeten worden aangegaan in verband met de mensenrechtensituatie in Turkije.

Begin 1996 kwam het voorstel partnerstad weer ter sprake. Een Turkse inwoner van Zwolle en GroenLinks lid had geopperd Bolu als vriendschapsstad aan te wijzen. In de fractie werd dit voorstel tot twee keer toe besproken. ‘Bij de tweede bespreking zijn enkele andere leden van de fractie aanwezig. Hier ontstaat een discussie over de stedenband met Bolu. Het zou beslist niet opgenomen mogen worden. Na een algemene meningpeiling blijken 3 van de 5 aanwezigen te vinden dat dit wel moet blijven staan’ (fractie en bestuursvergadering 4 juni 1996). Kraaijer stemde tegen, gelijk de vrouw die in zijn voetsporen bij de Emmaschool, GroenLinks en AFA was getreden. Er werd geconcludeerd dat de stedenband een goed discussiepunt zou zijn voor de ledenvergadering. Uiteindelijk bleef het voorstel in de voorjaarsnota staan.

Op 23 mei 1996 kwam de voorjaarsnota aan de orde. Kraaijer vond het ‘niet kloppen dat de voorzitter dit in de voorjaarsnota heeft genoemd’. Het punt werd afgerond met het besluit om ‘dit thema aan de orde te laten komen tijdens de ledenvergadering in het najaar.’ De volgende dag stapte Kraaijer naar de pers. In een interview met radio Zwolle deed hij allerlei uitlatingen over het interne functioneren van de fractie van GroenLinks. De fractievoorzitter beschuldigde Kraaijer daarop van arrogantie. Bestuur en fractie concludeerden dat Paul ‘vanwege een verschil van mening over een standpunt openlijk de publiciteit heeft gezocht’ (4 juni 1996). Zij concludeerden dat hij ‘alle denkbare verwijten heeft geuit met het eigen gelijk aan te tonen.’

Een felle briefwisseling tussen Kraaijer en de partij was het gevolg. Kraaijer werd ook voor de discussie op 4 juni uitgenodigd, maar hij kwam niet opdagen. Daags voor de bijeenkomst had hij schriftelijk bedankt als fractielid, hij trad officieel terug. Zijn boosheid richtte zich op de fractievoorzitter, maar die had binnen de fractie de steun van de overige leden. Ondanks de hoogoplopende ruzie was de fractie van mening dat ‘Kraaijer serieus moet worden genomen.’ Hij werd opnieuw uitgenodigd om een vergadering bij te wonen. ‘Het afdelingsbestuur heeft de zaak besproken, wil graag verder praten om Paul voor de partij te behouden’ (notulen 18 juni 1996).

Op 26 juni 1996 nam Kraaijer daarop deel aan de fractievergadering. Naast Bolu kwam ook de demonstratie van februari ter sprake. ‘Bolu was de druppel’, zei hij. Hij stapte uit de steunfractie. Vlak voor de vergadering was bekend geworden dat CP’86 raadslid Ruitenberg per 1 juli de Zwolse raad zou verlaten. De extreem-rechtse partij liet ook weten dat geen ander lid van de partij de plaats van Ruitenberg zou innemen. ‘Wel wil ik (naast landelijk) ook in Zwolle voor GroenLinks dingen blijven doen’, zei Kraaijer op de vergadering. Hij vermeldde expliciet landelijk omdat hij naast de werkgroep bedreigingen ook deelnam aan de landelijke werkgroep Turkije. Deze werkgroep begeleidde de discussie hoe de partij zich diende te verhouden tot Turkije.

De lokale strijd van AFA was gestreden. Kraaijer kon zijn AFA-Zwolle opdoeken. Tijdens een evaluatie op 14 augustus 1996 over de ‘Bolu-rel’ concludeerde GroenLinks Zwolle dat ‘voor de conceptbespreking van de voorjaarsnota’ niemand iets gezegd had over de stedenband in het verkiezingsprogramma. ‘Het leefde toen niet.’ Pas toen Kraaijer op 23 mei aan de bel trok, werd het een issue. De partij deed er alles aan om Kraaijer voor de steunfractie te behouden, tevergeefs. Hij bleek onverzettelijk en bleef GroenLinks met kritische brieven bestoken. Op 2 oktober 1996 besprak het bestuur een dergelijke brief. Hij formuleerde twee verzoeken: ‘Ten eerste of het bestuur er op wil toezien dat de fractievoorzitter in de Algemene Beschouwingen dit najaar zwijgt over de stedenband Bolu’. Het tweede verzoek betrof een bijeenkomst over de mensenrechten in Turkije.

Kraaijer, Turken, Koerden

Turkije bleek niet zomaar een onderwerp te zijn voor Kraaijer. In 1994 en 1995 zocht hij contact met Turkse migrantenorganisaties in Zwolle. Bij die relaties ging het hem vooral over CP’86 en het gemeenteraadslid Ruitenberg. Kraaijer schrijft dat hij de Turkse Migrantenvereniging had uitgenodigd voor een vergadering van AFA- Zwolle op 11 januari 1994 (publicatie ‘De mist trekt op’ 1995). De Turkse organisatie bleef enigszins op afstand, maar Kraaijer was wel de contactpersoon van verschillende Turkse organisaties en GroenLinks Zwolle. Kraaijer in ‘De mist trekt op’: ‘AFA-Zwolle sloot 1994 af met de voorbereidingen, in samenwerking en samenspraak met de Turkse Migrantenvereniging, van een discussieavond ‘Hoe omgaan met extreem-rechts’. Voor deze avond (28-02-95) werd een aantal organisaties en politieke partijen schriftelijk benaderd. Helaas bleek de belangstelling minimaal.’

De eerste twee jaar dat Kraaijer betrokken was bij AFA, was hij niet geïnteresseerd in de situatie in Koerdistan. Wel onderhield hij contact met leden van GroenLinks met een Alevitische of Koerdische achtergrond, maar ook met Turkse Nederlanders. Met enkele van hen onderhield hij ook persoonlijk contact. Zij introduceerden hem bij hun families, vrienden en kennissen. Kraaijer kwam voor het eerst in aanraking met het Kurdistan Informatie Centrum (KIC) in augustus 1995, tijdens een hongerstaking van Koerden in Den Haag. Hij sprak daar een bekende van AFA aan, maar was daar vooral als journalist en leek niet geïnteresseerd in het KIC.

Het jaar daarop werd hij door een voormalig AFA activiste uitgenodigd om het KIC in Amsterdam te bezoeken. In ‘Een antifa vertelt’ omschrijft hij zijn betrokkenheid bij de Koerden als volgt: ‘Binnen AFA-Zwolle richt ik me, behalve op extreem-rechts, ook op het Kurdenvraagstuk. Er is immers meer te doen dan alleen maar het bestrijden met vele middelen van extreem-rechts in eigen land.’ Enkele betrokken van het KIC kenden Kraaijer niet alleen van AFA, maar ook van GroenLinks. Voor het KIC was het van groot belang om contacten te onderhouden met GroenLinks. Kraaijer was niet alleen lokaal actief, op landelijk niveau zat hij in de GroenLinks werkgroep over de relatie met Turkije.

Kraaijer schrijft in de online-publicatie: ‘De BVD was natuurlijk ook geïnteresseerd in dat centrum en ik had daar goede contacten gekregen en opgebouwd.’ Volgens Kraaijer was het KIC ‘een soort onofficiële Koerdische ambassade.’ Een paar regels verder schrijft hij dat de BVD eigenlijk niet geïnteresseerd bleek in het KIC: ‘Vanuit de BVD/AIVD was er volgens mij niet echt interesse voor hem of voor het Centrum.’ Kraaijer was actief rond Koerdistan in de jaren ’96 en ’97. Het laatste jaar was zijn interesse al veel minder; zijn aandacht verschoof naar de extreem-rechtse Turken verzameld onder de vlag Grijze Wolven.

De BVD-jaarverslagen uit die jaren geven een duidelijk beeld van de bemoeienis van de dienst met Koerdische groepen. Het jaarverslag van 1995 vermeldt dat de BVD informatie heeft verstrekt over mogelijke betrokkenheid van de PKK en sympathiserende organisaties bij drugs en wapenhandel. De groepering is niet alleen interessant vanwege haar politieke werkzaamheden. In de jaren die volgen blijft de BVD zeer geïnteresseerd in de groepering. In 1996 wordt zelfs melding gemaakt van de voortzetting van de samenwerking met de Turkse geheime dienst. In 1997 is de Koerdische beweging extra interessant in verband met enkele incidenten, waaronder drie brandstichtingen in Den Haag. Opnieuw heeft de BVD informatie verstrekt, die via allerlei manieren door de dienst is verkregen. Ook het jaarverslag van 1998 besteedt een volle pagina aan de PKK en de Koerdische kwestie. Die aandacht voor de PKK, Koerdische organisaties en sympathisanten gaat onverminderd voort.

Maar volgens Kraaijer was er geen interesse, al wilde de BVD wel ‘allerlei nieuwtjes’ weten. ‘De Koerden, het KIC en allerlei individuen maakten geen formeel onderdeel uit van mijn werkzaamheden voor de inlichtingendienst’, schrijft Kraaijer. Hij stelt in zijn online-publicatie dat Koerden zich fascistisch opstellen, en dat dat zijn intrinsieke motivatie is ‘in zijn werkzaamheden voor de BVD/AIVD en RID. Radicalisme en extremisme in acties in kaart brengen.’ De beschrijving van Koerden als zijnde fascistisch is opvallend. Niet alleen nam hij het in de jaren ’90 op voor de Koerden in hun strijd tegen het ‘fascistische Turkije’, Kraaijer lijkt met zijn 180 graden draai de mening van zijn ‘werkgever’ de inlichtingendienst na te apen.

Een van de Turks Alevitische vrienden van Kraaijer ontdekte wat ‘allerlei nieuwtjes’ waren. Hij beschouwde Kraaijer als zijn vriend en onderhield ruim twintig jaar contact met hem tot hij vertrokken was naar Suriname. Na de biecht van Paul bleef hij ontluisterd achter. “Ik dacht dat hij een echte vriend was. We hebben samen gedemonstreerd. Ik heb hem aan mijn vrouw, kinderen, kennissen, buren, iedereen voorgesteld. Onze gemeenschap heeft hem opgenomen. Ik ben een eenvoudig mens, heb niets te verbergen, maar ik voel me vreselijk genaaid door hem. We hebben hem met open armen ontvangen. We hebben hem uitgenodigd om met ons te eten.” Anderhalf jaar na het interview in de Telegraaf kan de man de bekentenis van Kraaijer nog geen plek geven. Als gastarbeider was hij naar Zwolle gekomen. “Hard werken. Dagelijks moesten we vele uren maken in een productiefabriek.” Samen met zijn medelandgenoten gingen ze naar demonstraties tegen de mensenrechtenschendingen in Turkije. “Paul ging ook soms mee. Ja, die demonstraties waren soms georganiseerd door de groepen die sympathie hadden voor de PKK en Dev Sol, maar wij kwamen om te protesteren tegen de wijze waarop de Turkse staat met de minderheden omgaat.”

Natuurlijk wist hij dat Paul ook actief was bij AFA Zwolle. Kraaijer mobiliseerde onder de Turken in Zwolle voor zijn strijd tegen extreem-rechts. Na de demonstratie tegen CP in februari 1996 kwam hij aan het eind van de middag thuis. Zijn vrouw zei hem dat iemand van het ministerie van Binnenlandse Zaken had gebeld. Toen hij terugbelde, wilde de vrouw een afspraak met hem maken. Ze spraken twee dagen later op maandag in de stationsrestauratie van Zwolle af. De man zat daar koffie te drinken met zijn vrienden. De medewerkster van het ministerie herkende hen aan hun uiterlijk en liep op de tafel in de hoek van de restauratie af. Ze noemde de naam van de Turks Alevitische vriend van Kraaijer. Hij stond op en stelde voor om ergens anders te gaan zitten. De vrouw vond dat niet nodig. Ze liet hem twee mappen zien. Een met het label PKK en de ander Dev Sol. Ze zei dat ze wist wat zij aan het doen waren. De man was perplex.

Van het gesprek herinnert hij zich niet veel meer. In de dagen die volgden hoorde hij dat er allerlei mensen waren benaderd niet alleen in Zwolle, maar ook in Deventer. In de Turks Alevitische en Koerdische kringen heerst grote angst ten aanzien van politie en inlichtingendiensten. In hun land van herkomst hebben de meeste mensen vreselijke ervaringen met de ordetroepen. Mensen die benaderd zijn door de veiligheidstroepen schamen zich en worden vaak door de rest van de gemeenschap met de nek aangekeken. Hij dacht, dat zoiets in Nederland niet kon gebeuren. Deze Turks Alevitische man die Kraaijer als zijn vriend beschouwde, staat die ontmoeting met die vrouw van de BVD nog helder bij. Hij wist toen niet wat de BVD precies deed, maar de biecht van Kraaijer drukte hem met de neus op de feiten. “Hoe kan iemand dat een ander mens aandoen?,” vraagt hij zich vertwijfeld af. “Het is heel pijnlijk, ik weet niet wat ik er mee moet,” vertelt hij.

Een van de betrokkenen bij het Kurdistan Informatie Centrum (KIC) kent Paul ook heel goed. “Hij wilde binnen GroenLinks meer doen voor de Koerdische zaak en vertelde dat hij een journalistieke achtergrond had en contacten met de pers. Dat kwam ons goed uit.” Kraaijer schreef het een en ander voor het KIC, maar niet bijster veel. Soms vertaalde hij wat, maar een actieve betrokkenheid zoals bij AFA bleef uit. Het enige wat hij in Zwolle organiseerde, was een avond over ‘geëngageerde journalistiek in Nederland & Turkije’.

Uit ‘Een antifa vertelt’: ‘Mijn belangstelling voor Turkije is ontstaan door een persoonlijke vriendschap tussen mij en enkele in Zwolle wonende Turken en door mijn woede over het optreden van de Turkse overheid en het leger tegen de Kurden, welk optreden met geen pen is te beschrijven. Walgelijk.’ Hij wilde zelfs deelnemen aan een internationale waarnemersdelegatie rond 21 maart 1996, om de mensenrechtenschendingen te documenteren.

Kraaijer beweert dat hij daarvoor destijds gevraagd is, maar weinig mensen van het KIC geloven dat hij een serieuze kandidaat was. “Misschien heeft hij zelf gezegd dat hij wilde meegaan, dat kan, mensen moeten echter de reis zelf betalen. Dat is niet voor iedereen weggelegd en Paul wilde dat zeker niet. Hij klaagde namelijk altijd dat hij weinig geld had.” Bij het KIC wisten ze dat hij een uitkering had. “Paul praatte vooral over zichzelf. Problemen met de sociale dienst, problemen thuis met zijn dronken vriendin, van alles en nog wat. Halverwege zijn monoloog riep hij dan: ‘Wat doen jullie?, Gebeurt er nog wat?’ Hij zag zichzelf als het centrum van de wereld.”

De Zwolse vriendin (Janine) annex buurvrouw was voor hem een groot probleem. Hij zat er duidelijk mee. Haar familie accepteerde hem niet, zij wensten geen hulpverlening. “Was triest, en hij klaagde er steeds over, zoals die keer dat ze ‘s avonds dronken voor zijn deur lag. Hij zat er erg mee”, vertellen de mensen van het KIC. Paul kwam wel eens op Koerdische feesten en demonstraties, maar zeker niet regelmatig. Veel contacten had hij er niet en ook geen toegang tot vertrouwelijke zaken. Betrokkenen zijn wel verbaasd over zijn biecht als mol: “Hij stelde geen nieuwsgierige vragen, wilde eigenlijk niets precies weten, geen persoonlijke dingen. Hij had contact met de drie personen van het KIC die als woordvoerders naar buiten traden en in de media met naam en toenaam bekend waren. Hij was meer geïnteresseerd in het persbericht dat de deur uit zou gaan. Daar had hij dan allerlei opmerkingen over, hoe het anders moest.”

Eigenlijk is de betrokkene van het KIC die Kraaijer goed heeft gekend verbaasd over het spionageverhaal. “Als Paul had gewild, zou hij hebben kunnen doordringen tot het bestuur van het KIC. Hij werd vertrouwd, we kenden hem, Nederlander en lid van GroenLinks, zou heel goed zijn geweest. Dan had hij alles kunnen weten.” Kraaijer heeft nooit werkelijk interesse voor het KIC getoond. Hij kwam er ook niet vaak, en als hij langs wipte, belde hij van tevoren, kwam binnen, deed zijn verhaal en weg was hij. “Geen fantast, maar er was wel iets vreemds met hem aan de hand. Paul was continu bezig met het bespelen van de media en aan de andere kant deed hij allerlei mega-radicale uitspraken. Gewelddadig activisme trok hem op de een of andere manier aan, gaf hem een kick. Bij het KIC konden we hem dat niet bieden”, vertelt een betrokkene lachend.

Misschien wilde Kraaijer daarom wel naar Turkije met die mensenrechtendelegatie, maar bleek hij niet in staat om lieden te vinden die zijn reis konden betalen. Tijdens het scholenbouwproject in Nicaragua bleek hij wel succesvol met het los peuteren van geld bij de Zwolse gemeente voor een buitenlandse reis voor twee vrouwen. Ook AFA-Zwolle ontving subsidie van de gemeente. GroenLinks was voor hem de beste mogelijkheid om geld voor een reis naar Turkije bij elkaar te sprokkelen, maar binnen die partij liepen mensen rond die beter ingevoerd waren in de materie.

De Koerdische kwestie hield Kraaijer niet lang bezig. In 1997 overleed zijn zieke vriendin. Pas eind dat jaar wist hij zijn werkzaamheden voor AFA weer op te pakken. Hij schreef voor het nieuwe AFA-blad Alert, waarvan het eerste nummer in november 1997 verscheen. Daarnaast stortte Kraaijer zich op de Grijze Wolven en een door de Zwolse gemeente gesubsidieerde Turkse organisatie STCZ (Stichting Turks Cultureel en solidariteitscentrum Zwolle). Wel vertoonde zijn betrokkenheid bij het KIC en Turkije dezelfde tekenen als zijn inzet voor AFA. Hij gebruikte GroenLinks als een vehikel voor zijn activiteiten. Zijn contacten met de Koerdische en Turkse gemeenschap in Zwolle lopen via GroenLinks naar AFA-Zwolle. Met zijn interesse voor Koerdistan en Turkije slaagde hij er eerder in om op landelijk niveau van GroenLinks zich een positie in een werkgroep te verwerven. Gedurende zijn AFA-tijd ging er twee jaar voorbij voordat hij landelijk in GroenLinks doordrong.

Begin september 1996, midden in de discussie over de stedenband met de Turkse stad Bolu, ontving GroenLinks Zwolle een brief van het comité boycot toerisme Turkije. GroenLinks werd gevraagd een petitie te onderschrijven die aan de Turkse consul in Turkije zou worden aangeboden. Kraaijer bleek zeer actief betrokken bij deze campagne. Een mede-actievoerder uit die tijd: “Kraaijer deed hetzelfde als wij deden, namelijk maatschappelijke organisaties benaderen. Daarnaast verzorgde hij de persberichten. Hij was perswoordvoerder bij de aanbieding van al die handtekeningen aan de consul in Deventer.”

‘Boycot toerisme Turkije’ was geen nieuwe actiegroep. Al in 1992 en 1994 protesteerden actievoerders bij Turkse reisbureaus en vakantiebeurzen. Nieuw was dat sinds mei 1996 AFA zich actief met de campagne bezig ging houden. Voor zowel AFA als Kraaijer was de strijd tegen de Grijze Wolven binnen Nederland weliswaar belangrijker, maar hij deed wel mee aan een actie bij de Toerkoop Plus Vakantie Beurs in de IJsselhallen op 15 maart 1997.

Een GroenLinks lid en bekende van Kraaijer van begin jaren ’90 nam eveneens deel. “In die tijd beweerde Paul dat hij de beschikking had over veel informatie m.b.t. Turkije en de Koerden, en dat hij een journalistieke achtergrond had. Ik heb nog een keer met hem met een spandoek bij de IJsselhallen gestaan om bezoekers van een reisbeurs op te roepen niet naar Turkije te gaan.” Ze kent Kraaijer niet als een man die even de handen uit de mouwen steekt om een spandoek of sandwichbord in elkaar te zetten. “Hij was niet het type dat ook maar één keer een hamer of verfkwast in handen neemt.”

Nee, Kraaijer was meer het type brievenschrijver, opsteller van persberichten en vlugschriften. In maart 1997 schreef hij vanuit AFA brieven over de activiteiten van de federatie Hollanda Türk Federasyon in Huizen en Vlaardingen. Kraaijer maakte destijds deel uit van het landelijk secretariaat van AFA. April 1997 richtte Kraaijer’s AFA-Zwolle de pijlen op de Stichting Turks Cultureel en Solidariteitscentrum Zwolle (STCZ). Een jaar later, april 1998, diende Kraaijer een Wob-verzoek (Wet Openbaarheid van informatie) in bij de gemeente Zwolle over de subsidie aan STCZ. Hij ontving alle stukken.

Kraaijer zette vervolgens GroenLinks Zwolle aan het werk, zoals blijkt uit de correspondentie tussen Kraaijer en de fractie. De gemeente blijkt zonder ruggespraak met een gemeenteraadscommissie subsidie aan STCZ te hebben verstrekt. De commissie had nog wel verzocht het besluit over de verstrekking op te schorten. Kraaijer bespeelde de media feilloos. Op 20 en 21 maart, en op 14, 15, 16, 18, 23, 25 en 26 mei 1998 haalde AFA-Zwolle de Zwolse Courant in het kader van de omstreden subsidie aan STCZ. Kraaijer begon nog aan een bezwaarschriftprocedure, maar daarna vervlakte zijn interesse. Hij had minder tijd.

Kraaijer trad april 1998 in dienst van Holland Advertising Nieuwe Media (NieuwsTV), een bedrijf dat lokale kabelkranten verzorgt. Hij werkte op het kantoor in Deventer en stapte januari 1999 over naar de vestiging in Leiden. Daarnaast had hij een relatie gekregen met een vrouw uit Suriname. Hij beweert zelf in een briefwisseling met AFA dat: ‘hij altijd binnen AFA heeft verkondigd dat als hij een relatie zou krijgen hij op dat moment zich geheel of gedeeltelijk uit het antifascisme werk zou terugtrekken. En dat is gebeurd.’ (19-03-2001)

Deze brief ging niet over zijn relatie met de vrouw, of zijn werk bij NieuwsTV. De brief maakte onderdeel uit van een langlopend conflict met AFA over een hoge telefoonrekening die Kraaijer nooit heeft betaald.

Exit AFA

Na de demonstratie van CD en CP’86 in Zwolle van 24 februari 1996, het ontslag van Henk Ruitenberg en het opgeven van de gemeenteraadszetel door CP’86 op 1 juli 1996, bleef er voor Kraaijer in zijn woonplaats weinig over om extreem-rechts te bestrijden. Hij was tot november 1996 nog actief met het samenstellen van nieuwsbrieven van AFA, bracht december van dat jaar in eigen beheer zijn boek ‘Een antifa vertelt’ uit en stortte zich op een artikel over demonstratierecht voor het AFA-blad Alert. Paul schreef tot eind 1988 elke twee maanden een artikel voor dat blad. April 1998 vond Kraaijer betaald werk en hield hij bijna geen tijd meer over voor AFA.

Hij had zich jarenlang flink ingespannen voor de antifascistische zaak en in zijn eentje de strijd aangebonden met de CP in Zwolle. Na vier actieve jaren zou je verwachten dat hij met alle egards bij AFA zou worden uitgezwaaid. Niets bleek minder waar. Niet omdat iemand hem destijds verdacht van werkzaamheden voor de inlichtingendienst. Nee, Kraaijer vertrok plots bij de actiegroep en liet een gigantische telefoonrekening van 3.293,74 gulden na. Op 31 januari 1999 schreef hij een brief aan AFA: ‘Ik ben altijd eerlijk tegenover AFA geweest. Ik heb steeds aangegeven dat, zodra ik een relatie zou hebben en/of zou samenwonen, ik dan zou stoppen met mijn AFA-bezigheden.’ Kraaijer vervolgt: ‘Natuurlijk kan ik niet meteen met alles stoppen en wil ik dat ook niet. De AFA-werkzaamheden zijn routine geworden. Vandaar ook mijn uitlatingen inzake de Leidse CD-affaire. Ik had niet naar buiten moeten treden met mijn naam.’

Kraaijer is dan in feite al gestopt met zijn werkzaamheden voor AFA. Hij had geen tijd meer over, maar had nog wel de mobiele perstelefoon in zijn bezit. Hij werd gebeld en had commentaar gegeven. Hij put zich uit in allerlei excuses. Hij is druk met zijn baan en reizen van en naar zijn werk, relatie, druk, druk, druk. Van den Heuvel en Olmer schrijven op 4 juni 2011 in De Telegraaf: “Mijn woning werd een organisatorisch, administratief centrum van deze club. In feite stond de Zwolse AFA-afdeling volledig onder controle van de BVD”, aldus Kraaijer, die voor zijn inlichtingen- en infiltratiewerkzaamheden stevige vergoedingen kreeg. “Mijn studio werd betaald en ik kreeg ruime onkostenvergoedingen. Ik kon er prima van leven. Met de AFA-Zwolle, frontstore van de AIVD, ging de inlichtingendienst heel ver.”

De huur van zijn flat werd door de overheid betaald in de periode dat Kraaijer actief was voor de steunfractie van GroenLinks en AFA-Zwolle. Tevens kreeg hij een ruime onkostenvergoeding, waarvan hij “prima kon leven”. In de brief aan AFA van 31 januari 1999 over de telefoonschuld schrijft hij: ‘Het is ook geen kwestie van ‘willen’ terugbetalen, maar moeten. Ik heb die hoge rekeningen veroorzaakt, vanwege persoonlijke problemen en dat spijt mij behoorlijk.’

Nu kan het gespeeld zijn, maar waarom een kniebuiging voor mensen die je hebt bespioneerd en waar je niets meer mee te maken wilt hebben? Hij had in zijn online-publicatie en het interview met De Telegraaf ook kunnen zeggen dat hij AFA zelfs financieel aan de rand van de afgrond had gebracht. Toch meldt hij dat niet in zijn ‘biecht’. Daarentegen klinkt het begin van zijn brief aan AFA niet als gespeeld: ‘Het briefje heeft mij behoorlijk geraakt en mijn eerste reactie was er een van boosheid en teleurstelling.’ Het klinkt eerder als een pijnlijk moment in zijn leven.

Dezelfde brief onthult meer: ‘De fax; natuurlijk weet ik dat die van AFA-geld is. Ik zal er voor zorgen dat dit apparaat en de mobiele telefoon zo snel mogelijk in Utrecht komen’, schrijft hij. Hij wil graag ‘het fijne en eerlijke contact’ met de andere actievoerders niet verbreken. Ook dit duidt niet op een act van de perfecte spion. Kraaijer leverde de fax en de mobiele telefoon bij AFA af, en betaalde op 3 februari 1999 driehonderd gulden aan AFA. Hij gaf daarbij aan ‘maandelijks een paar honderd gulden te zullen overmaken.’

Een maand later kwam Kraaijer op zijn voornemen terug. Hij was inmiddels de mening toe gedaan dat hij niet de enige verantwoordelijke is geweest voor de hoge telefoonrekening en dat hij al genoeg had gedaan voor de club. ‘Daarenboven voel ik mij nu bijzonder gepakt en aan de kant gezet, na vele intensieve AFA-jaren. Jaren die mij veel geld, energie en tijd hebben gekost en veel spanning en bedreigingen, die wel eens zijn onderschat.’

Voor Kraaijer was hiermee de kous af, maar voor AFA niet. Per slot van rekening had Kraaijer (of zijn vrouw) uitgebreid met Suriname lopen bellen. Drie weken later besloot Paul alsnog meer geld terug te willen betalen. ‘Mijn maandelijkse aflossing – ik had in februari ƒ 300,- overgemaakt maar ik had het gironummer foutief ingevuld. Deze maand maak ik het bedrag over. Iedere maand ƒ 500,- zal helaas niet altijd mogelijk zijn. Maar ik doe mijn uiterste best om maandelijks enkele honderden guldens over te maken.’ Kraaijer voegde bij het schrijven een afschrift toe van zijn rekening bij de SNS bank.

De schuldbekentenis over zijn telefoongedrag in 1999 bleek Paul twee jaar later alweer te zijn vergeten. AFA probeerde in 2001 tevergeefs geld van hem los te peuteren. Hij gaf aan niet alleen met zijn werkzaamheden voor AFA te zijn gestopt vanwege een betaalde baan en een relatie, maar de ‘club’ nam ‘geen genoegen met het feit dat hij een beslissing had genomen uit privé (veiligheids-)overwegingen om met een aantal van mijn werkzaamheden te stoppen.’ Vervolgens droeg hij zijn persoonlijke archief over aan AFA. Hij voelde zich benadeeld en tekort gedaan. ‘Na het beëindigen van mijn AFA-bezigheden heb ik nimmer meer iets van AFA vernomen’, schrijft hij op 19 maart 2001. Hij was inmiddels de mening toegedaan dat hij ‘eind 1998 ‘gewoon’ aan de kant is gezet en kreeg stank voor dank voor al zijn inzet voor ‘de club’, waardoor deze landelijk op de kaart werd gezet.’

Wederom begon Paul over het grote financiële offer dat hij vijf jaar lang voor AFA heeft gebracht. Waarom twee jaar later alsnog reageren op een vorderingsbrief van AFA? De geheime dienst heeft al zijn onkosten betaald. Als het klopt dat zijn spionagewerk erop zat, waarom dan reageren op een brief van mensen die hij eigenlijk verafschuwt? En als de BVD zijn rekeningen nu niet langer betaalde, waar kwam dat bedrag van 9.000 gulden, waarvan Kraaijer beweert in zijn AFA werk te hebben gestoken, dan vandaan? Veel kopieer- en printkosten werden door AFA betaald. Gedurende de periode dat hij perswoordvoerder was, betaalde AFA ook een groot deel van de rekening van zijn telefoon. Reiskosten werden genivelleerd. Kraaijer was dus een fractie kwijt aan zijn treinreizen voor AFA-vergaderingen. Abonnementskosten werden deels betaald door GroenLinks die soms ook kopieer- en printkosten voor haar rekening nam.

Van zijn uitkering kon Kraaijer prima leven. De verschillende AFA activisten die bij hem over de vloer kwamen, beschrijven een sobere inrichting, geen luxe. Ook bekenden van Kraaijer bevestigen dit beeld. “Ook zijn kleding was sober”, zegt een activist uit de buurt. “Zijn kleding werd gewassen en als het op was, dan werd er een nieuwe blouse gekocht. Verder was er niets geen poespas.” Kraaijer hield er een sobere levensstijl op na en de onkosten voor het vrijwilligerswerk dat hij deed, werden deels door de betrokken organisaties vergoed. Daarnaast lukte het hem geregeld subsidies binnen te halen bij de gemeente Zwolle. Ten tijde van de scholenbouwprojecten was hij daar al mee begonnen, maar ook financierde Zwolle activiteiten van AFA-Zwolle, zoals een knipselkrant over extreem-rechts.

Leefde Kraaijer dan op grote voet? Nee. Een oude bekende uit Zwolle weet nog te melden dat hij zelden op vakantie ging. De laatste keer was in de zomer van 1982 naar Griekenland. “En hij verzorgde zich slecht, had een slecht gebit en droeg een bril. Zo’n grote, die ik ook nog heb van vroeger.” De ‘gouden handdruk’ van de FNV zal hem enkele jaren wat extra financiële ruimte hebben geboden. De openstaande AFA-telefoonrekening van 3.293,74 gulden toont aan hij pas aan het eind van zijn AFA-periode zich te buiten is gegaan aan buitensporig bellen. “Prima leven” blijkt in wezen te moeten worden vertaald in sober leven. Als hij al een uitspatting begaat, verontschuldigt Kraaijer zich weer.

Paul raakte op natuurlijke wijze vervreemd van AFA. Dit kent twee oorzaken. Ten eerste de terugkerende cyclus van vijf jaar waarna Kraaijer in een andere baan of activiteit belandt. Vijf jaar griffie, ongeveer vijf jaar FNV en Nicaragua, vijf jaar GroenLinks en AFA. De vervreemding lijkt ingebakken in zijn levenshouding die elke vijf jaar een andere wending neemt. Ten tweede kwam die vervreemding ook voort door een veranderde strategie van AFA, die haar pijlen meer ging richten op Voorpost. Kraaijer had het daar moeilijk mee. Hij vond het moeilijk om dat naar buiten toe uit te leggen, er een duidelijk zwart–wit verhaal van te maken. AFA – CP’86, Koerden – Turken, Nicaraguanen – Contra’s; allemaal duidelijke tegenstellingen die Kraaijer bij de Voorpost-campagne van AFA niet kon verwoorden.

Zijn uiteindelijke afscheid in 1998/1999 was onvermijdelijk, ook zonder de onbetaalde telefoonrekening. Achteraf gezien suggereert Kraaijer dat zijn taak bij AFA erop zat en dat er een nieuwe missie op hem wachtte.

VII – PERIODE 1998 – 2002

Évian Almere Ravage Eurodusnie Pinkstergemeente

Kraaijer verhuisde in 1999 van Zwolle naar Almere. Hij heeft een huis in de Zijpestraat gekocht. Een kennis van Kraaijer weet nog hoe die plotselinge verhuizing verliep. “Een vrijdagochtend eind augustus 1999 kwam Paul binnen. Ik was verbaasd. Hij kwam afscheid nemen. Had een huis met vijf slaapkamers gekocht in Almere en woonde samen met een Surinaamse vrouw en haar drie kinderen. Hij was inmiddels werkzaam in Leiden op het kantoor van de kabelkrant.”

Paul heeft de vrouw ontmoet via een contactadvertentie. Ze was lid van de Pinkstergemeente. Kraaijer ging wel eens naar de kerk met haar, maar dat was niet van harte. Eerder was hij minder fortuinlijk geweest. In de tijd dat hij bij het KIC wel eens over de vloer kwam, had hij met een Koerdische vrouw een paar keer afgesproken, maar dat was niets geworden. Met de Surinaamse vrouw wel. Kraaijer verhuisde naar Almere en werkte voor NieuwsTV, eerst in Deventer, vanaf 1999 in Leiden. Hij trok zich niet volledig terug uit de actiewereld. Zo correspondeerde hij met AFA over zijn schuld van enkele duizenden guldens. Hij zocht ook met andere antiracisme organisaties contact, om kenbaar te maken dat hij ‘eindredacteur bij Nederlands grootste uitgever van kabelkranten’ was geworden. Brief aan een van die personen: ‘Het is alweer een tijd geleden, maar ik ben nog steeds in het land der levenden, maar ‘in actie-ruste’. […] Daar ik werkzaam ben als eindredacteur bij Nederlands grootste uitgever van kabelkranten (ruim 40 verspreid in het land, ook in Noord-Holland) – ik run ons NieuwsTV-kantoor in Leiden – zou ik graag in de toekomst ook jullie persberichten en andere info willen ontvangen. Ik woon overigens sinds een jaar in Almere-Stad, ben getrouwd met een Surinaamse en heb drie kids.’

Een andere actievoerder heeft ook contact met hem gehad: “Op 15 februari 2000 werd kort op Nieuws-TV Leiden aandacht geschonken aan de actie van LANS (Landelijk actieplatform nationalistische studenten) voor de Oostenrijker Haider. Ik heb contact met Paul Kraaijer gehad en hij heeft me een email vraaggesprek gestuurd van een journalist met Gerard Dekkers van LANS.”

November 2001 raakte Kraaijer werkloos. Holland Advertising Nieuwe Media was failliet gegaan en de werknemers stonden op straat. Paul wilde het liefst in de journalistiek werk betaald zien te vinden, maar kwam niet aan de bak, vanwege zijn gebrek aan opleiding en ervaring. Nadat actieblad Ravage een advertentie had geplaatst voor een redacteur, solliciteert Kraaijer. Opvallend aan zijn verhaal in De Telegraaf en in zijn online-publicatie is dat Kraaijer niet zegt dat hij voor de BVD/AIVD bij het actieblad ging spioneren, terwijl het blad altijd met grote belangstelling door de inlichtingendienst werd gevolgd.

“Paul was één van de 4 of 5 personen die naar aanleiding van de advertentie zijn komen praten, maar hij viel af”, vertelt een van de voormalig redacteuren. “We kenden hem van zijn AFA werkzaamheden en omdat hij wel eens een discussiestuk over antifascisme voor ons schreef”, vult een ander aan. De aangeboden plek op de redactie ging over een gesubsidieerde baan. Kraaijer moest zelf het een en ander regelen omdat hij niet in Amsterdam woonde. “Dat heeft hij nooit gedaan”, vult de tweede voormalig redacteur nog aan. “We hebben nog wat andere opties onderzocht, maar mede door zijn vaagheid werd dat niks. Hij heeft, denk ik, een paar maanden bij ons rondgelopen, hoewel hij weinig langskwam en eigenlijk nooit iets schreef.”

Op de redactie van Ravage was men nogal verbaasd over zijn werk bij NieuwsTV. “Het verbaasde me toen al dat hij had gewerkt als journalist/eindredacteur, dat beweerde hij althans.” Een van de personen die hem van enige afstand op de redactie had meegemaakt, vroeg zich af wat hij eigenlijk bij AFA deed en bij Ravage. “Veel politiek bewustzijn had hij niet echt”, oordeelt hij. Op de redactie reageerde men enigszins verbaasd over zijn openbaring als mol. “Hij is ook maar een paar keer bij ons geweest en toen leek hij me ook meer bezig met zijn eigen sores dan dat ik de indruk kreeg dat hij iets voor ons zou kunnen betekenen. Hij had toen financiële problemen en woonde samen met een Surinaamse vrouw, zo vertelde hij althans.” Op een gegeven moment liet Paul niets meer horen en kwam niet meer langs.

Het jaar dat hij een poging deed bij Ravage te komen werken, gaat vooraf aan zijn ‘infiltratie’ in de ‘andersglobalisten beweging’ (hoofdstuk 11 van zijn online-publicatie). Drie pagina’s van dit hoofdstuk beslaan het verhaal van ‘Arie Valentijn’, de runner van Kraaijer bij de BVD/AIVD. ‘Valentijn was van de oude stempel’, schrijft Kraaijer. Verder bestonden de runners van Paul uit ‘jonge, aantrekkelijke en sympathieke vrouwen.’ Valentijn verzocht Kraaijer zich in de ‘andersglobalisten beweging’ te mengen. Paul beweert dat hij door Valentijn hiervoor gevraagd is in ‘het sjieke restaurant De Generaal’ in Baarn. ‘De Generaal, noemt zichzelf eethuys-café en men kan er een drie gangen weekmenu bestellen voor 14 euro 75.’

Zijn eerste schreden in 2002 binnen de ‘andersglobalisten beweging’ bestonden uit het leggen van contact met mensen van Eurodusnie, een actiecentrum in Leiden. Eurodusnie was gevestigd in een gekraakte school en organiseerde de tweede Europese bijeenkomst van de Peoples Global Action (PGA), een wereldwijd platform van milieugroeperingen, boerenbewegingen, vakbonden, vrouwenorganisaties en inheemse volken.

Paul gaf zich op als vrijwilliger voor deze bijeenkomst. Tijdens de conferentie van 21 augustus t/m 4 september zou hij deel uitmaken van het communicatie-/persteam. Hij zou meedoen aan het samenstellen van een dagelijkse krant tijdens de bijeenkomst en persberichten opstellen. Een van de organisatoren: “Bij de voorbereidingen drong Paul erop aan dat zijn naam onder de persberichten zou worden geplaatst. Dat ging niet door, omdat hij geen perswoordvoerder was en ook niet over de juiste kennis betreffende het thema beschikte. Ik vind het opvallend om dit te melden, maar eerder in de zin van zelfverrijking of -verheerlijking dan dat het iets met het verzamelen van inlichtingen te maken heeft gehad.”

En hoe gedroeg Kraaijer zich dan op de conferentie? “Hij kwam niet opdagen, heeft ons geen nader bericht gestuurd, was niet te bereiken, nam zijn telefoon niet op, een beetje vaag.” Diverse mensen binnen de actiewereld wisten van het plotselinge vertrek van Paul bij AFA. Niet alle details waren bekend, maar dat er iets met Kraaijer aan de hand was, was voor de medewerkers van Eurodusnie wel duidelijk. De PGA en het verzet tegen de G8 zijn onderdeel van dezelfde andersglobalisten beweging. Kraaijer was in 2002 op de juiste plek bij Eurodusnie indien hij wilde infiltreren binnen die beweging. Waarom kwam hij niet opdagen? Was hij bang oude bekenden van AFA tegen het lijf te lopen? Hij volgde dat jaar op afstand echter wel de demonstraties van de NVU en AFA.

Kraaijer schrijft op pagina 62 van zijn online-publicatie dat hij ‘op verzoek van de BVD communicatiemedewerker werd tijdens de meerdaagse internationale bijeenkomst’ in Leiden. Op de volgende pagina beweert hij dat ‘een fotograaf van de BVD tijdens de bijeenkomst van het PGA-netwerk foto’s nam van activisten die het kraakpand binnen gingen; ook ik stond op een van de vele foto’s zo bleek later.’ Binnen de beweging van de andersglobalisten is Kraaijer vervolgens nooit meer gezien. Hij had geen extra vrije dagen opgenomen, maar was aan de andere kant vaak afwezig.

Hij heeft bij zijn nieuwe werkgever WISE niet gemeld dat hij naar Évian zou gaan, alwaar andersglobalisten protestacties hadden gepland rond de G8-conferentie. Andere medewerkers van deze milieuorganisatie reisden wél af naar Zwitserland. Een ex-collega van WISE herinnert zich hem nog gezien te hebben op de eerste dag op het actieterrein in Annemasse. “Later heeft Paul gezegd dat hij al snel weer was teruggekeerd naar Nederland. Onduidelijk waarom.”

Kraaijer schrijft dat hij juni 2003 naar Évian is gegaan ‘onder het mom van het schrijven van een artikel over de activiteiten van de Nederlandse andersglobalisten voor onder andere dagblad Trouw.’ Paul maakte gebruik van ‘zijn journalistieke cover’ om binnen te dringen bij de andersglobalisten beweging, zoals hij eerder ‘zijn journalistieke achtergrond’ gebruikte om actief te kunnen worden bij actiegroepen. Vervolgens reisde hij niet mee met de bus van de Nederlandse betogers en kampeerde hij niet op het daarvoor bestemde actieterrein in Zwitserland. Kraaijer beweert dat hij ‘s nachts om één uur met zijn auto is vertrokken vanuit Almere. Rond het middaguur kwam hij aan in de buurt van Lausanne. Hij heeft daar een hotel gezocht, niet gevonden en is dezelfde dag nog teruggereden naar Almere waar hij rond middernacht arriveerde. Kraaier zou bijna 18 uur achter het stuur hebben gezeten.

Waarom vier pagina’s vullen over een reis en een bijeenkomst, waar je nooit aan hebt deelgenomen? Waarom uitweiden over een ‘mooie rustige autorit’, ‘koffiestops’, ‘de bus met Amsterdamse activisten’? ‘Een bus met Amsterdamse activisten’ die al in Annemasse was aangekomen en waar de toenmalige collega van Paul in meereisde. Waarom jezelf op de borst kloppen als de enige ‘geschikte infiltrant’, ‘het chique restaurant De Generaal’, ‘een soort opleiding ‘observatie”, ‘de slechte organisatie van de AIVD’ en je ‘missie’?

Zijn avontuur binnen de andersglobalisten beweging zomer 2003 leest als een falikante mislukking. Tussen 1998-1999, de periode binnen AFA, en 2007-2008, de periode binnen de dierenrechtenwereld, lijkt Kraaijer geen rol van betekenis binnen de actiewereld te hebben gespeeld. Met de hoofdstukken over de ‘Koerden’, ‘andersglobalisten’ en WISE probeert hij die leemte op te vullen. Hetzelfde zou kunnen opgaan voor de periode 1986-1987 tot en met 1992-1993. Zijn poging om bij Ravage als redacteur aan de bak te komen, vermeldt hij niet in zijn online-publicatie, noch over zijn vergeefse pogingen een baan te vinden bij de reguliere media.

De gaten in zijn 25-jarige carrière als informant probeert hij te dichten. Hij gebruikt allerlei gebeurtenissen, werk, verhalen, acties, waar hij soms daadwerkelijk bij betrokken was. In de ogen van buitenstaanders als de journalisten Van den Heuvel en Olmer is zijn chronologie misschien compleet, maar mensen die hem van nabij hebben meegemaakt, vertellen een heel ander verhaal, onderbouwd met e-mails en verhalen van Kraaijer zelf.

Kraaijer probeert 25 jaar te vullen, maar schept zo het verhaal van een treurig man. Net als in zijn tijd bij Havelte, FNV, KAGO en Nicaragua lijkt hij zijn plek maar niet te kunnen vinden. Hij toog naar Annemasse, maar vond geen aansluiting, zelfs de geheime dienst liet hem in de steek. Hij wilde bij Eurodusnie binnenkomen, maar om de een of andere reden liet hij verstek gaan. Hij bezocht Ravage om een baantje, maar haakte om onduidelijke redenen af.

Van den Heuvel en Olmer schiepen een ‘perfecte mol’, maar in de periode 1998 tot en met 2002 was eerder sprake van een mislukte spion. Hij had dan wel een baan bij de kabelkrant, maar ook die glipte al snel uit zijn handen. Hij keerde terug naar de actiebeweging, hetgeen aanvankelijk niet van een leien dakje ging, maar hij werd uiteindelijk geaccepteerd door zijn nieuwe werkgever WISE. Medewerkers van WISE herinneren zich Kraaijer nog heel goed en vertellen een ander verhaal.

VIII – PERIODE 2002 – 2008

WISE en de Ontmaskering?

Een van zijn oud collega’s van WISE moet nog lachen om het afscheid van Kraaijer in 2005. Dat afscheid heeft veel weg van zijn mislukte ‘missies’ naar Zwitserland en binnen de ‘andersglobalisten’. “Er was een afscheidsetentje voor hem georganiseerd, in het Ketelhuis op het terrein van de Westergasfabriek in Amsterdam. Paul is daar nooit aangekomen. Hij zei later dat hij de weg was kwijtgeraakt en niet wist waar het was.”

Of Kraaijer dit verzonnen heeft, is onduidelijk. Kraaijer schrijft zelf op 14 juli om 20:53: ‘Nou, dat was dus even heerlijk balen vanavond. Allereerst kende ik het hele Westergas Terrein niet. Rond kwart over zes stond ik al bij een van de ingangen. Ik denk de hoofdingang. Ik ben het terrein opgelopen en heb daar behoorlijk wat rondgelopen, maar niemand gezien…?? Tegen kwart over zeven ben ik maar weer richting het station gelopen, ook omdat ik ondertussen drijfnat was geworden en hoofdpijn had gekregen.’

Eerder genoemde oud-collega gelooft niet dat Kraaijer daadwerkelijk in Amsterdam was op de bewuste avond. Hij kwam namelijk steeds vaker naar het kantoor van WISE omdat hij thuis problemen had. “Paul heeft een grote duim. Een fantast en iemand die graag stoere verhalen vertelde over zijn AFA tijd. Mijn gevoel zegt dat hij dit hele AIVD-verhaal misschien wel heeft verzonnen. Om aandacht, om geld te krijgen, bij ons had hij ook altijd geldgebrek.”

In alle gesprekken met medewerkers van WISE komt dit facet terug. Geld gebrek, klagen over geld, huwelijksproblemen, problemen met de kinderen. Kraaijer had het heel moeilijk in die tijd. Hoewel Almere om de hoek is, kwam hij vaker niet dan wel op kantoor. Rond zijn sollicitatie op een advertentie van WISE, geplaatst in Ravage, was er enig argwaan over zijn persoon. Er is contact geweest met Ravage over Kraaijer. Vanuit de redactie van het actieblad werd gemeld dat “het goed zou kunnen dat Paul een infiltrant is, maar er waren echter geen concrete aanwijzingen.”

De administratieve capaciteiten van Kraaijer kwamen bij WISE goed van pas en hij werd dan ook aangenomen. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe blij ik was om de inhoud van je mailtje te lezen, er valt echt een last van me af na ruim een jaar thuis zitten’, schrijft Kraaijer aan WISE (26-11-2002). Van 1 december 2002 tot en met 30 juni 2005 was hij werkzaam voor de milieuorganisatie, een gesubsidieerde baan. Zijn werkzaamheden bestonden uit het maken van landendocumenten over kernenergie, het aanleggen van een adressenbestand van de nucleaire industrie, lobbyorganisaties en overheidsinstituten en het bijhouden van een adressenbestand van de antikernenergie beweging wereldwijd.

Vanaf het begin van zijn aanstelling kwam hij maar weinig op kantoor. ‘Telkens voor een paar uur naar Amsterdam schiet niet op’, vermeldt een email van WISE aan Paul. ‘In ieder geval zou ik deze week graag thuis blijven waar ik mijn best blijf doen om door te gaan met de lijst van organisaties’, schrijft hij zelf op 7 september 2003. ‘Shit, was ik inderdaad vergeten de beleidsdag’, meldt hij op 15 januari 2004. En ‘mijn persoonlijke situatie was ook de reden voor mijn gedeeltelijke afwezigheid deze week’, op 16 januari 2004. De rest van dat jaar was hij vaker afwezig dan aanwezig.

Op 11 augustus 2004 beklaagt WISE zich bij hem: ‘Met jou moeten we weer eens praten over werktijden. Het is niet handig dat je vroeg komt en vroeg gaat. Veel thuis doet, zeker niet in combinatie met feit dat je alleen zit en nooit mee-eet.’ In 2005 werd zijn afwezigheid structureel. Keer op keer kwam hij met een verhaal over zijn relatie die op de klippen was gelopen en de problemen die hij moest oplossen. ‘Ik blijf daarom graag nog even thuis om aan alles te wennen. Ik hoop daar begrip voor te kunnen krijgen’, mailde hij op 10 januari 2005. Kraaijer werd op 30 juni 2005 ontslagen. Zijn vrouw heeft hem ondertussen verlaten.

Vanaf het moment van aanstelling in 2002 ging het niet goed met zijn huwelijk. September 2003 leek het afgelopen: ‘Dit weekend en vooral vanavond behoorlijk wat trammelant thuis gehad, waar ik hier maar niet teveel op inga, maar in ieder geval staat mijn huwelijk op springen.’ Drie dagen eerder had hij al aangegeven, dat ‘de tijdelijke vervelende financiële situatie’ tot problemen in het huishouden had geleid. Paul schrijft echter in zijn online-publicatie dat de AIVD hem 1.300 euro cash heeft uitbetaald. Geld dat hij van ‘Arie Valentijn’ in ‘De Generaal’ zou hebben gekregen voor zijn reis naar Évian, Zwitserland. Alleen de benzinekosten van zijn reis waren daar vanaf gegaan, want Kraaijer was op één dag heen en weer gereden. Kraaijer zal zeker geld hebben overgehouden aan de reis, of had de dienst soms niets betaald en had hij de benzinekosten uit eigen zak bekostigd?

Januari 2004 stortte hij zijn hart uit op de beleidsdag van WISE: ‘Vanwege persoonlijke problemen thuis (financieel, scheiding…) zit ik even in een bijzonder vervelende situatie. Ik voel mij daardoor niet meer zo op mijn gemak en soms overvalt een gevoel van schaamte me als ik weer eens om een voorschot moet vragen, omdat ik anders niet eens op het werk kan komen. Door die situatie lukt het mij ook nog steeds, en wederom nog niet, niet om eenmaal teveel aan mij betaald salaris terug te storten.’

In 2004 zag hij in verband met zijn financiële situatie af van een bezoek aan Suriname met vrouw en kinderen. De auto werd verkocht en het huwelijk leek gered, hoewel het ook elk moment weer mis kon gaan. November 2004 bericht Paul een WISE dat ‘de verstandhouding in huis weer verbeterd is’, maar niet voor lang, zou later blijken. Op 10 januari 2005 viel het doek: ‘In het weekeinde en vandaag/morgen vertrekken mijn vrouw en de kids definitief.’

Vervolgens zagen ze hem bij WISE nóg minder dan voorheen en namen de klachten over het gebrek aan inzet toe. ‘Het is ongepast dat je min of meer te pas en te onpas thuis blijft/wat anders gaat doen’, schrijft WISE op 7 april 2005. De oud collega’s herinneren zich hem niet alleen in verband met zijn afwezigheid en de gesprekken over zijn problemen, maar vooral ook zijn teruggetrokkenheid. Een solist die in een aparte ruimte van het kantoor zat en als hij kwam slechts kort aanwezig was. Hij lunchte niet met de andere medewerkers en was erg op zichzelf.

Kraaijer was aanwezig bij een posteractie van WISE in Zeeland. Hij beschrijft dat er twee auto’s bij het treinstation van Goes parkeerden en dat er in de buurt nep CDA-affiches tegen kernenergie werden geplakt. Een van de personen die daarvoor werd aangehouden, herinnert zich Paul’s aanwezigheid. “Ja, z’n relaas klopt, in die zin dat er mensen zijn opgepakt en hij niet. Het waren er echter niet zes zoals hij schrijft, maar drie. Ik had ze (de politie) er in eerste instantie uitgelopen, maar toen ik later bij het station ging kijken of de rest was ontkomen, werd ik alsnog aangehouden. Maar er is verder niks mee gedaan, geen boete, omdat ze niet konden bewijzen dat ik iets gedaan had.”

Volgens deze bron was op een andere locatie in Vlissingen nog een team van drie personen actief met plakwerk. En blijkbaar was de actie wel geslaagd, want de media besteedden er de volgende dag uitgebreid aandacht aan. Op 30 oktober 2003 was Kraaijer weer aanwezig bij een actie op de dijk van de kerncentrale van Borssele. Deze actie was echter openbaar aangekondigd en iedereen was welkom.

Ook op 18 januari 2004 was Kraaijer aanwezig bij een demonstratie in Parijs. Hij reed heen en weer en nam onder andere de spandoeken mee. Dezelfde avond schreef hij zijn collega’s een email: ‘Overigens gingen we voor vertrek even een kopje koffie drinken in de lounge van het Sofitel-hotel tegenover de parkeergarage waar de auto stond. Een heerlijk bakkie voor Euro 5,50!!!! Jajajajaja, heerlijk. Decadent dus.’

De email kan volledig vanuit zijn rol als informant zijn geschreven, maar dat was volstrekt niet noodzakelijk. De opmerking maakt verschillende zaken duidelijk. Kraaijer houdt er een bescheiden, sobere levensstijl op na, hij bekommert zich om een kop koffie, maar lijkt niet bezig met de politieke aspecten van het werk bij WISE. Zijn thuissituatie, maar ook zijn werk schetsen een beeld van een dolende man die meer begaan is met een dure kop koffie dan de wereld om hem heen.

Kraaijer’s liefde: Suriname

Kraaijer blijkt dus niet ‘de perfecte mol’ te zijn geweest die als een slimme vos iedereen om de tuin heeft geleid en zijn collega’s bij WISE maar wat op de mouw heeft gespeld. Hij blijkt gewoon een ongelukkig mens, onfortuinlijk in de liefde en met te weinig geld waardoor hij zijn huis in Almere moest verkopen en een nieuwe woning moest zoeken. Zijn huwelijksproblemen waren echt. Hij verhuisde na de scheiding van de Zijpestraat naar de Ecrustraat in Almere en begin 2006 naar de Voorstraat in Zwolle.

Met zijn terugkeer op het oude nest wist Kraaijer weer de media te halen. Op 11 mei 2006 kopte de Stentor/Zwolse Courant ‘Actievoerder terug in Zwolle met nieuw thema’. Kraaijer was terug en de stad moest het weten. Het regionale dagblad etaleerde zijn privéleven en zijn nieuwe politieke thema: ‘Na zeven jaar absentie te Almere is hij terug op zijn geboortegrond. Met een nieuw thema: de angst voor een kerncentrale in Suriname. Zijn belangstelling voor het thema groeide toen hij ging samenwonen met Maureen, een Surinaamse. Nadat die relatie strandde, keerde hij in Zwolle terug, met een nieuwe relatie op afstand in Paramaribo, waar hij ooit van plan is te gaan wonen.’

Kraaijer kende Maureen uit Zwolle, maar zijn nieuwe liefde in Suriname was hij via datingsites tegen gekomen. Sinds 2002 was hij op diverse dating en erotische sites actief zoals chatbabe, chatgirl, 50plussers, homo.nl, bebo.com, maar ook hyves, facebook, Yahoo messenger en MSN. Hij gebruikte gebruikersnamen als paul41hot, paul44lang, paul44fors, paul45xl, paulxxalmere, paulzwolle, paul of gewoon Paul Kraaijer. Hij presenteert zich als ‘zachtaardig, sociaal, warm, correct, eerlijk en open’ en als freelance journalist. Na het stuk gelopen huwelijk en zijn ontslag bij WISE presenteerde hij zich in toenemende mate als journalist. Hij solliciteerde op vacatures voor journalist, maar kreeg geen baan.

Op hyves schreef hij op 17 juni 2007: ‘Verliefd op Suriname. Dat ben ik. Mijn Surinaamse liefde ontmoette ik voor het eerst in 1998. Het werd een dubbele liefde. Beide heb ik leren kennen. Van een van mijn liefdes heb ik in 2004 afstand moeten nemen. De ontstane leegte werd gelukkig weer ingenomen door een nieuwe Surinaamse liefde.’ Paul lijkt te zijn gegrepen door Suriname. Zijn droom ooit in Latijns Amerika te gaan wonen, de droom die hij al koesterde tijdens zijn betrokkenheid bij het scholenbouwproject in Nicaragua, kwam dichtbij.

Vanwege zijn liefde voor Suriname zou hij zich met alles wat er zich afspeelde in het land bezig gaan houden, maar vooral met milieu en dierenwelzijn. Sinds 1998 had hij een archief aangelegd, met foto’s, artikelen en boeken. In de tijd dat hij bij WISE werkzaam was, volgde hij al de mogelijke bouw van een kleine kerncentrale in Suriname door ondernemer Chanderbosh Bisram. Net zoals hij na zijn breuk met AFA contact probeerde te houden, bleef hij zijn vizier zich richten op WISE. ‘Overigens ben ik doende om ergens subsidie voor elkaar te krijgen. Ik wil weer naar Suriname om aldaar in gesprek te komen met personen, organisaties e.d. over die plannen van Bisram, maar ook om me meer te verdiepen in het afvalbeleid in Suriname’, berichtte hij op 22 mei 2006.

Hij woonde ondertussen weer in Zwolle, had een nieuwe vriendin en zoals de Zwolse Courant beschreef een nieuw thema. In september van dat jaar zette hij een weblog op: sranan-news.blogspot.com, dat hij op 1 mei 2007 verving door kraaijer-schrijft.blogspot.com. Opnieuw presenteerde hij zich als freelance journalist en editor. Op het nieuwe blog zijn zes artikelen uit 1978, negen uit 1979, een uit 1980, drie uit 1998, 2002 (3), 2003 (5), 2004 (1), 2005 (1), 2006 (7) en 2007 (19) te lezen. Naast de plannen voor een kerncentrale in Suriname schrijft Kraaijer over de waterhuishouding van het land en over faunabeheer.

Zijn interesse in dierenwelzijn is niet nieuw. In 1994 reed hij op de dierenambulance in Zwolle en haalde verweesde katten in huis. Hij mag dan wellicht een vleeseter zijn, Paul’s betrokkenheid bij dieren lijkt niet gespeeld. Zo publiceerde hij op zijn blog in juni 2007 onder de kop ‘Aangifte tegen doden jaguars- Kritiek op WWF’ dat hij zelf aangifte/melding heeft gedaan van het doodschieten van jaguars. ‘Zwolle, Nederland; De kritische volger van het Surinaamse milieubeleid, Zwollenaar Paul Kraaijer, heeft aangifte/melding gedaan bij het Korps Politie Suriname tegen een man in Paramaribo die in zijn huis enkele door hem doodgeschoten jaguars houdt als trofee.’

Paul schrijft in zijn online-publicatie: ‘Het telefoontje van ‘Hans’ (volgens Kraaijer van de RID) uit Zwolle kwam dan ook als een soort – morele – bevrijding en hij had ook nog eens een mooie nieuwe studio voor me geregeld in het centrum van Zwolle in een mooi monumentaal pand. Het vinden van een baan voor iemand die de vijftig naderde en bekend stond als politiek activist was ook niet eenvoudig in die tijd, zo rond 2005/2006. Het als activist undercover werken voor de AIVD en RID en daardoor bekend raken als links politiek activist, actievoerder, had dus ook gevolgen voor het vinden van een baan, daar was en ben ik van overtuigd. In maart 2006 woonde ik weer in Zwolle, onder de Peperbus. Of dierenrechtenactivisme iets voor me zou zijn, dat was een vraag vanuit de – inmiddels – AIVD.’

Een bekende uit Zwolle vertelt over de ‘mooie nieuwe studio’ een ander verhaal. “Als hij bij mij was, was hij vaak moe. Voor mij duidt dat op onvoldoende slaap terwijl hij niet iemand is die steeds in het nachtleven actief was. Ofschoon hij in een straat met vele kroegen woonde. Hij zat er bovenop.” En aan WISE schreef hij in de zomer van 2006 e-mails over gebrek aan geld en zijn lage uitkering. ‘Het is lastig om maandelijks financieel rond te komen, maar dat lukt nog. Uiteraard ben ik wel doende (geweest) met subsidieverzoeken. Verder is een verzoek in behandeling bij de gemeente Zwolle. Gisteren trouwens nog in Amsterdam geweest, bij de Federatie van Koerden in Nederland aan de Sloterkade. Ik neem niet aan dat WISE ergens een geheim oppot potje heeft…..(grapje….)’ (21-07-2006).

Op 22 september berichtte hij WISE: ‘Ik ben deze dagen wel druk bezig om mijn weblog onder de aandacht te brengen van vele Surinaamse organisaties, personen, instellingen e.d. in Ned. en in Sur. En ik ontvang positieve reacties en zowaar al een eerste donatie.’ Het jaar 2006 en het begin van 2007 stonden in het teken van zijn strijd tegen de kerncentrale in Suriname, zijn blog en het vinden van geld voor een reis naar het land van zijn liefde.

Paul hield WISE maandelijks op de hoogte van zijn vorderingen. ‘Ik vertrek zowaar de 17e aanstaande voor vier weken!!! Ik ben de 17e februari terug. Het wordt wel een vakantie hoor en daarenboven is mijn vriendin 18 januari jarig. Ik ben heel blij dat het allemaal is gelukt … nu moet ik even ieder ‘dubbeltje’ omdraaien, maar dat heb ik er wel voor over’, luidde zijn eerste bericht van januari 2007.

Zijn strijd tegen de kerncentrale in Suriname maakte hem tot een bekend milieuactivist in dat land. Paul’s strijd is echter eenzaam, zijn blog is zijn verhaal, ‘Kraaijer schrijft’ en zijn activisme m.b.t. Suriname is zijn strijd. Dit wordt minder in de zomer van 2007. Kraaijer zoekt een nieuwe uitdaging. Het wordt ‘Respect voor Dieren’ en de ‘Anti Dierproeven Coalitie’.

IX – PERIODE 2007 – 2010

Kraaijer en dierenrechten: het begin

In zijn online-publicatie beschrijft hij zijn eerste schreden in de dierenrechtenwereld als volgt: ‘En zo werd ‘Arie Valentijn’ weer korte tijd mijn AIVD-contact. Onze relatie was weer prima en ik kreeg zelfs een speciaal ‘informanten’ telefoonnummer van het hoofdkantoor van de AIVD in Leidschendam dat ik in geval van ‘nood’ kon bellen en dan hoefde ik slechts ‘Arie’ te zeggen en ik zou met hem worden doorverbonden. Kennelijk zat de dienst erg verlegen om een mannetje ‘inside’ de moeilijk toegankelijk en gesloten wereld van dierenactivisten.’

Paul beweert vervolgens dat hij van de dienst in contact moet treden met Respect voor Dieren. ‘Medio april 2006 diende zich een mooie aanleiding aan om contact met Respect voor Dieren te zoeken: de komst van een Thomas Cook reisbureau in Zwolle.’ Hij schrijft dat hij ‘Respect voor Dieren per email over de komst van Thomas Cook informeerde, waarop een kleine actie volgde tijdens de opening van het reisbureau op 26 april 2006, dat overigens niet geopend werd die dag maar de deuren gesloten hield – kennelijk op de hoogte gesteld van het protest […] Natuurlijk had ik over het protest vooraf contact gehad met de AIVD en de RID in Zwolle. Mogelijk was via de overheid het reisbureau over de actie van dierenactivisten geïnformeerd’.

Op 19 april 2006 schreef Respect voor Dieren Noord met adres en telefoonnummer voor de media dat ‘op woensdag 26 april Respect voor Dieren Noord op pad gaat om wederom de werknemers van Abbott Laboratories en Astellas Manufacturing te confronteren met de gruwelijk dierexperimenten.’ In hetzelfde persbericht werd vermeld dat de derde stop van de actiedag ‘Thomas Cook’ zal zijn. Naast het adres van de vestiging, Oude Vismarkt 16 in Zwolle, werd ook het tijdstip van de actie vermeld, 16 uur. Het persbericht werd dezelfde dag op de website van RTV Oost en Indymedia.nl geplaatst. Aan de publieke acties van de dierenrechtenactivisten is niets geheim, zoals Kraaijer lijkt te willen suggereren.

Kraaijer schrijft dat hij de voorman van de Anti Dierproeven Coalitie (ADC) op die bewuste actiedag ‘voor het eerst’ ontmoette. Vervolgens heeft Kraaijer anderhalf jaar gewacht tot een ‘eerste echte contact tussen mij en’ de voorman van de ADC. Deze ontmoeting zou op 8 december 2007 plaatsvinden. Die anderhalf jaar zou Paul hebben gebruikt om aan kleine acties deel te nemen, zijn weg te vinden in het wereldje van het dierenrechtenactivisme en zich voor te doen als vegetariër. Hij schrijft dat hij net als in zijn AFA periode ‘na afloop van acties, protesten en demonstraties hij een zogenoemd journaaltje voor mijn AIVD contactpersoon typte.’

Op het internet zijn foto’s en films van de verschillende demonstraties bij het bedrijf Abbott te vinden. In 2006 werd er gedemonstreerd op 30 juni, 27 september en 13 oktober in Nederland en op 29 september en 12 oktober in België. De demonstraties werden aangekondigd in een persbericht van 10 september 2006. Het persbericht werd overgenomen door lokale media en diverse fora. Voor politie- en inlichtingendiensten was een ‘inside man’ niet nodig om deze demonstraties te volgen, de actiegroepen verzorgden zelf de agenda. Het karakter van de demonstraties is vaak open, hoewel de deelnemers soms proberen niet in het beeld te komen bij de media. Op de foto’s op het internet zijn vaak slechts acht tot tien demonstranten te zien.

Een van de organisatoren van de acties in 2006 laat daarom ook weten: “Eind 2007 kwam Paul in beeld. Destijds hadden we een kleine beweging. Het was een ons-kent-ons wereldje.” Deze bron heeft sinds eind 2007 regelmatig met Paul samen gereisd en gedemonstreerd. Kraaijer beschrijft zichzelf als een vreemde eend in de bijt, ouder, kalend en wat bedeesd. Binnen een groep bekende actievoerders valt hij al snel op.

Waarom beschrijft Kraaijer in zijn online-publicatie de actie bij het kantoor van Thomas Cook op de Vismarkt in Zwolle? Waarom niet meteen aangeven dat hij als geïnteresseerde ook is afgereisd naar Venray op 8 december 2007 om mee te doen aan een demonstratie tegen Sciencelink? Een demonstratie waar hij een lang artikel over schreef dat in de lokale krant de Peel en Maas verscheen. Op zijn blog had hij tot dan vooral over kernenergie in Suriname geschreven en een enkel artikel over dierenleed.

De dierenrechtenbeweging trok weer enigszins aan in de jaren 2004 en 2005. In november 2005 werd een grote antibont demonstratie gehouden in Amsterdam. Zoals een van de organisatoren van de demonstraties bij Abbott al aangaf, bestonden de actieve activisten uit een kleine kring, pas eind 2007 werden er meer jongeren actief. In november van 2007 vond er weer een antibont demonstratie plaats in Amsterdam en in december de grote betoging in Venray tegen Sciencelink.

Indien Kraaijer zich eind jaren ’00 opnieuw binnen de actiewereld wilde begeven, waren er eigenlijk maar twee grotere bewegingen op dat moment geschikt voor: antifascisme en dierenrechten. Bij de eerste kon Kraaijer niet meer aankloppen, vandaar dat de dierenrechtenwereld de aangewezen plek was voor hem om voor zichzelf opnieuw een plaats binnen de actiewereld te veroveren. Bij de dierenrechtendemonstraties gebeurde altijd wel iets, er viel over te schrijven.

Kraaijer zal waarschijnlijk in 2006 tot december 2007 december niet betrokken zijn geweest bij acties voor dierenrechten. Paul’s activistische loopbaan is betrekkelijk eenvoudig te volgen. Hij administreert zijn aanwezigheid bij demonstraties. Of dit te maken heeft met zijn ‘informantenrol’ is de vraag. Hij profileert zich als de dierenrechtenjournalist. Hij schreef voor zijn blog of in een opiniestuk over een actie en benoemt die in zijn online-publicatie.

Dat is ook de redenering van een oud-collega van WISE die nog eens naar de drie acties van deze milieuclub heeft gekeken waar Paul aan mee heeft gedaan en die hij vermeldt in zijn online-publicatie. “Geen idee wat hij er mee wil, spectaculair? Omdat hij daar iets over te vertellen had? En nu ik zo door de rest van de acties scroll, denk ik ook dat hij bij de rest niet aanwezig is geweest. Almelo (WISE actie in Nederland) kan ik me niet herinneren dat ‘ie ooit bij is geweest.”

Gedurende de periode van 1 december 2002 tot en met 30 juni 2005 dat Kraaijer bij WISE werkte, vonden er veel antikernenergie acties plaats, waarvan tien door WISE werden georganiseerd. Behalve de actie in Parijs is Kraaijer in zijn auto naar Goes gereden om posters te plakken en was hij aanwezig op de dijk bij Borssele. Kraaijer schrijft met geen woord over de acties van WISE op 24 april 2004, 23 juni 2004, 5 september 2004, 24 februari 2005, 3 maart 2005, 14 april 2005, 21 april 2003 en 23 april 2005. Net als bij zijn ‘spionage’werk bij AFA beschrijft Kraaijer in het hoofdstuk over WISE alleen de acties waar hij echt bij aanwezig is geweest. Dat patroon herhaalt zich bij zijn ‘werk voor de dienst’ rond dierenrechten.

Paul is eigenlijk geen actievoerder, iets wat hij al in het eerste interview van 13 juli 1991 met de Zwolse Courant beweert. Hij is eerder een soort administrateur voor de clubs waaraan hij deel heeft genomen, maar beslist geen administrateur van de actievoerders, hun motivaties, achtergronden en acties. Kraaijer documenteerde de acties waaraan hij deelnam, en personen die al veelvuldig waren geportretteerd. Achteraf probeert hij zijn verhalen over de weinige acties die hij heeft gevoerd spannender te maken dan ze zijn geweest. Dat roept eerder vragen op over de betrouwbaarheid en zorgvuldigheid van de informatie die hij heeft doorgegeven en die in dossiers wordt vastgelegd door de dienst, dan over het gevaar dat de groepen en mensen die hij bespioneerde zouden vormen voor de samenleving.

Aanzetten tot of vissen naar?

Kraaijer’s verhaal over zijn ‘infiltratie in de dierenrechtenwereld valt uiteen in zijn werk voor de ADC, drie buitenlandse reizen en het volgen van de vegan streaker’. Bij de ADC ging het Paul vooral om de woordvoerder, maar hij omschrijft hem als een ‘zeer sympathieke vent.’ Op de volgende pagina van zijn online-publicatie verdedigt hij de ADC tegen de ‘AIVD’er Marisa’ die volgens Kraaijer vooringenomen zou zijn en negatief zou denken over activisten. In de pagina’s voorafgaande aan de verdediging van Kraaijer beschuldigt hij de ADC van twee gezichten, maar moet ook toegeven dat hij niet over bewijs beschikt.

Erg succesvol was de operatie van Kraaijer ook niet, want het project Sciencelink werd op 15 april 2008 afgeblazen. De dierenrechtenbeweging vierde daarop haar overwinning en de media portretteerden deze als zodanig. Kraaijer schrijft op de website animalrights.nl: ‘Succes!! ScienceLink in Venray is definitief van de baan!!’ Een ander succes van de Anti Dierproeven Coalitie vermeldt Kraaijer eveneens niet. Op 13 september 2008 werd het Philip Morris laboratorium in Leuven gesloten mede door acties van de ADC.

In hoofdstuk 14 van de online-publicatie komen naast Sciencelink enkele algemene opmerkingen over zijn betrokkenheid bij de demonstraties aan bod. Kraaijer schrijft dat hij eerste klas reisde en daar een broodje bal gehakt at. ‘Wanneer ik toevalligerwijs met een activist gelijktijdig met de trein moest reizen en ook nog eens met dezelfde trein, dan zocht ik altijd een geloofwaardig excuus om een trein later te nemen’.

Als Paul van 2008 t/m 2010 bij zo’n 30 acties aanwezig is geweest, dan is hij minder vaak met de trein gegaan dan hij beweert. Een van de actievoerders van de ADC herinnert zich namelijk nog heel goed dat hij “Paul altijd in de auto rond reed van en naar acties.” Hij noemt de ontboezeming van Paul “bizar.” “Vooral door zijn sjofele uiterlijk, bijvoorbeeld een mond vol rotte tanden, was hij goed vermomd. En hij leek altijd erg begaan met de dieren.”

De ‘chauffeur’ van Kraaijer voegt eraan toe dat Paul “het altijd over zijn problemen met de overheid had, zoals problemen met zijn uitkering. Hij had het ook vaak over zijn geweldige cv en over hij het feit dat hij in de gemeenteraad had gezeten.” De dierenactivist zegt nooit enige verdenking tegenover Paul te hebben gekoesterd in de tijd dat hij met hem in de auto zat. Kraaijer praatte immers vooral over zichzelf en vroeg weinig door.

Een andere jeugdige activiste herinnert zich Paul ook nog goed. “Ik deed mee aan demonstraties van de ADC. Na een protestactie reed ik soms met mensen mee die mij dan afzetten op een station. Paul reed ook vaak mee. Tijdens de demonstraties had ik contact met hem. De protestacties vonden gemiddeld eens in de twee maanden plaats.”

Net als bij WISE vertelt Paul haar trots over zijn AFA verleden en vist hij bij de jonge vrouw naar informatie over komende AFA acties. De activiste was echter helemaal niet met AFA bezig. Ze kende de antifa-scene niet en was er ook niet in geïnteresseerd. Het was echter opvallend dat Kraaijer er steeds op terugkwam.

“Soms probeerde hij mij apart te spreken te krijgen over een actie in de buurt van Zwolle. Hij probeerde informatie over acties van AFA op te doen, maar aangezien ik daar niet bekend mee was, vroeg hij of ik dan niet geïnteresseerd was in antifascistische acties. Hoewel ik hem al regelmatig had duidelijk gemaakt dat ik geen interesse had, begon hij er toch met regelmaat over.”

Ze had het gevoel dat Paul probeerde uit te vogelen of ze ergens bij betrokken was. Ze reisden regelmatig samen in de auto of per trein, tweede klas. Ze had al snel het vermoeden dat hij vlees at, maar vond het geen vervelende man. Of hij provocateur was kan ze niet zeggen, maar “ik had sterk het gevoel alsof hij me ergens bij wilde betrekken”, vertelt ze. Dat vlees eten was bij meer actievoerders bekend. Aan de vegan streaker had hij verteld dat hij “dode dieren” at.

Als ze nadenkt over wat Kraaijer over haar verteld zou kunnen hebben aan de AIVD, haalt ze haar schouders op: “Dat ik hier en daar bij een infostand sta en flyers over dierenleed uitdeel en meedoe aan dezelfde demonstraties waar hij aan deel heeft genomen.” Demonstraties die allemaal via een persbericht worden aangekondigd. Een andere jonge activiste bevestigt het verhaal over Paul’s interesse voor AFA acties. “Hij vroeg wel eens wat ik van geweld tegen nazi’s vond en zei dan dat hij daar zelf niets mee had. Het was niet echt een discussie. Hij vroeg ook wat ik dan bij AFA deed.”

Net als de vriendelijke woorden van Paul over de woordvoerder van de ADC, geeft hij in zijn online-publicatie ook advies over de actiemethoden van deze organisatie. ‘Het is niet mijn manier van ‘actievoeren’. Uiteindelijk zetten dergelijke brieven ook geen zoden aan de dijk, ze werken juist averechts en kunnen zich tegen de dierenrechtenorganisatie keren.’ Hij duidt hiermee op de protestbrieven die per mail en post naar bedrijven kunnen worden gestuurd. Kraaijer ziet er geen heil in, ook niet in het demonstreren voor de poort ‘in weer en wind.’

Over zijn actieve jaren voor AFA schrijft Kraaijer ook dat hij niet te porren was voor demonstraties tegen extreem-rechts, terwijl hij zijn grootste lokale faam verwierf door het organiseren van een demonstratie tegen CP’86 in februari 1996. In interviews en via zijn niet aflatende stroom ingezonden brieven maakte hij begin jaren ’90 duidelijk dat de strijd tegen extreem-rechts met de pen moest worden gevoerd. Ruim tien jaar later ziet hij daar geen heil meer in als het om de dierenstrijd gaat.

Of toch wel? Een paar pagina’s verderop moet hij toegeven dat ‘die export uiteindelijk door een internationale campagne van dierenrechtenorganisaties met vele internationale protesten en acties, en door protesten van de Anti Dierproeven Coalitie in Nederland en België, niet doorgegaan is en de apen in de fokkerij in vrijheid werden gesteld. Het was, na ‘Venray’, weer een groot succes voor de ADC. Vele uren hadden activisten van de ADC staan protesteren en schreeuwen voor het Nepalese consulaat. […] Het aantal activisten was echter nooit meer dan vijftien. Eén van de andere vormen van protest tegen de export van makaken uit Nepal waren de zogenoemde email-alerts. Met geringe middelen en met weinig mensen kan een organisatie als de ADC toch veel bereiken.’

Zijn conclusie van twintig pagina’s eerder moet hij volledig bijstellen. ‘Effectief actievoeren’, concludeert hij. Drie pagina’s later is hij opnieuw van mening veranderd: ‘Alle acties, protesten en demonstraties tegen de proefdiersector door de Anti Dierproeven Coalitie en SHAC Nederland hielpen de proefdieren niet.’ Waarom nam hij dan deel aan acties van de ADC? Omdat hij gestuurd was door de AIVD, zoals hij zelf schrijft? ‘Ik ging zeer veel mee met actiedagen en protesten op verzoek van de AIVD. Het was mijn werk.’ Of omdat hij erkenning kreeg en een ‘rol’ vervulde bij een dierenrechtenorganisatie?

Paul schreef persberichten, verhalen en andere stukken voor de club en net als in zijn tijd rond Surinaamse kernenergie, Nicaragua en AFA schreef en administreerde hij naar hartenlust. Dit deed hij in eerste instantie op de website van de ADC, maar Kraaijer wilde erkenning voor zijn werk, zijn schrijfsels. Die erkenning zocht hij al tijdens zijn werk als vrijwilliger bij FNV Jongeren, toen het om zijn gaven als typist op de elektrische typemachine van de vakbond ging. Bij het scholenbouwproject waande hij zich een communicatiedeskundige en archivaris die een evaluatie van 500 pagina’s in elkaar zette. Bij AFA en GroenLinks was hij op zoek naar erkenning voor zijn kennis over demonstratierecht voor extreem-rechts. Bij de Koerden en GroenLinks etaleerde hij zijn deskundigheid op het terrein van de mensenrechten in Turkije. Paul wilde gezien worden, niet de saaie man van de griffie zijn, maar Kraaijer de journalist met connecties.

Hij startte na een bezoek aan zijn vriendin in Suriname eind september 2008 naast zijn persoonlijke hyves pagina’s een ‘animal news’ hyves pagina. Die pagina kwam niet van de grond, maar naast zijn ‘Kraaijer schrijft’ blog begon hij eind 2008 ook een ‘animals in the news’ blog (animals-in-the-news.blogspot.com). Dit komt wel van de grond en van begin januari 2009 tot en met februari 2011 plaatst hij meer dan duizend berichten op die pagina. Het zijn vooral berichten uit de media over dieren, ‘zwerfkatten omgeving Vondelstraat Alphen aan den Rijn’, actiegroepen, ‘PETA wil einde gebruik dieren voor experimenten in Marquette Universiteit Milwaukee (VS) – Kikkers gedood door klap hamer op kop’, maar vooral Suriname.

Paul publiceert alles over Suriname op zijn ‘animals in the news’ blog: ‘Herstel Carolinabrug schiet niet op – Bewoners dorpen Para-Oost dreigen wegen in Para en vaargeul in Surinamerivier te blokkeren.’ Deze Surinaamse berichten zijn Paul niet vreemd. Het komt niet alleen door zijn liefde voor Suriname, Kraaijer probeert ook voet aan de grond te krijgen binnen de wereld van de Surinaamse journalistiek. Het blog is een archief, naslagwerk. Hij had al enige naam gemaakt met zijn onderzoekswerk naar de bouwplannen voor een kerncentrale, thans gebruikt hij zijn kennis uit de dierenrechtenwereld voor zijn eerste grote artikel in Parbode.

Het maartnummer van dit tijdschrift bevat een artikel van vier pagina’s van de hand van Kraaijer. ‘Wisse dood als proefdier, Surinaamse aapjes belanden in laboratoria’, zo luidt de titel. Kraaijer verdient geld met het verhaal voor Parbode. “Volgens zeggen stuurde Paul elke week een brief aan zijn vriendin in die bekende gele enveloppe. Tussen al de A4tjes zat ook nog wat papiergeld. Het geld dat Paul verdiende van de Parbode werd naar zijn nieuwe geliefde, Jacintha, in Paramaribo ‘overgemaakt’. Zo bleef dat uit het zicht”, legt een bron uit.

Net als bij AFA en WISE gebruikte Paul zijn activiteiten voor zijn eigen hobby’s. Bij AFA ging het om zijn expertise op het terrein van het demonstratierecht voor extreem-rechts, bij WISE om kernenergie in Suriname en bij de ADC om de verkoop van zijn journalistieke capaciteiten in Suriname. Dit zegt veel over zijn daadwerkelijke interesse in actiegroepen en zijn politieke inzichten. Niet voor niets meldde de ADC dat Kraaijer veel voor hen betekend heeft, ook al was hij dan een informant. Paul zette zijn capaciteiten maximaal in om misschien te spioneren, maar eerder om zijn eigen cv op te krikken.

Kraaijer ‘diep geïnfiltreerd’?

In hoofdstuk 15 van de online-publicatie beschrijft Paul de protesten van de ADC tegen Harlan. Op pagina 82 haalt hij een artikel uit de Volkskrant van 18 januari aan waar hij zelf niet in wordt genoemd: ‘Twintig jongeren en een grijzende dame protesteren tegen dierenfokker Harlan.’ Paul ontbreekt die dag. Kraaijer concentreerde zich na ‘zijn geslaagde binnenkomst bij de ADC’ op een artikel over de december-demonstratie bij Sciencelink voor de ADC, maar vooral ook voor zijn eigen blog, op dat moment nog ‘Kraaijer schrijft’.

Vervolgens interviewde hij de vegan streaker op 29 april 2008, nam deel aan een spontane actie bij het hotel en congrescentrum Koningshof in Veldhoven op 29 mei 2008, maakte in juli een reis naar Londen voor een Stop Huntingdon Life Sciences (SHAC) demonstratie en bezocht augustus 2008 een internationale dierenrechten bijeenkomst in Zweden, de animal rights gathering.

In detzelfde jaar zocht Paul nog een vorm om zijn artikelen kwijt te kunnen. De Anti Dierproeven Coalitie is tevreden over zijn werk, maar Kraaijer wilde over meer kwesties schrijven. Hij plaatste deze berichten op animalrights.nl, maar niet op zijn eigen site. In september begon hij een hyves pagina en eind 2008 een eigen weblog.

Animalrights.nl was een blog met berichten over dierenrechtenactivisme, Animal Rights Media. De betrokkenen herinneren zich Paul nog. “Hij heeft nooit een functie bij ons gehad, hij postte wel eens berichten, maar verder niet.” Kraaijer zegt zelf in zijn online-publicatie dat hij ‘redacteur’ was en dat hij de ‘redactiestatuten’ heeft weten te bemachtigen. De beheerders reageren een beetje verbaasd: “Wij waren de meest ongeorganiseerde bende bij elkaar. We hadden wel enkele richtlijnen wat niet als toelaatbaar werd geacht. Sexisme, racisme en dat soort zaken. Een redactiestatuut, hmm nooit van gehoord.” Paul omschrijft het blog als zijnde ‘amateuristisch’ en ‘zonder beleid’.

De betrokkenen geven nogmaals aan dat “Kraaijer organisatorisch op geen enkele wijze betrokken is geweest bij Animal Rights Media. We hebben hem wel een keer benaderd om te praten over het format en of hij daar ideeën over had”, geven ze toe. “Hij was toen juist positief over het format. Hij vond wel dat de uitstraling iets beter kon en met die kritiek zijn we destijds dan ook aan het werk gegaan.”

Net als bij AFA bleek Kraaijer op betrekkelijk eenvoudige wijze te zijn ‘binnengedrongen’ in de dierenrechtenwereld. Paul omschrijft het zelf als ‘binnendringen’, infiltreren, maar veel acties waar hij aan deelnam, hadden een betrekkelijk open karakter. De vegan streaker was dan wellicht van zins om in Makkum in zijn onderbroek voorbij de koningin te rennen, maar dat is in wezen hetzelfde als bij de tv-show van Paul de Leeuw op bezoek gaan of bij Jumping Amsterdam half naakt rond te rennen.

Kraaijer: ‘Weer thuis nam ik uiteraard meteen contact op met mijn AIVD-contact. Verslag doen.’ Hij moest zelf bekennen dat zijn informatie mogelijk had geleid tot de arrestatie van de streaker op 30 april 2008. ‘De kans dat hij werd opgepakt vanwege door mij verstrekte informatie aan de dienst, was dan ook zeer klein.’ Het gratis dagblad Dag berichtte op 2 mei 2008 als volgt over de aanhouding: ‘De politie arresteerde in Makkum de vegan streaker, die eerder de televisieshow van Paul de Leeuw verstoorde door daar uit de kleren te gaan. Hij werd opgepakt nog voordat de koninklijke familie in de Friese plaats aankwam.’

De actie van de ADC tegen een congres van biotechnologen in Veldhoven (30-10-1988) beschrijft Paul als een gewaagd stukje informantenwerk. Hij had zijn speciale ‘AIVD’ mobiele telefoon op zak, alsof hij even bij mister Q op bezoek was geweest. En het lukte hem toch in de chaos de dienst te waarschuwen. ‘Meteen na aankomst in Veldhoven en nadat de auto’s geparkeerd waren op een paar honderd meter verwijderd van het conferentiecentrum, kon ik al, lopend naar de actielocatie, korte sms-berichtjes versturen.’

Wie foto’s van de actie bekijkt, ziet een groepje demonstranten dat buiten het congrescentrum Koningshof de rust verstoort. Zelfs een bijeenkomst die in het teken stond van de vraag ‘hoe om te gaan met dierenactivisten’ ontsnapte niet aan de aandacht van de ADC. Koningshof had een eigen beveiliging die de politie alarmeerde, maar die was niet meteen ter plekke. Hoe dicht de activisten de conferentie konden benaderen, bleek nadat een van de demonstranten werd gearresteerd op verdenking van het ingooien van een van de ramen.

Acties van dierenrechtenactivisten duren meestal een uur of twee, op dezelfde dag wil men op andere locaties ook een stem laten horen. Of Kraaijer met de ‘speciale AIVD telefoon’ zijn runner heeft kunnen bereiken is onduidelijk. Paul beweert van wel, maar zijn contact met de dienst zal in dit kader niets hebben uitgemaakt. Het is eerder onwaarschijnlijk dat de inlichtingendienst op dat moment interesse had in een bericht van Kraaijer.

De AIVD is namelijk geen opsporingsinstantie die verdachten arresteert. De dienst verzamelt informatie over buitenparlementaire (actie)groepen. Daarbij gaat het veel minder om strafbare feiten, maar meer om structuren, namen, contacten en andere inlichtingen die in persoonsdossiers, groepsdossiers en andere databanken belanden. Eigenlijk is het niet in het belang van de AIVD dat Kraaijer tijdens een actie met hen contact opneemt. De kans is aanwezig dat hij ontdekt wordt waarna zijn informantenrol is uitgespeeld. Dat is wel het laatste wat de dienst wil.

Ook zijn reis naar Londen in juli 2008, in het kader van deelname aan een demonstratie tegen Huntingdon Life Sciences (HLS), Europa’s grootste proefdiercentrum, blijkt een vreemd samenraapsel van informatie over informatie te zijn geweest. Paul wilde ‘heel graag met eigen ogen HLS wel eens zien.’ Natuurlijk was de AIVD enthousiast, meldt Paul. Ze waren zo verguld dat ze iemand meestuurden en MI5 van de komst van Kraaijer op de hoogte stelden. ‘Mijn komst werd door de AIVD gemeld bij haar Britse collega’s die waarschijnlijk blij waren met mijn komst en logeerpartij bij een Britse SHAC-activist. […] Mijn vrouwelijke AIVD-contactpersoon was overigens aanwezig in Londen en in Peterborough. Zij hield mij op afstand ‘in de gaten’. Ik voelde me door haar aanwezigheid veiliger en niet ‘alleen’.’

Hoe wist Kraaijer dat de geheime diensten van Nederland en het Verenigd Koninkrijk hem op de voet volgden? Hadden ze dat toegezegd? Bij zijn eerdere reis naar het Zwitserse Évian in de zomer van 2003 voor de anti-G8 protesten was alles mislukt. ‘Thuis gekomen stelde ik een lange brief op met kritiekpunten op de gang van zaken en de mededeling dat ik per direct stopte met mijn werkzaamheden voor de BVD’, schreef hij na zijn dagtrip op en neer.

Hij schreef dat hij zich niet op zijn gemak voelde bij de Nederlandse activisten in Evian, at en sliep zelfs niet of slecht. De Britse actievoerders ontvingen hem echter met alle egards. Ze stelden zelfs hun computers aan hem beschikbaar als hij zijn mail wilde checken. Was Paul dan toch bang dat de AIVD hem weer niet was gevolgd? Kraaijer vond de betoging bij HLS allemaal maar niets, want hij rende na afloop naar de ‘warme broodjes kip curry’ na bevrijd te zijn van de activisten.

Een belangrijk deel van de reis was niet zozeer het bespioneren, maar ‘HLS met eigen ogen zien’ en ‘een artikel voor mijn eigen weblog’ schrijven. Tegen een van de mensen die hem in Londen ontving schepte hij op over een ‘internet news agency for activism’ dat hij zou beginnen. “I just have a general memory that he was unusual. I remember him as being quiet and polite but also very sure of himself, confident. I would not say I suspected him as an informer, or agent, more that I thought by his behaviour he was a journalist rather than an activist. I think he gave the impression he was there to report on the demo rather than take part. He spoke a lot about a press agency he ran, and seemed more interested in that and how the movement works, than about the issues”, vertelt een bron uit Engeland.

Paul bevestigt dit in zijn eigen publicatie. ‘Dat deed ik vaak, verslagen en artikelen schrijven, als ‘dierenrechtenactivist’ en niet als de persoon Paul Kraaijer en ook niet als de freelance-journalist Paul Kraaijer’. Hij publiceerde altijd onder zijn eigen naam, soms als Paul, maar het emailadres was dan weer een verwijzing naar Paul Kraaijer. En op zijn weblog door kraaijer-schrijft.blogspot.com in 2008 en animals-in-the-news.blogspot.com in 2009 presenteerde hij zich als ‘freelance journalist’ op zijn profiel.

Paul deed het voor komen alsof het heel bijzonder was dat hij bij de activisten mocht slapen. ‘De ADC had mij met de mensen in Engeland in contact gebracht en daar was de AIVD zeer content mee. Natuurlijk, immers hieruit werd duidelijk dat de ADC wel mensen van de radicale SHAC goed kende. Mijn introductie door de ADC bij de Engelsen was dan ook veelzeggend en voor die activisten gaf dat voldoende grond om mij volledig te vertrouwen’.

De personen waar hij verbleef, moeten achteraf om zijn verhaal lachen. “He was unusual and was somewhat overweight, obese even. Paul was just one of many people who came to stay with us over the years, we get activists from all over the world staying, and many come to stay with us without recommendation, so it was not at all difficult for him to get to stay at our place. We are legal campaigners, not underground guerillas, and involved in many different campaigns, SHAC is only one of them. A recommendation from ADC was not necessary, he just could have passed by.”

Na de Britse reis lijkt Kraaijer de smaak te pakken te hebben. Ook al staat kamperen en andere ongemakken hem tegen, toch besluit hij augustus 2008 vijf dagen lang met dierenrechtenactivisten op te trekken voor een International Animal Rights Gathering bijeenkomst in Zweden. ‘Ik zag er wel wat tegenop. […] Een paar dagen voor mij geen vlees.’ Hij beschrijft het als een grote opoffering. Zo erg zelfs, dat hij verzwakt naar Nederland terugkeert. ‘Ik kreeg daar veganistisch eten voorgeschoteld. […] Ik verzwakte ook echt en viel enkele kilo’s af tijdens die dagen’.

De AIVD had Paul dan wel, naar eigen zeggen, op pad gestuurd, maar van harte ging hij niet. Niet alleen vanwege de fysieke omstandigheden, ook om het gezelschap. ‘Het waren vooral Nederlandse activisten uit de hoek van de meer radicale en jonge organisatie Respect voor Dieren. Af en toe waren ze ook aanwezig bij activiteiten van de Anti Dierproeven Coalitie. Slechts één activist van de ADC was aanwezig. Het waren dan ook niet ‘mijn’ activisten: te jong, te impulsief, te onervaren, te naïef.’

Waarom schrijft Paul ‘mijn’ activisten? Is dit soms een verwijzing naar zijn tijd bij AFA toen hij ook een onderscheid maakte tussen de serieuze antifascisten en ‘schreeuwers’, zoals zijn eerdere betoog om zich in Utrecht te laten arresteren? Was de ADC soms de nieuwe AFA voor hem? Zijn werkzaamheden voor beide clubs waren vergelijkbaar. Hij trok samen met de woordvoerder op, stelde persberichten samen, bezocht enkele demonstraties en ‘archiveerde de beweging’. Dit keer niet op papier via knipselkranten, maar via een blog.

En ook nu weer stelde hij zich bijzonder fanatiek op en wilde overal bij zijn. Niet als actievoerder, maar als geobsedeerde journalist. In twee jaar tijd documenteerde en publiceerde hij er vrolijk op los betreffende het thema dierenrechten. Bij AFA was zijn obsessie nog niet de journalistiek, hoewel hij met zijn uiteenlopende publicaties al wel die kant opging. Bij AFA ging het om de periode eind 1993 tot en met begin 1996. Bij de ADC en andere dierenrechtenorganisaties om de periode van eind 2007 tot begin 2010.

Op zijn reis naar Zweden voor de Animal Rights Gathering wordt Kraaijer opnieuw begeleid door een ‘AIVD-medewerkster’. Hoe Paul dit heeft geweten, maakt hij niet duidelijk, maar hij is er wel zeker van. ‘Op afstand was een AIVD-medewerkster in Zweden aanwezig. Haar aanwezigheid duidde op het belang dat de dienst hechtte aan mijn werkzaamheden, die niet zonder risico’s waren.’

Hoe had Kraaijer echter kunnen opvallen als zijnde informant tussen de activisten? Hij was al enigszins bekend onder hen. Bij de ADC vertrouwden ze hem. Hij was volstrekt niet radicaal, geen provocateur, maar enkele jonge activisten van rond de 16/17 jaar oud hadden wel het gevoel dat Paul ze in een bepaalde richting wilde duwen. De aversie die hij in zijn publicatie beschrijft van ‘te jong, impulsief, onervaren, naïef’ was in kringen van het dierenrechtenactivisme niet opgevallen. Hij trok juist naar die jonge activisten toe, leek zich over hen te willen ontfermen.

Volgens eigen zeggen was het risico aanwezig dat hij ”s avonds in zijn tentje stiekem met de dienst belde om af en toe verslag te doen.’ Hij belde dan de nieuwtjes van de dag door, maar het is onduidelijk wat dat inhield. Hij schrijft namelijk ook dat hij gedurende die dagen ‘natuurlijk geen aantekeningen, journaaltjes, kon maken en dat hij dan ook sterk afhankelijk van zijn geheugen was.’

Een van de aanwezige Nederlanders weet zich nog goed te herinneren dat Kraaijer juist wel aantekeningen zat te maken of probeerde te maken. “In Zweden bezocht hij met name workshops over dierenbevrijding. Er was een akkefietje, waarbij een van de Zweedse activisten hem heeft aangesproken op het feit dat hij notities zat te maken tijdens de workshop.” Wat tevens opviel is dat Kraaijer vooral mensen “met een behoorlijke staat van dienst” opzocht.

Dit valt ook op te maken uit zijn online-publicatie. Kraaijer probeerde op de bijeenkomst allerlei bekende dierenrechtenactivisten die vaak lange gevangenisstraffen achter de rug hadden, te benaderen. Erg dichtbij deze mensen kwam hij niet, en het is dan ook onduidelijk wat zijn motieven zijn geweest. Om inlichtingen te verzamelen of juist in het kader van een artikel? Om de AIVD een dienst te bewijzen, of vanwege zijn eigen carrière?

Aan de andere kant had hij weer veel contact met de jonge garde, waar hij volgens zijn online-publicatie op neer keek. Kraaijer was echter een buitenbeentje bij demonstraties. Jonge activisten waren nog enigszins onzeker en gevoelig voor de oudere Kraaijer. Hij maakte op sommige van deze jongeren indruk, terwijl hij aan de andere kant met enige argwaan werd bekeken. Bij het schrijven van zijn online-publicatie kan hij zijn rol als informant hebben ingekleurd aan de hand van de ‘bekende’ dierenrechtactivisten, de woordvoerder van de ADC en de vegan streaker. Hij had contact met deze ‘bekenden’, maar had hij ook contact met anderen in de groep?

Streaker Kraaijer

Naast de woordvoerder van de ADC zocht Kraaijer namelijk ook contact met de vegan streaker. Hij wilde hem interviewen voor zijn blog. Dat gebeurde op 29 april 2008, de dag voordat de streaker werd aangehouden in Makkum, waar de koningin op bezoek was. Kraaijer moest twee jaar wachten voordat zijn artikel door de landelijke pers werd opgepikt. ‘De pers was toen nauwelijks geïnteresseerd in de vegan streaker. Dat veranderde op het moment dat hij verdacht werd van het plegen van een aanslag op de koningin. Toen werd ik door diverse journalisten benaderd die wilden weten wie ‘de persoon’ vegan streaker eigenlijk was. Die journalisten hadden op het internet mijn artikel gevonden.’

De streaker is begin 2008 al een bekende Nederlander geworden vanwege zijn actie tijdens een programma van Paul de Leeuw. Zijn gezicht is sinds maart 2008 bij half Nederland bekend. Kraaijer schrijft: ‘Na het interview liepen we ‘s avonds samen naar het NS-station waar hij de trein nam richting Assen. Op het perron werd hij nog door enkele jongeren herkend.’ De streaker was dus een opvallende verschijning en zijn aanhouding en zes uur vasthouding op 30 april 2008 kan volstrekt toeval zijn geweest. Kraaijer zegt namelijk op de eerste pagina van hoofdstuk 22 van zijn publicatie: ‘Met de vegan streaker raakte ik tot zekere hoogte ‘bevriend’. Maar, hij lichtte me nooit vooraf over zijn acties in. Een echte ondergrondse activist dus.’

De vegan streaker is bekend geworden door zijn openbare acties: kleren uittrekken en in je onderbroek over het terrein met veel publiek rennen om aandacht te vragen voor jezelf en/of een publieke zaak. Voor zijn streakactie bij Mooi! Weer de Leeuw op 1 maart 2008 was de streaker al uit de kleren gegaan op 27 januari 2008 (Jumping Amsterdam) en 24 februari 2008 tijdens het ABN Amro world tennis tournament. De streaker is ook bekend geworden vanwege een nertsenbevrijding in Zeeland, een actie waarbij journalisten van de Nieuwe Revu bij aanwezig waren. De streaker werd korte tijd na deze actie aangehouden.

Na het interview van Paul met de streaker op 29 april 2008 nam Kraaijer meteen contact op met zijn runner. ‘Weer thuis nam ik uiteraard meteen contact op met mijn AIVD-contact. Verslag doen.’ Of dit aanleiding is geweest voor verscherpt toezicht in Makkum bij Koninginnedag 2008 is niet duidelijk.

De Gelderlander bericht een jaar later (23 juli 2009), nadat de streaker rond 30 april weer wordt aan gehouden maar ditmaal in Zeeland: ‘De vegan streaker die is aangehouden omdat hij een aanslag op de koningin zou hebben beraamd, is vorig jaar op Koninginnedag ook al opgepakt in Makkum. Beatrix en haar familie vierden daar die dag feest. De politie had toen aanwijzingen dat activist Peter Janssen met een inwoner van Assen de openbare orde wilde verstoren.’

Paul schrijft dat hij in de psyche van de vegan streaker is gedoken. Hij interviewde hem, sloot naar eigen zeggen vriendschap, alsmede met diens ex-vriendinnen en hun familie. Uiteindelijk ontmoette Paul eenmalig de vader van een ex-vriendin en de streaker zelf vier keer. Maar Paul zocht vooral contact met de ex-vriendinnen van de streaker, zowel lijfelijk als via internet. Volgens Kraaijer wilde de AIVD ‘alles over en van die bijzondere activist’ weten.

Paul was echter zelf ook gecharmeerd van de streaker. ‘Ik wilde hem interviewen voor een mooi human interest artikel voor mijn journalistieke weblog en had hem uitgenodigd. Dat interview was mijn eigen initiatief en dus niet op verzoek van de AIVD.’ Wilde de AIVD nu alles van de streaker weten, of Kraaijer zelf? In de online-publicatie schrijft Paul dat hij ‘heeft getracht om na die nertsenbevrijdingsactie voor de AIVD te achterhalen wie er bij die actie betrokken waren geweest. Maar, niemand binnen de groep dierenactivisten die ik kende wist iets. Vermoedens, die waren er, niets meer en niets minder. Vermoedens werden niet uitgesproken.’

We hebben het hier over de nertsenbevrijding van 15 maart 2009 in Stavenisse waar de vegan streaker uiteindelijk voor veroordeeld is. Kraaijer zat bovenop de planning van deze bevrijding. Op 2 februari 2009 neemt Kraaijer samen met de streaker deel aan een demonstratie van de ADC in Leuven en Brussel. Hij zit bovenop de voorbereidingen van de nertsenbevrijding, maar heeft zelf niets door.

‘De arrestatie van de streaker volgde overigens bijna gelijktijdig met de publicatie van een verslag van de nertsenbevrijdingsactie in het weekblad Revu. De fotograaf van dit blad had de streaker ontmoet tijdens een actiedag van de Anti Dierproeven Coalitie in België. Ik was daarbij aanwezig en zat aan het tafeltje in een café, tijdens een pauze tussen twee protesten door, met die fotograaf en de streaker. […] Mogelijk is op dat moment een blijvend contact ontstaan tussen de vegan streaker en de fotograaf.’

De rol van Kraaijer met betrekking tot de streaker is onduidelijk. Hij beweert de actie in Makkum op Koninginnedag 2008 doorgegeven te hebben aan de AIVD. Over de aanstaande nertsenbevrijding in Stavenisse zou hij slechts geruchten en vermoedens aan de dienst hebben doorgegeven. Zo schrijft Paul bijvoorbeeld dat de streaker naïef was, maar ook gewelddadig en dat er ‘een draadje bij hem los zat’. Over de betreffende nertsenbevrijding publiceert hij dat het ‘de zoveelste naïeve, ondoordachte actie van de streaker was.’

Omtrent de arrestatie van de streaker in Makkum op verdenking van het plegen van een aanslag op de koningin heeft Kraaijer zo zijn twijfels. Paul kan zich ‘simpelweg niet voorstellen dat de streaker met een vuurwapen op de koningin zou schieten. Ik kan me simpelweg niet voorstellen dat de streaker überhaupt een vuurwapen in zijn handen zou kunnen houden.’ Aan de andere kant zegt hij over de aanhouding: ‘Immers, koningin Beatrix zou haar verjaardag in onder andere Middelburg gaan vieren en dan kun je maar beter geen vegan streaker vrij in de buurt hebben rondlopen.’

Op pagina 112, 120, 121 en 122 van de online-publicatie heeft Paul het over een vuurwapen dat de streaker in bezit zou hebben gehad en welke hij met een ex-vriendin is gaan zoeken. Die zoektocht in Loon op Zand is er nooit van gekomen, terwijl de AIVD hem daar wel toestemming voor had gegeven, beweert Paul. Desondanks gebruikt hij het woord vuurwapen of wapen in relatie met de streaker wel vijftien keer, om vervolgens het hoofdstuk af te sluiten met de conclusie dat de streaker ‘op hem overkwam als een jongen met een zachtaardig karakter die ‘voor de dieren’ wel eens bereid was om de grens van het wettelijk toegestane over te stappen.’

Bij het doorgronden van de ‘pysche van de streaker’ lijkt Kraaijer vooral ook nieuwsgierig naar de persoon en diens vriendinnen. Kraaijer beweert niets af te hebben geweten van de nertsenbevrijding en de ‘aanslag’ op de koningin. Op 20 april 2010 schrijft hij echter in een email aan de streaker: ‘Ieder jaar als Koninginnedag nadert kom ik er niet onderuit om aan je te denken […] haha. En nu helemaal, omdat Bea in Zeeland zal zijn’. Vervolgens duikt de streaker op in Zeeland en wordt wederom aangehouden. Over de verdenking betreffende een aanslag schrijft Kraaijer: ‘Laveren tussen ruzies, intriges, beschuldigingen in juli 2009 van ex-vriendin Nadi uit Amsterdam dat de vegan streaker een aanslag zou beramen op de Koningin.’

Heeft Kraaijer gelaveerd tussen vrienden, vriendinnen, actievoerders, familie en anderen, of slechts gestookt? In dezelfde mail verwijst Kraaijer naar een artikel met de kop ‘Dierenactivisten worden gewelddadig’ uit het tijdschrift Boerderij. ‘Met dit bericht zal de ADC niet blij zijn, want kennelijk wordt door de AIVD geïnsinueerd dat ADC zich nog steeds ook met illegale acties bezighoudt. De ‘kopstukken’ zijn vandaag trouwens aan het demonstreren in het Belgische Gent. Afgelopen zaterdag was een grote demo in Leuven. Alle bekenden waren er. Alleen […] niet, die de ADC heeft verlaten (maar wellicht had je dat al gehoord)’, bericht Paul aan de vegan streaker.

Kraaijer leek ook close met beide ex-vriendinnen van de streaker. Probeerde hij soms tussen de beide jonge vrouwen en de streaker te stoken? En was het verhaal over het vuurwapen in het bos van Loon op Zand wel afkomstig van een van de ex-vriendinnen, of had Paul daar een handje bij geholpen? Kraaijer klampte een van de actievoerders die bij het proces van de vegan streaker, mei 2010, aanwezig was aan en fluisterde hem toe: “De streaker is gevaarlijker dan je denkt.”

Kraaijer beweert dat hij contact met een van de ex-vriendinnen van de streaker heeft gehad om het wapen te gaan zoeken in een natuurgebied. Het is onduidelijk waarom Kraaijer dit bij de rechtszitting aan een andere actievoerder toevertrouwde. Kraaijer schrijft in zijn online-publicatie ook dat hij een keer ‘getuige was van een gesprek tussen twee dierenrechtenactivisten over de mogelijkheden en onmogelijkheden een brandaanslag te plegen.’

Enkele actievoerders die met Kraaijer in de auto hebben gezeten, herinneren zich een ander incident waarin Kraaijer een hoofdrol speelde. Onderweg naar Zwolle, waar Kraaijer zou worden afgezet bij het treinstation, zou Paul in de richting van een transportbedrijf hebben gewezen. ‘Moet daar niet eens wat gebeuren?’, zou hij aan de twee inzittenden hebben gevraagd. Een van de inzittenden herinnert zich het incident nog heel goed. “Verders is er niets gezegd.”

Dit voorval ligt in het verlengde van gewetensvragen die Kraaijer eerder voorlegde aan jonge activisten over radicale acties van AFA. Ze hadden het gevoel alsof hij probeerde uit te vinden of zij ergens bij betrokken waren, maar ook of zij ergens bij betrokken wilden worden. Kraaijer in zijn online-publicatie: ‘Ik heb getracht om na die nertsenbevrijdingsactie voor de AIVD te achterhalen wie er bij die actie betrokken waren geweest.’

Was hij alleen maar geïnteresseerd in het achterhalen van de betrokkenen? Of lag zijn interesse ook in de wat radicalere acties? Ook al was hij in kringen van dierenrechtenactivisten dan neutraal, daar buiten toonde hij zich van zijn radicale dierenrechten zijde.

Nadat een oude bekende uit de Koerdische kringen op 21 februari 2009 in de stationsrestauratie in Amersfoort met hem sprak over een NVU-demonstratie, was Kraaijer vol over zijn activiteiten binnen de dierenrechtenwereld. Onze bron was verbaasd over het enthousiasme waarmee Paul sprak over de dierenrechtenstrijd. “Hij sprak over de demo’s waar hij naartoe was geweest en vertelde dat hij dan vaak met iemand mee reed. Ik heb hem nog gezegd dat hij zich op deze manier wel in de kijker van de AIVD zou spelen, waarop Paul een beetje moest grinniken. Hij zei daar nog geen last van had, maar het maakte hem ook niet uit als dit wel het geval zou zijn.”

Een jaar later ontmoette onze bron Paul wederom. Kraaijer praatte honderduit over de vegan streaker. “Hij voegde er op een gegeven moment samenzweerderig aan toe dat de streaker allerlei dingen van plan was. Het leek net of hij erbij hoorde of dat hij het allemaal wist. Hij had het ook over een vuurwapen.” Onze bron reageerde verbaasd op dit onderhoud. Hijzelf heeft niets met dierenrechtenstrijd en snapte niet goed waarom Kraaijer dit allemaal aan hem vertelde.

Kraaijer presenteert zich als een selfmade informant, een man die het goed voor heeft met de actiegroepen die hij bespioneert. Hij schrijft ook dat hij invloed heeft gehad op het AIVD-beeld van de ADC en de vegan streaker. Hij lijkt de dienst te hebben ingefluisterd dat ze toch niet zo gevaarlijk waren. Aan de andere kant geeft hij toe dat de informatiestroom tussen hem en de dienst eenrichtingsverkeer betrof, in elk geval geen dialogen. De loyaliteit die Kraaijer had voor mensen binnen de ADC die hem een plek binnen de groep hadden gegeven en zijn werk waardeerden, is in conflict geraakt met zijn rol als verklikker.

In het interview in De Telegraaf staat zijn rol als informant centraal, maar bij zijn online-publicatie raakt hij in conflict met de geldende regels van de journalistiek. Zijn beschouwing van het goede en kwade van de ADC en de vegan streaker lezen als zijnde een hoor- en wederhoor met zichzelf. Hij heeft de dierenrechten-activisten niet zelf kunnen vragen naar hun mening, maar raakt verstrikt in de verdachtmaking die hij op hen heeft geladen door over hen te klikken. Daarom probeert hij ook angstvallig te bestrijden dat hij journalist is geweest in de tijd dat hij ook informant was.

Los van deze dubbelfunctie gaat het hem om ‘eerlijke’ journalistiek. De persoon of actiegroep waar je over schrijft moet je ook om de mening vragen. Dat heeft Kraaijer nooit gedaan, maar hij heeft wel een negatief beeld over de actiewereld gecreëerd bij de AIVD. In zijn online-publicatie worstelt hij daar duidelijk mee. Zijn het nu wel of niet legale actiegroepen met illegale activiteiten? Uiteindelijk toch niet, zo concludeert hij over de ADC, maar in de pagina’s die daaraan voorafgaan geeft hij steeds weer een andere mening.

Hetzelfde gaat op voor zijn rol als provocateur. Kraaijer zal dat zelf niet direct zijn geweest. Paul is niet de persoon om mensen aan te zetten tot, maar hij viste op een bepaalde manier. Hij was gefascineerd door radicale acties, dat voert terug tot zijn deelname aan de Havelte-blokkades. Daarom zocht hij toenadering tot de ‘bekende’ dierenrechtenactivisten. Hij vroeg mensen wat ze van bepaalde radicale acties vonden, maar eerder uit journalistiek oogpunt dan vanuit zijn informantenrol.

Zijn informantenrol en journalistieke praktijk zijn sterk met elkaar verweven. Voor Kraaijer zijn zij ook identiek aan elkaar. Dit sluit weer aan bij zijn apolitieke positie en strategie. Hij heeft geen politieke visie, is meer administrateur, documenteert de acties. Dat verschaft hem weer de kennis om jonge actievoerders te imponeren.

AIVD ervaringsdeskundige

Net als in de tijd van AFA-Zwolle ontpopt Paul zich aan het eind van de online-publicatie tot een deskundige. Tijdens zijn AFA-periode betrof deze deskundigheid ‘demonstratierecht van extreem-rechts’. Na zijn dierenrechtenperiode schreef hij een hoofdstuk over ‘de samenwerking met BVD, AIVD en RID.’ Hij is nu de inlichtingendienst-deskundige die met 25 jaar ervaring als informant aan het eind van zijn online-publicatie een aantal positieve aspecten en een aantal problemen aanstipt.

Hij heeft al die jaren hard gewerkt, voor een kleine vergoeding, maar de dienst kwam wel met papier, inkt, printer, enveloppen, een gestolen fiets (van het politiebureau) en een televisie aangesneld toen hij schrijfmateriaal nodig had of zijn apparatuur kapot ging. Kraaijer beïnvloedde de buitendienst-medewerkers van de dienst bij het samenstellen van het plaatje van de ADC, maar had helaas geen invloed op de schrijvers van het AIVD-jaarverslag over 2009. Paul beweert te hebben gesolliciteerd bij de inlichtingendienst, maar ‘een betaalde baan in dienstverband bij de AIVD was niet mogelijk.’

Eigenlijk begrijpt hij dat ook wel, want ‘de AIVD had nu eenmaal meer aan mij als ‘freelance infiltrant/informant’ tegen een gering ‘salaris’, dan wanneer ik formeel in dienst zou zijn.’ Door aan de inlichtingendienst alle informatie die hij bezat over de omvang van demonstraties, de risico’s, etc. door te geven, heeft hij volgens eigen zeggen de Nederlandse overheid veel geld bespaard. Kraaijer weet ook alles van de verhouding tussen de RID van de regio politie IJsselland en de AIVD. Zijn werk voor de RID Zwolle heeft hij tot zijn online-publicatie voor de AIVD geheim gehouden. ‘Zo mocht de AIVD ook niet weten dat ik van de RID een paar weken voor mijn vertrek naar Suriname een afscheidscadeau had ontvangen.’ Het cadeau van de RID Zwolle betrof een laptop, dat van de AIVD een enveloppe met geld.

Kraaijer heeft in een kwart eeuw ook heel veel buitendienst-medewerkers van de diensten leren kennen, schrijft hij. Zo heeft hij voor de RID Zwolle met ‘Hans’ en ‘Marcel’ gewerkt en voor de AIVD met ‘Arie Valentijn’ en vooral aantrekkelijke en sympathieke vrouwen zoals ‘Vera’ en ‘Marisa’, hoewel ‘Marisa’ toch niet zo aardig bleek omdat zij de ADC radicaal vond. Zijn contact met de RID was beter dan met de landelijke geheime dienst. De RIDers waren toeschietelijker en zorgden voor “heerlijke verse broodjes met beleg, vruchtensap en koffie.”

Zoals Paul de dierenrechtenbeweging nog van tips voorziet in zijn online-publicatie, zo heeft hij ook op- een aanmerkingen op het werk van de geheim agenten. ‘Die spontaniteit verraste me echter en kon eigenlijk niet. Ik had immers in Leiden gewerkt en had oude bekenden en/of collega’s kunnen treffen en die hadden mij dan in gezelschap kunnen zien van de AIVD-medewerkster’, schrijft hij. ‘Vera’ was net naar hem toegelopen en had hem een zoen gegeven. Kraaijer voegt daar bezwerend aan toe: ‘Ondanks alle veiligheidswaarborgen voor mij, waren er dus wel eens momenten dat daaraan onbewust – ingegeven door de situatie op dat moment – voorbij werd gegaan.’

Niet alleen ‘Vera’ ging wel eens in de fout. Ook ‘Hans’ nam het niet zo nauw met de regels. ‘Op een moment zag ik Hans van de RID Regio IJsselland lopen. Ik deed of ik hem niet zag, maar tot mijn verbazing zwaaide hij naar mij en tja, dat mag dus formeel absoluut niet’, schrijft Paul in het kader van zijn aanwezigheid bij een extreem-rechtse demonstratie op 30 augustus 2008 in Zwolle.

Zijn contact met ‘Hans’ was echter bijzonder, volgens Kraaijer. ‘Ons contact was dan ook op het randje van het persoonlijke. Een aardige vent en altijd is hij zeer behulpzaam geweest, kon hem dag en nacht indien nodig telefonisch bereiken.’ Deze RID’er was hem echter meteen vergeten toen Kraaijer uit Zwolle vertrok. Paul moet achteraf dan ook toegeven dat die ‘vermeende vriendschap’ gespeeld was.

Zelfs tot vlak voor zijn vertrek naar Suriname in augustus 2011 bleef Kraaijer actief voor de inlichtingendienst. Hij ‘moest’ een geprepareerde laptop overhandigen aan de vegan streaker. Dit gebeurde een dag voor zijn vertrek. Kraaijer beweert dat hij de streaker op 10 augustus 2010 aanschrijft. De mail: ‘Leef je nog? Ik probeer je te bereiken met sms’jes maar reactie blijft uit. Misschien is je nummer niet meer in gebruik. Alles goed? Nog twee weken, en ik ben weg uit Nederland.’

De streaker kwam een dag voor Paul’s vertrek bij hem langs in Zwolle. Het hele huis stond vol dozen. Kraaijer vertelde dat als hij iets van zijn bezit wilde, hij iets uit mocht kiezen. Vervolgens duwde Paul de streaker een laptop in de handen. De streaker was toen al een nationale bekendheid, diverse keren gearresteerd, veroordeeld voor het bevrijden van nertsen en vervolgens ook nog verdachte van een aanslag op de koningin. Volgens Paul was de inlichtingendienst zeer geïnteresseerd in de activist en zou de geprepareerde laptop alle data en bewegingen van de streaker in de gaten moeten houden.

Tien maanden later onthulde Paul dat hij een geprepareerde laptop aan de streaker had overhandigd, waarmee hij een dure onderzoeksmethode van de AIVD onbruikbaar had gemaakt. De bewuste laptop is naderhand onderzocht op ongebruikelijke connecties en hardware aanpassingen. Nu is nooit met 100 procent zekerheid te zeggen dat er geen achterdeur in het systeem zit, maar de kans dat de computer geprepareerd zou zijn, wordt door verschillende specialisten geschat op kleiner dan 1 procent.

Dit wil natuurlijk nog niet zeggen dat er niet is geknoeid met de computer, maar er is iets anders dat vreemd is aan het cadeau doen van een laptop aan de streaker. Deze dierenactivist staat bekend om zijn publieke acties. Zijn ideeën over streak-acties noteerde hij steevast in een notitieblokje en niet op een computer. Ook zijn contacten met journalisten en mede-actievoerders vond lijfelijk of telefonisch plaats.

De streaker omschrijft zichzelf als een digibeet, iemand die eigenlijk geen computer aanraakt. Hij heeft in de tien maanden dat de geprepareerde laptop zijn gangen moest nagaan, het apparaat dan ook maar een paar keer aangezet. Hij vond het gek dat Paul een nieuwe computer aan hem cadeau deed, maar raakte daar niet paranoia van omdat hij nu eenmaal weinig gebruik maakte van een pc.

Waarom gaf Kraaijer hem dan deze laptop cadeau? In zijn online-publicatie schrijft hij: ‘Maar, ik bleef ergens in mijn achterhoofd vraagtekens plaatsen bij mijn laatste ‘kunstje’. Mocht de AIVD zoiets wel doen? Was het wettelijk toegestaan? En zo ja, hoe vaak heeft de AIVD dergelijke ‘kunstjes’ in Nederland laten uitvoeren?’ Onze AIVD-expert wilde niet alleen bekend staan als de persoon die ‘een perfecte mol’ is geweest, zoals De Telegraaf hem portretteerde, maar ook de legale weg bewandelen, zoals hij in het kader van zijn AFA-periode steeds aangaf: naast expert ook criticaster van de dienst.

Of hij zijn werk als informant goed heeft uitgevoerd, dat weet eigenlijk niemand. Kraaijer schrijft dan ook dat ‘niemand hem kent’, behalve dan natuurlijk de vele RID- en AIVD-contactpersonen. Hij evalueert in zijn online-publicatie daarom maar zelf zijn functionering als informant. ‘Ik heb geacteerd en speelde onder andere de rol van politiek links activist en dierenrechten activist. Het acteren is mij goed afgegaan. Zowel in drama’s, blijspelen als kluchten. Maar, ik heb mijn rol nooit tegenover derden kunnen uitleggen’, schrijft hij op pagina 136.

Toch blijkt Paul meer prijs te hebben gegeven over zijn informantenrol in 25 jaar tijd dan tot nu toe duidelijk is geworden. ‘Recensies zijn er wel af en toe geweest in de vorm van artikelen in kranten over acties waaraan ik had deelgenomen’, schrijft hij over zijn acteertalent.

X – PERIODE 2010 – 2012

Suriname here Kraaijer comes

De voorbereiding op zijn vertrek naar Suriname begon in principe al in 1998, het moment van zijn liefdesverklaring. Kraaijer verdiepte zich meer en meer in het land, de natuur en de cultuur. Hij werd op afstand een ‘milieuactivist’, een blogger die over milieu-onderwerpen publiceerde. Hij blogde tegen de bouw van een kerncentrale en schreef stukken over jaguars en apen die gebruikt werden voor de vivisectie.

Zijn eerste huwelijk met een Surinaamse strandde in Almere. Zijn nieuwe liefde, een lerares op een basisschool en woonachtig in Paramaribo, heeft familie in Nederland. Maar Paul wilde zich heel graag in Suriname vestigen. Zijn aanvankelijke wens om journalist te worden in Nederland zette hij om in pogingen om voet aan de grond te krijgen bij de Surinaamse media. Door zijn blog en acties had hij al enige naam opgebouwd.

In maart 2009 schreef hij in Zwolle zijn eerste artikel voor de Parbode, een Surinaams opinieblad. Het artikel ‘Wisse dood als proefdier’ sluitte aan bij zijn activiteiten binnen de dierenrechtenwereld, maar Kraaijer stapte al snel over naar allerlei andere onderwerpen. Voor het augustusnummer van de Parbode interviewde hij zwemster Ranomi Kromowidjojo en schreef een tweede artikel over de pakketdienst naar Suriname van Jos Steeman. Ook voor het decembernummer schreef hij twee artikelen: een interview met singer-songwriter Sabrina Starke en een artikel over de de mahoniebomen in Paramaribo.

Vervolgens kon hij geen artikel meer kwijt bij de Parbode totdat hij zich in augustus 2010 in Suriname vestigde. De Stentor/Zwolse Courant nam waardig afscheid met een artikel op 26 augustus 2010. ‘Paul Kraaijer, die namens de AFA (Anti-Fascistische Actie) in de jaren ’90 een felle strijd voerde tegen het rechtse CP’86, vertrekt vandaag definitief naar Suriname. In Paramaribo gaat hij aan de slag als journalist voor het opinieblad Parbode’, meldde de krant die hem jaar in jaar uit had gevolgd.

Vanaf dat moment publiceerde de Parbode elke maand een artikel van freelance journalist Kraaijer, in sommige zelfs twee. Het ging goed met Paul. Maart 2011 mailde hij nog dat hij ‘maandelijks een behoorlijk salaris krijgt dat ruim tweemaal boven modaal hier ligt.’ Hij verhuisde naar een grote bovenwoning met een lang balkon in de wijk Latour. Zijn laatste artikel voor het opinieblad, juli 2011, droeg de toepasselijke titel ‘Natte droom spat uiteen.’ Onderaan vermeldde de redactie dat ‘Bij het verschijnen van dit artikel Paul Kraaijer niet langer verbonden is aan de Parbode.’

Kraaijer kreeg juni 2011 te horen dat hij als freelancer niet meer welkom is vanwege zijn biecht in De Telegraaf. Paul was ziedend. Op zijn blog freelance-in-suriname.blogspot.com schreef hij de woede van zich af. De titel en ondertitel is veelzeggend: ‘Hypocrisie en ethiek in journalistiek Suriname gaan hand in hand. Een freelancer de mond willen snoeren is als het willen leegdrinken van de Caribische Oceaan met een plastic bekertje: Onmogelijk.’

Kraaijer schreef op zijn blog dat de Parbode al langer op de hoogte was van zijn verleden als informant en zijn werk voor de Nederlandse inlichtingendienst: ‘Daarenboven beweerde hij (eigenaar van de Parbode) in een door hem uitgebracht persbericht dat mijn verleden de redactie van de Parbode ‘volslagen’ onbekend was. Een pertinente leugen, immers in maart 2011 had ik hem al in kennis gesteld van de gesprekken die ik in Suriname voerde met een journalist van De Telegraaf om via deze krant mijn activiteiten voor de AIVD wereldkundig te maken.’

In de Surinaamse media was veel beroering ontstaan over de biecht van Kraaijer, maar ook over de beëindiging van zijn werk voor de Parbode. Iwan Brave schreef in de Ware Tijd, een dagblad in Suriname, dat de redactie van de Parbode emailcontact met Kraaijer heeft gehad waarin Paul zegt dat ‘hij het heel raar vindt ons besluit om met hem de medewerking op te zeggen’. Volgens het artikel van Brave en de toenmalig hoofdredacteur van de Parbode die hij citeerde, is Kraaijer van mening dat ‘zijn onthullingen volgens hem namelijk alleen in Nederland voor opschudding zouden kunnen zorgen en niet in Suriname.’ De breuk tussen Kraaijer en de Parbode bleek niet meer te herstellen en vervolgens beschuldigde Paul het opinieblad van hypocrisie en gebrek aan ethiek.

Heeft Kraaijer de Parbode daadwerkelijk vroegtijdig op de hoogte gesteld van zijn aanstaande ontboezemingen in De Telegraaf, en hoe gedetailleerd? Eind februari 2011 had Kraaijer een ontmoeting met John van den Heuvel in Paramaribo. De Telegraaf-journalist verbleef in Royal Torarica, Paul ontmoette de man daar tweemaal. Van den Heuvel en Olmer interviewden Kraaijer op Curaçao op dinsdag 31 mei 2011. Paul verbleef drie dagen op het eiland. Op 24 mei schreef hij aan de Parbode: ‘Maandagochtend vertrek ik naar Curaçao voor een eerste interview/opnamesessie met John van den Heuvel. In de nacht van dinsdag op woensdag ben ik alweer terug. Het gaat nu om een artikel voor De Telegraaf en een kleine video voor de website van De Telegraaf.’

Op de redactie van de Parbode meldde Kraaijer opnieuw dat hij drie dagen vrij wilde hebben. Bij de Parbode was er niet veel belangstelling voor zijn verzoek, als freelancer hoefde Paul geen toestemming te vragen voor een korte trip. De redactie berichtte na de ‘biecht’ in De Telegraaf op 7 juni 2011 aan Iwan Brave van de Ware Tijd: ‘Hij vertelde dat De Telegraaf op Curaçao iets ging schrijven over linkse actiegroepen en de AIVD, en dat Paul daar aan meegedaan zou hebben.’ Meer informatie over de achtergrond van Paul was niet bekend op de redactie.

Kraaijer geeft dat in het gesprek op de redactie en in een email van 3 juni 2011 toe. De Parbode laat aan de Ware Tijd weten: ‘Vragen over wat er aan de hand was, werden door Paul afgewimpeld, want hij mocht van John van den Heuvel niets vertellen.’ De redactie van de Parbode wist weliswaar dat er een verhaal in De Telegraaf zat aan te komen, maar wist niet dat Kraaijer informant is geweest van de Nederlandse geheime dienst.

Niet Kraaijer was de eerste die op het Telegraaf-artikel reageerde. De redactie van de Parbode mailde hem: ‘Dus jij bent het in De Telegraaf? Vandaar het nieuwe mailadres? Kunnen ze je nu traceren in Suriname?’ Kraaijer antwoordde een dag later: ‘Ja dus. Met internet is het tegenwoordig moeilijk ‘verschuilen’.’ Paul ging vervolgens nog even in op de reacties die hij had gekregen n.a.v. de Telegraaf-publicatie: ‘Overigens had zich gistermorgen vroeg al een meisje op mijn Facebook gemeld als ‘vriend’ uit extreem-rechtse hoek. In haar vrienden zag ik veel mij bekende rechts-extremisten en organisaties. Kennelijk wilde zij via mij info over hun opponenten.’

Paul liet ook nog even zien dat hij op dat moment in het middelpunt van de Nederlandse journalistieke belangstelling stond: ‘Verder gisteren nog benaderd door het NOS journaal en Editie NL van RTL. Maar, ik sta verder media niet te woord.’ Kraaijer had genoeg van de media, maar hij onderhield goede contacten met John van den Heuvel en hij voegde daar aan toe: ‘Later dit jaar volgt nog een speciaal tv-programma waarvoor ik weer naar Curaçao zal gaan.’

Zijn roem leek in die eerste dagen van juni 2011 oneindig, maar de Parbode maakte daar snel een einde aan. Op 5 juni 2011 verbrak het opinieblad de samenwerking met Kraaijer. Uitgever Jaap Hoogendam van Parbode liet de Ware Tijd weten het gedrag van Kraaijer schandalig te vinden. ”s Avonds biertjes drinken met je actievrienden en dan een rapport opstellen, zodat ze daarop gearresteerd konden worden. Met zulke mensen wil ik niet samenwerken.’

Wat volgde is bekend. Kraaijer verdedigde zich op de website van de NVJ, verweerde zich op zijn eigen blog, werd uit de SVJ gezet en bleef zelf vertwijfeld achter. Paul schreef zijn woede van zich af over de in zijn ogen hypocriete en onethische journalistiek in Suriname, maar kreeg weinig respons. Enkele medestanders in Nederland en Suriname namen het nog voor hem op, maar ondertussen was de discussie dood gebloed. ‘De perfecte mol’ bleek na terugkeer op aarde de tropische Surinaamse tuin te zijn uitgestuurd, waar hij zich genesteld had op zijn felbegeerde redactiestoel.

Wat resteert is een verhaal van een man waarvan mensen zeggen: “altijd al gedacht” (GroenLinks fractie Zwolle, Ravage, WISE), “kan niet waar zijn” (GroenLinks fractie Zwolle, AFA, dierenrechtenorganisaties), “ik heb hem nooit vertrouwd” (AFA, dierenrechtenorganisaties), “fantast” (WISE), “raar gevoel” (FNV, GroenLinks, Nicaragua, Koerden) en “is dat vriendschap?” (kennissen).

Paul Kraaijer biechtte 31 mei 2011 een verhaal op bij John van den Heuvel. Het artikel werd 4 juni 2011, vier dagen later, met een vooraankondiging op 3 juni 2011, gepubliceerd. Kraaijer schreef een manuscript en stuurde dat naar drie uitgeverijen. Hij veronderstelde dat er ‘zeker belangstelling’ voor zou zijn. Niet dus.

Vervolgens is Paul zich ervan beducht dat bepaalde mensen het zouden lezen, want niet iedereen krijgt zomaar de pdf-versie van het boek toegezonden na betaling. Uiteindelijk verscheen de publicatie op het internet en haalde Kraaijer zijn blog op aivd-informant.blogspot.com offline. Zelf prees hij zijn online-publicatie niet langer aan.

En toen?

Is er iets van het verhaal van Paul Kraaijer waar? Ja. Hij zal zeker benaderd zijn door de inlichtingendienst, daarvoor was hij een makkelijk doelwit, hij paste in het profiel. Hij was eenzaam, een zonderling, weinig vrienden, werd buitengesloten, was ook deels chantabel/benaderbaar door zijn werk voor GroenLinks, zijn verleden als griffier en vreemde houding naar jonge vrouwen. Kortom, de ideale prooi voor een geheime dienst.

Wanneer is hij begonnen? Niet in 1986. Een dart spelende vuurgevaarlijke veroordeelde misdadiger in de gaten houden in een café dat bekend was bij de politie, lijkt een onwaarschijnlijk verhaal. Tijdens de maandag-blokkades bij de Johannes Post Kazerne speelde hij een onbeduidende rol, is daarbij slechts enkele keren gezien en kan geen enkel detail vertellen. Paul zegt dat hij twee vrouwen uit Zwolle in de gaten moest houden die hij ‘vriendelijk en ongevaarlijk’ noemt. Erg actief was hij niet en hij was tevens meer bezig met Nicaragua dan met de vredesbeweging en antikernwapen acties.

Tijdens de golfoorlog kan hij bij KAGO Zwolle en No Pasaran een informantenrol hebben gespeeld. Zijn verhaal over Mannheim maakt dat echter onwaarschijnlijk. Andere leden van No Pasaran kunnen het zich niet voorstellen dat Kraaijer aan een dergelijke actie zou hebben deelgenomen, daar was hij het type niet voor. Hij stond dan wel op de IJsselbrug met een spandoek, maar kranen beklimmen, nee.

Datgene wat hij beschrijft lijkt ook eerder van het internet te zijn geplukt en bewerkt dan dat het uit zijn eigen geheugen komt. Hij zou niet bij de Nicaragua-beweging hebben gespioneerd, beweert hij zelf. Het is echter goed mogelijk dat hij daarover wel informatie heeft doorgegeven. Binnen de solidariteitsbeweging met landen als Nicaragua kwamen veel groepen tezamen, linkse politieke partijen, krakers, autonomen.

Kraaijer lijkt dit af te willen schermen vanwege zijn passie voor twee jonge vrouwen en zijn werk voor het scholenbouwproject van de vakbond destijds. Als Nicaragua wél een doelwit/werkterrein is geweest, dan was hij ook informant binnen de vakbond, het scholenproject was per slot van rekening van de Bouw en Houtbond. Als Nicaragua niet een doelwit/werkterrein is geweest, valt de periode van voor 1993 af in zijn relaas.

Ditzelfde geldt eigenlijk ook voor de AFA-periode. Kraaijer beweert dat zijn werk voor GroenLinks altijd is gevrijwaard van zijn informantenwerk. Echter, zijn inzet voor GroenLinks was volledig verbonden met zijn antifascistische activiteiten, zijn rol binnen de Zwolse kraakbeweging rond de Emmaschool en zijn betrokkenheid bij de Koerdische kwestie. Dit ging zelfs zover dat hij rond zijn betrokkenheid met AFA en het KIC landelijk in GroenLinks actief was. Toenmalig voorzitter Ab Harrewijn sprak met de BVD over interne kwesties rond verschillende onderwerpen en werd daarvoor op de hoogte gehouden door onder andere Kraaijer. GroenLinks en AFA zijn op deze manier dusdanig met elkaar verbonden, ze kunnen domweg niet los van elkaar worden gezien.

Paul’s relaas over G8 en WISE kan waar zijn, maar zijn warrige en magere betoog biedt geen enkel detail. Door dhr. Siebelt aan te halen als bron in zijn publicatie, lijkt hij ook nog eens alle schijn van gedegen journalistiek los te laten. Tijdens zijn periode binnen de dierenrechtenbeweging, eind 2007 tot midden 2010 kan hij zeker een rol van betekenis hebben gespeeld. Probleem voor Kraaijer is dat hij in die tijd ook geprobeerd heeft binnen de reguliere journalistiek aan de bak te komen. In 2009 leek dat freelancewerk te gaan lukken, bij de Parbode. Waarschijnlijk dacht hij in 2011 met de ‘biecht’ in De Telegraaf op waardige wijze een eind te kunnen maken aan zijn verklikkerscarrière, en met de Parbode eindelijk eens serieus werk te gaan maken in de journalistiek.

Heeft Paul ook iets verteld aan de betrokken inlichtingendiensten? Ja. Hij kende diverse namen, adressen, telefoonnummers, de structuur en achtergrond van personen. Bij de antimilitaristische actie in Havelte kende hij slechts de namen van enkele bekende actievoerders, zoals Kees Koning. In het kader van Nicaragua speelde hij bij het landelijke comité een marginale rol, maar voor het scholenbouwproject van de Bouw- en Houtbond FNV in Zwolle verzorgde hij de administratie. KAGO Zwolle was een groep waarvan de namen lokaal bekend waren via pamfletten die openlijk verspreid werden. Hij wist veel van GroenLinks Zwolle en enkele landelijke werkgroepen.

Paul was ook close met een aantal mensen binnen kringen van zowel AFA landelijk als regionaal. Het gaat hierbij slechts om enkele personen, maar wel degenen die binnen AFA belangrijk waren. Over de G8-beweging heeft hij ons niets kunnen vertellen en WISE leidt een legaal en open bestaan met hun acties tegen kernenergie. Bij de dierenrechtenbeweging bevond hij zich naast een van de woordvoerders en maakte deel uit van de organisatie. Daar wist hij dan ook veel vanaf, maar van ‘geheime’ acties was hij niet op de hoogte. Dat geeft hij ook in zijn online-publicatie aan.

Wat heeft Paul dan verteld aan de inlichtingendiensten? Zodra hij zijn ‘journaaltjes’ schreef en sprak met mensen van de inlichtingendiensten, zal hij ongetwijfeld namen, adressen, telefoonnummers, structuur en een enkele keer een achtergrond van bepaalde personen hebben doorgegeven. Deze mensen zijn opgenomen in de databanken van inlichtingendiensten en kunnen daar last van krijgen gedurende hun carrière.

Kraaijer beweert zelf ook dat hij bijvoorbeeld in de tijd van zijn betrokkenheid bij de dierenrechtenbeweging bepaalde personen heeft aangewezen als mogelijke verdachten van strafbare feiten. Deze insinuaties zullen ook in de persoonsdossiers zijn opgenomen en betreffende personen hebben ongetwijfeld nog meer last gekregen van de inlichtingendienst.

Kraaijer zegt dat hij niet wist wie er bij bepaalde acties betrokken waren, maar dat hij de dienst wel suggesties aan de hand heeft gedaan. Volgens Kraaijer heeft hij dit gedaan om de rechtstaat te beschermen, maar in wezen heeft hij personen die gebruik maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en hun demonstratierecht beschuldigd van zaken waar hij niets van afwist.

Waarom heeft hij dan gegevens doorgespeeld? Paul IJsbrand Kraaijer stond graag in het centrum van de aandacht. Zeker in Zwolle was hij een lokale bekendheid. Hij was trots op zijn connecties met de media en naar mate zijn ster ook landelijk rees, zal hij nog meer verguld zijn geraakt van zijn roem. Hij noemt zichzelf bijvoorbeeld ook deskundige van het demonstratierecht. Het feit dat de inlichtingendienst, lokaal en nationaal, interesse in hem had, zal zijn ego hebben gestreeld. Medewerkers van de BVD/AIVD paaien mensen meestal met grote woorden over hun werk, bijvoorbeeld over de artikelen die Kraaijer schreef. Paul zal daar zeer gevoelig voor zijn geweest.

Probleem bij deze vorm van aandacht van inlichtingendiensten voor informanten is dat betrokken personen dit niet aan de grote klok kunnen hangen. Kraaijer’s roem, óók als spion, leek gevangen in het contact tussen hem en zijn runner. Om die reden zal hij moeite hebben gehad om de diensten allerlei details te vertellen over mede-actievoerders. Die mensen, vooral bij AFA en de ADC, toonden meer erkenning voor het werk dat Paul voor hen verrichtte dan menig ander. Sommige activisten waren zeer goede bekenden van hem en hij was ze erkentelijk voor deze ‘vriendschap’. Hij publiceerde in actieblad Ravage en ontketende discussies. Erkenning voor zijn werk binnen de actiebeweging, zou hij dat hebben willen verloochenen door alles wat hij te weten kwam met de inlichtingendiensten te delen?

De behoefte aan erkenning maakte van Paul ook een eigenwijze, arrogante en egoïstische man. Zijn boek ‘Een antifa vertelt’ (1996) leest als de biografie van een man die zich presenteert als de enige echte antifascist. Ook al blijkt dit verhaal inmiddels helemaal niet te kloppen (hij zegt immers later zelf dat hij gestuurd werd door de inlichtingendienst), dan nog schetst Kraaijer hier het beeld van een man die op zoek is naar bevestiging. Een patroon dat zich herhaalt in zijn laatste online-publicatie van 2011.

Paul was domweg te ijdel waardoor details hem ontglipten van personen die geen hoofdrol speelden. Sociale bewegingen en actiegroepen zijn uit meerdere personen samengesteld dan de kopstukken alleen. De overige betrokkenen zag hij vaak niet staan. Zijn landelijke bekendheid had hij te danken aan zijn rol als woordvoerder van AFA en als lid van de steunfractie van GroenLinks in Zwolle. Die landelijke erkenning was echter van korte duur.

Kraaijer is eigenlijk nooit een politiek zwaargewicht geworden. Misschien werd hij in Zwolle gezien als vooraanstaand activist en journalist, maar sinds het incident rond de installatie van Ruitenberg (CP’86) in 1994 eerder als ‘oproerkraaijer’ dan als een serieuze politieke factor. Zijn breuk met GroenLinks rond ‘Bolu’, zijn vertrek uit Zwolle en de verschuiving van zijn aandachtsvelden naar Suriname en dierenrechten, maakten van hem een ‘onzichtbare’ journalist-activist. Dit zal zeker in de laatste drie jaar in Nederland hebben bijgedragen aan zijn informantenrol. Per slot van rekening zag de geheime dienst hem wél staan, daar waar de gevestigde media hem niet die erkenning gaf.

Is Kraaijer een fantast? Ja en Nee. Erkenning voor zijn capaciteiten is iets dat als een rode draad door zijn leven loopt. In Zwolle heeft hij die zeker gekregen. Hij kon gemakkelijk zijn weg vinden naar de lokale pers. De Zwolse Courant volgde zijn carrière op de voet. In die interviews presenteerde hij zich als het geweten van Zwolle. Dat dit nu allemaal nep blijkt te zijn (hij zegt nu dat hij voor de overheid werkte en niet zijn idealen volgde), bracht hem in een lastig parket.

Om die reden verbuigt hij de waarheid in zijn biografie, op sommige plekken meer dan op andere. Hij presenteert zijn ontslag bij de griffie als een gewetenskwestie, maar verzwijgt zijn mislukte pogingen tot het volgen van een opleiding. Hij zou weg zijn gegaan bij de FNV vanwege een conflict, maar hij verzwijgt de reorganisatie. Hij bespioneerde Kees Koning bij Havelte, maar herinnert zich geen enkel detail van de blokkades bij de Johannes Post kazerne. In dezelfde periode herinnert hij zich plots een actie tot in het kleinste detail.

Paul beschrijft zijn tijd bij AFA, maar vergeet te vermelden wat hij nu allemaal precies te weten is gekomen, maar presenteert zich ondertussen wel als de deskundige van het demonstratierecht voor extreem-rechts, maar in die hoedanigheid zou hij geen informant zijn geweest. Hij zegt dat hij GroenLinks niet bespioneerde, maar zijn activiteiten binnen AFA, rond Koerden en krakers waren nauw verweven met zijn werk voor het secretariaat en de steunfractie van GroenLinks in Zwolle en landelijk. Hij kwam voor het milieu in Suriname op, maar deed dat in dienst van WISE en de ADC. Zijn verwoede pogingen om de aantasting van het milieu in Suriname aan de kaak te stellen lijken allemaal ineens in het teken te staan van zijn werk voor de geheime dienst.

Kraaijer raakte verstrikt in zijn eigen ‘werk’. In zijn online-publicatie onderneemt hij een poging onderscheid te maken tussen de (actie)groepen en mensen die hij bespioneerde en zijn eigen werk. Werk dat zijn carrière tekende als journalist, die hij tegelijkertijd ook niet was. Hij was eerder activist, maar ook dat klopt niet. Hij had de actiewereld nodig voor zijn journalistieke carrière en tegelijkertijd bespioneerde hij ze. Die tegenstelling leidde ertoe dat hij de waarheid heeft verbogen, gebeurtenissen weg heeft gelaten, zaken groter heeft gemaakt dan ze zijn, zijn eigen rol aangedikt, zichzelf belangrijker heeft gemaakt dan hij was.

Was en is Kraaijer een journalist? De journalistiek is een vrij beroep. De NVJ formuleert het als volgt: ‘De journalistiek staat open voor iedereen, ongeacht of hij een professionele scholing of training als journalist heeft gehad en ongeacht of hij met zijn werkzaamheden een inkomen verdient.’ Kraaijer was niet aangesloten bij deze vakbond, maar heeft wel enkele jaren op de redactie van een kabelkrant gewerkt. Hij zegt zelf dat hij alleen in die tijd als journalist werkzaam was. Alle andere stukken zou hij als ‘stukjes schrijver’ hebben opgesteld.

En daar wringt nu juist de journalistieke schoen. Feitelijk kan het zo zijn dat hij alleen bij NieuwsTV als redacteur werkzaam was, maar hij presenteerde zichzelf vanaf september 2006 als freelance journalist, zowel rond Suriname en dierenrechten, als op Kraaijer-schrijft. Daarvoor omschreef hij zich niet als zijnde journalist, maar zijn wens om journalist te worden was algemeen bekend, ook bijvoorbeeld onder leden van de GroenLinks fractie in Zwolle.

Was Kraaijer een provocateur, iemand die andere mensen aanzet tot geweld of andere strafbare feiten? Mensen herinneren zich zijn aanwezigheid bij veel gebeurtenissen. Hij shopte van actiegroep naar actiegroep. Mensen noemden hem een beroepsactivist. Hij was soms meer actief, soms afwezig en in veel gevallen bezig met zichzelf en zijn eigen ‘sores’, zoals een mede-actievoerder het formuleert.

Ongelukkige liefde, slecht huwelijk, geldproblemen, het beïnvloedde Paul’s leven en werk. Dat wil niet zeggen dat hij niet gepassioneerd is geweest tijdens zijn bestaan als activist. Zeker in de tijd bij AFA, rond de plannen voor de bouw van een kerncentrale in Suriname en tijdens zijn werkzaamheden voor dierenrechtenorganisaties was hij zeer fanatiek. Niet voor niets noemde men hem in Zwolle ‘oproerkraaijer’, dit terwijl hij landelijk nou niet bepaald bekend was vanwege zijn radicalisme. Aan de andere kant verdedigde hij binnen GroenLinks landelijk ‘antifascisten die iets bij zich stoken om zich te verdedigen’. Hij beschuldigde GroenLinks van laksheid en blies hoog van de toren over een stedenband met een Turkse stad, en stapte om die reden zelfs uit de partij.

Paul verdedigde de Koerden en het Koerdische geweld tegen de Turkse agressor en ontkrachtte de beschuldiging dat de Koerden terroristen zouden zijn (ingezonden brief in Trouw 2 mei 2002). Aan de andere kant lijkt hij de namen van verschillende Turkse vrienden aan de BVD te hebben doorgegeven. In zijn online-publicatie veroordeelt hij bepaalde acties van de dierenrechtenbeweging, maar betitelt deze vervolgens enkele pagina’s verder in zijn online-publicatie als zijnde ‘effectief’, om ze dan weer te veroordelen, maar is zeer geïnteresseerd in de kopstukken waarvan sommigen veroordeeld zijn geweest voor strafbare feiten. Kraaijer presenteert zich als een onschuldige man die tegen geweld is en alleen de legale weg wil bewandelen als het bijvoorbeeld om bestrijding van extreem-rechts gaat. Hij wordt echter boos als AFA niet komt demonstreren in Harderwijk om de NVU van de straat te verjagen.

Paul Kraaijer is het product van de traditionele benadering. Hij wordt gepaaid met complimenten voor zijn schrijverij en zijn administratie van de acties van de groepen waar hij actief voor is geweest. Hij is geen provocateur in de klassieke zin, maar zijn gedrag in Zwolle was wel gericht op een radicaler geluid dat andere mensen afstootte. Hij praatte geweld goed in de jaren ’90 en was gefascineerd door radicale actie en leek daartoe de aanzet te willen geven in zijn laatste jaren bij de dierenrechtenactivisten.

Hij was echter nooit een echte actievoerder, eerder een administrateur, solist en de Zwolse ‘oproerkraaijer’. Voor de inlichtingendienst was hij een gemakkelijke prooi, maar de informatie die hij over het activisme, vakbondswerk en de politiek doorgaf aan de dienst viel voor een groot deel ook uit openbare bronnen en politieverslagen te halen. Kraaijer speelde een marginale rol, maar zoals runners altijd doen bij mensen die klikken en praten, is dat zij hem honing om de mond hebben gesmeerd. Zijn informatie was goud waard en zeer belangrijk. Dat maakt ook onderdeel uit van de tactiek om de informant een hart onder de riem te steken. Per slot van rekening verlinkte Paul personen die hij als medeactievoerder en vriend tegemoet trad.

En zijn biecht dan? Zijn ‘biecht’ maakt onderdeel uit van Paul’s passie op verschillende terreinen die hij in 25 jaar heeft belopen. De ‘reguliere’ wereld zag hem niet staan. Hij kon geen baan vinden als journalist/redacteur, werd vervolgens medewerker van de kabelkrant, maar na het faillissement van NieuwsTV lukte het hem niet om weer aan de bak te komen in de journalistiek.

Binnen de actiewereld werden zijn gaven wel op hun waarde geschat en onderhielden sommige mensen contact met hem. ‘Leuk dat je aan me denkt’, schreef hij de vegan streaker in oktober 2010 nadat hij vertrokken is naar Suriname. Hoeveel hij over andere mensen heeft verteld, is niet duidelijk, maar Kraaijer zat er wel degelijk mee.

Een goede bekende uit de Koerdische solidariteitswereld vertelt dat Kraaijer in de zomer van 2010 afscheid van hem kwam nemen: “Hij wilde het leven in Nederland achter zich laten en nog een keer opnieuw beginnen voordat het te laat was. Ik nam toen aan dat hij zijn leeftijd bedoelde, maar het kunnen natuurlijk ook andere dingen zijn geweest.” In 2011 schreef Kraaijer dat hij met het interview in De Telegraaf en met zijn online-publicatie zijn ‘jongensboek even heeft geopend’, maar dat het ‘nu is afgesloten en dichtgeslagen. Punt, uit. Een nieuw leven.’

Was de biecht aan zijn grote voorbeeld John van den Heuvel soms een boetedoening, een poging schoon schip te maken, een periode af te sluiten? Hij was per slot van rekening op dat moment freelance journalist bij de Parbode in Suriname, een positie die hij in Nederland nooit heeft kunnen bewerkstelligen. Of is de rancune op de burelen van De Telegraaf voor alles wat naar links ruikt soms zo groot dat alle ethische normen door de redacteuren Van den Heuvel en Olmer overboord werden gegooid?

Het zal eerder een combinatie zijn. Mensen die over hun rol in de inlichtingenwereld schrijven, worden geen vervelende en moeilijke vragen gesteld. In die zin wijkt het verhaal in De Telegraaf en de publicatie van Kraaijer uit 2011 niet veel af van de ‘biecht’ van Paul Herrie in het boek ‘Spion in de onderwereld’ van de Vrij Nederland-journalisten Harry Lensink en Marian Husken.

Die biecht maakt onderdeel uit van een patroon in Paul’s leven. Keer op keer omschrijft hij zijn breuk met een club als een explosie. Bij de griffie ging hij naar eigen zeggen met slaande deuren weg omdat het strafrechtsysteem in Nederland niet functioneert. Hetzelfde gebeurde bij de FNV, GroenLinks, AFA en andere plekken waar hij gewerkt heeft en actief is geweest. Alleen het afscheid van de dierenrechtenactivisten verliep vriendelijk en warm. Dat past niet bij Kraaijer, er ontbrak nog iets. Het Telegraaf-artikel van 4 juni 2011 dient gelezen te worden in het licht van de slaande deuren waarmee Kraaijer gewoonlijk vertrekt. Middels het interview met Van den Heuvel smeet Paul de deur voorgoed dicht voor de dierenrechtenactivisten. Pats boem!

Kraaijer is echter nooit van plan geweest blijvend contact te onderhouden, ook al was hij in Nederland gebleven. Hij heeft een geforceerde breuk willen ensceneren waarmee hij volle aandacht zou krijgen in de Nederlandse media. Dat hij daarmee zijn carrière in de Surinaamse journalistiek de nek om heeft gedraaid, heeft hij niet ingecalculeerd. Het resultaat is een verzuurde man die de journalistiek de schuld geeft, dezelfde journalistiek die hij nodig had voor zijn eigen faam.

Namen

Er is besloten niemand bij naam te noemen, per slot van rekening gaat het om Paul Kraaijer. Daarnaast wilden diverse mensen niet bij naam genoemd worden. Er is daarom gekozen voor een globale omschrijving. Bekende uit Zwolle, activist uit Groningen of Twente en dergelijke.
Het onderzoek
kort (samenvatting)
CV Kraaijer 2002
enkele stukken rechtbank Zwolle
stukken mbt de Emmaschool
No Pasaran Zwolle pamflet 1990
Reis naar Nicaragua 1991
installatie Ruitenberg 1994
telefoonrekening AFA P. Kraaijer
blogger profiel Paul Kraaijer
visitekaartje Paul Kraaijer
interview Zwolse Courant 1991
interview Zwolse Courant 1996
interview GroenLinks Magazine
publicatie augustus 2011
publicatie 1995
publicatie 1996
knipsels 1994
knipsels 1995
AFA nieuwsbrief 1
AFA nieuwsbrief 3
AFA Nieuwsbrief 4
AFA Nieuwsbrief 5
AFA Nieuwsbrief 6
AFA Nieuwsbrief 7
AFA Nieuwsbrief 8
AFA Nieuwsbrief 8 twee
AFA Nieuwsbrief 9
AFA Nieuwsbrief 10
AFA Nieuwsbrief 11
AFA Nieuwsbrief 11 twee
AFA Nieuwsbrief 12

Jul 152011
 

Op 3 juni 2011 kondigde De Telegraaf de onthulling van een informant in extreem-linkse kringen aan. Met op de achtergrond de zee is in een korte video te zien hoe John van den Heuvel een man interviewt die zegt dat hij 25 jaar voor de inlichtingendienst heeft gewerkt. Dezelfde dag is de naam van de persoon in de video bekend: Paul IJsbrand Kraaijer. Vervolgens verschijnen er twee artikelen over het leven van Paul Kraaijer op 4 en 6 juni 2011.

In de weken die volgen gaat de discussie in de media en op internet vooral over de dubbelrol die Kraaijer al die jaren zou hebben gespeeld: journalist en informant. Er ontstaat ophef over zijn informantenrol en in Suriname, waar Paul thans woont, wordt hij door de journalistenvakbond en zijn werkgever aan de kant gezet. Vervolgens probeert Kraaijer nog zijn verhaal in boekvorm uit te brengen, maar als uitgevers geen interesse tonen, zet hij het op het internet. ‘Het dubbelleven van een AIVD-infiltrant/informant’ is in wezen een uitgebreide versie van de artikelen in De Telegraaf, veel nieuwe feiten staan er niet in.

Continue reading »

Jul 142011
 

Paul Kraaijer kwam in juni 2011 uit de kast na vijfentwintig jaar voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te hebben gewerkt. Kraaijer laat zich in twee paginagrote artikelen interviewen over zijn carrière. Buro Jansen & Janssen heeft het verhaal met grote belangstelling gelezen en heeft uit diverse hoeken reacties en aanvullingen gehad, maar heeft gekozen om terughoudend te zijn met een reactie. Het interview / artikel in de Telegraaf roept namelijk meer vragen op dan dat je er zinnige conclusies aan kan verbinden.

Zijn het waarheden, halve waarheden, verzinsels, leugens? Wat wil de Telegraaf met het verhaal, en wat wil de inlichtingendienst? Waarom treedt iemand na zoveel jaar naar buiten? Welke schade heeft hij ondervonden van een 25-jarig dubbelleven? Kraaijer schrijft zelf op de website van Villamedia.nl dat “de Telegraaf zaken nog wel eens uit het verband wil rukken of wil aandikken.” Kraaijer reageert op de passages in het Telegraaf artikel waarin gerefereerd wordt aan zijn rol als journalist. Zijn de andere opmerkingen van Kraaijer dan ook “uit hun verband gerukt of aangedikt”? En wat betekent dat voor het waarheidsgehalte van de twee reportages?

Bij de zoektocht naar het verhaal achter Kraaijer is het van belang onderscheid te maken tussen wat hij was en wat hij deed. Kraaijer wordt in de Telegraaf gepresenteerd als infiltrant, als agent van de geheime dienst (AIVD-er). Kraaijer lijkt te suggereren dat hij voor de geheime dienst werkte. Hij zegt in het artikel dat hij “24 uur per dag, zeven dagen in de week” actief was. Hij zou na een korte carrière bij de RID, de Regionale Inlichtingendienst van de stad Zwolle voor de dienst zijn gaan werken. Was Kraaijer nu een infiltrant, een mol, een spion, een agent, een informant van de PID (Plaatselijke, Politieke of Politie Inlichtingendienst tot 1993) en later de BVD/AIVD? Komt dat allemaal op hetzelfde neer zoals het artikel in de Telegraaf doet geloven?

Wat is Kraaijer?

Het woord spion heeft een positieve lading. De spion is intelligent en meestal knap en het succes is aan zijn kant. James Bond is de spion die tijdens de Koude Oorlog achter het IJzeren Gordijn spectaculair te keer gaat. Hij vertegenwoordigt duidelijk het goede. De spion is in dienst van een gerenommeerde geheime dienst en het woord heeft meestal betrekking op activiteiten van de agent in het buitenland. De term mol is het woord dat wordt gebruikt als er sprake is van een onderzoek in eigen huis. De AIVD heeft bijvoorbeeld een mol in haar midden gehad, in de persoon van audio bewerker (tolk of taalanalist) Outman Ben A. die in 2004 werd gearresteerd. De infiltrant is iemand die met een vooropgesteld plan of opdracht een organisatie binnendringt. Bijvoorbeeld een agent die zich opwerkt in een organisatie als de Arabische Europese Liga (AEL) en daar door provocaties en misleiding verdeeldheid zaait zoals in 2004 het
geval bleek (april 2005 NRC Handelsblad). In het criminele circuit kan het gaan om een persoon die in drugs handelt om er achter te komen wie de hoogste baas van een drugslijn is. De undercover agent speelt een zelfde rol. De informant tenslotte is de persoon die informatie verzamelt en doorgeeft aan inlichtingendiensten via zijn contactpersoon bij de dienst, zijn ‘runner’. De informant kan actief zijn in verschillende organisaties en daarover inlichtingen doorgeven. Een ‘informant’ kan verschillende gedaantes hebben. Het kunnen mensen zijn die regelmatig een onschuldig lijkend praatje hebben met medewerkers van een inlichtingendienst. Het kunnen ook mensen zijn die actief worden gerund en zich op verzoek van een geheime dienst bij andere groepen aansluiten.

Het werk van inlichtingendiensten is geen exacte wetenschap en de terminologie bestaat niet uit definities, maar er zijn verschillen tussen spionnen, mollen, infiltranten en informanten. Dat verschil vertaalt zich ook in de wijze waarop Kraaijer werd gerund en hoe hij financieel werd ondersteund. Als wij het verhaal van Kraaijer moeten geloven, werd hij eerst als informant door de PID Zwolle gerund, om in 1993 voor de AIVD te gaan infiltreren in verschillende groepen.

Wat deed Kraaijer?

Kraaijer claimt dat hij de dienst jarenlang heeft geïnformeerd over een reeks verschillende actiegroepen. De vraag is of die wapenfeiten te controleren zijn? Kraaijer voert verschillende gebeurtenissen aan die eenvoudig uit de media en van het internet te halen zijn. De demonstratie bij het gemeentehuis van Zwolle bij de installatie van dhr. Ruitenberg van CP’86, de G8-top in Evian, de Animal Rights Gathering in Zweden en de nertsenbevrijding en de verdenking van de bedreiging van de koningin van de Vegan Streaker zijn daar voorbeelden van. Paul Kraaijer zou daar allemaal wel bij aanwezig zijn geweest, maar dat zegt nog niet dat hij daarover informatie heeft doorgegeven aan de BVD en later aan de AIVD. De artikelen in de Telegraaf geven hier geen duidelijkheid over.
Een voorbeeld uit het eerste artikel: Paul Kraaijer zegt dat hij in contact was met een “jonge activist” waarmee hij samen een actie zou doen in Mannheim. In de Telegraaf: “Spannender waren de nachtelijke acties van Kraaijer in 1990 in Duitsland, waar Nederlandse schepen werden ingezet om Amerikaans defensiemateriaal naar het oorlogsgebied in het Midden-Oosten te varen. Ik was in contact
gekomen met een jonge activist en samen met anderen zouden we in Mannheim een kraan bezetten, die schepen met oorlogsmateriaal laadde.” Heeft Kraaijer toen een rapportje geschreven over Mannheim in de trant van: “Met Y in de auto gesproken over een actie in Mannheim. Hou het in de gaten.” In het actieblad NN van 10 januari 1991 staat een overzicht van verschillende protesten tegen de eerste Golfoorlog: “Zaterdagmorgen 22-12-90 werd er door de vredeswinkel uit Mannheim en NO PASARAN Zwolle actie gevoerd in de haven van Mannheim waar de afgelopen weken duizenden legervoertuigen werden verscheept naar Rotterdam en Antwerpen. De actie bestond uit het bezetten van een laadkraan en het ophangen van spandoeken. Op het tijdstip van de actie bleken het op het haventerrein geen werkzaamheden plaats te vinden. De actiegroep was zichtbaar verrast.” Was dit de actie waarbij Kraaijer aanwezig was en had de ‘meesterspion’ er voor gezorgd dat het werk was stilgelegd op een zaterdag, of lag het altijd stil in het weekend? “Bij vertrek van het haventerrein werden we verrast door een grote politiemacht die onderweg was naar het haventerrein.” Kraaijer heeft het over nachtelijke acties, maar treedt verder niet in details. De actie uit het bericht van 1990 vond overdag plaats. Was de bezetting van de kraan in Mannheim een nachtelijk plan of bedoelde Kraaijer de actie van 22 december 1990?
Een ander voorbeeld is de huur van de studio van Kraaijer. De Telegraaf: “Mijn woning werd een organisatorisch, administratief centrum van deze club. In feite stond de Zwolse AFA-afdeling volledig onder controle van de BVD, aldus Kraaijer, die voor zijn inlichtingen- en infiltratiewerkzaamheden stevige vergoedingen kreeg. Mijn studio werd betaald en ik kreeg ruime onkostenvergoedingen. Ik kon er
prima van leven.” Volgens Kraaijer was het kantoor, zijn huis, het organisatorische en administratieve centrum van de extreem linkse Antifascistische Aktie. “In feite stond de Zwolse afdeling volledig onder controle van de BVD,” “een frontstore van de AIVD,” zelfs, schrijft de Telegraaf. Wie waren echter lid van deze gigantische operatie? Paul Kraaijer in ieder geval, maar wie nog meer?
Hoe kan Paul Kraaijer zijn verhaal onderbouwen? Heeft de Telegraaf uitgezocht of het klopt dat de huur van de woning van Kraaijer jarenlang door de overheid is betaald?

Geheimzinnig zonder reden

Kraaijer krijgt alle ruimte van de journalisten van de Telegraaf om zijn levensverhaal aan de grote klok te hangen. Onduidelijk is hoeveel hij voor het interview heeft gekregen. De geheimzinnigheid van de krant voor Wakker Nederland is opvallend en overbodig. “Het contact verliep moeizaam … een eerste ontmoeting in een land in Zuid-Amerika … afgelopen week op de Nederlandse Antillen.” Kraaijer heeft in augustus 2010 zelf wereldkundig gemaakt in Suriname aan de slag te gaan bij de Parbode. De Stentor van 16 augustus 2010 schreef er een artikel over. Heeft Kraaijer zelf de krant benaderd om zijn verhuizing van Zwolle naar Paramaribo wereldkundig te maken? Misschien is hij zo in contact gekomen met de Telegraaf.
De Stentor had al eerder een artikel over Kraaijer. Op 2 mei 2006 deelt Kraaijer ook zijn persoonlijke geschiedenis met de lezers van De Stentor/Zwolse Courant. “Na zeven jaar absentie te Almere is hij terug op zijn geboortegrond. Met een nieuw thema: de angst voor een kerncentrale in Suriname. … Zijn belangstelling in het thema groeide toen hij ging samenwonen met Maureen – een Surinaamse. Nadat die relatie strandde keerde hij in Zwolle terug, met een nieuwe relatie op afstand in Paramaribo, waar hij ooit van plan is te gaan wonen. Vanuit Almere keerde hij werkloos naar Zwolle terug.”
Is er contact geweest met de AIVD om te verifiëren of het verhaal van Kraaijer klopt? Hebben de journalisten de actievoerder uit het Mannheim verhaal opgespoord en gevraagd naar zijn mening? En hoe is komen vast te staan dat de studio door de dienst is betaald? Van Den Heuvel en Olmert schrijven dat de “AIVD niet wil reageren, omdat daarmee de identiteit van bronnen en infiltranten bekend wordt, de modus operandi van de geheime dienst openlijk wordt besproken en het actuele kennisniveau van de AIVD over bepaalde activisten bekend wordt, aldus een woordvoerder.” De journalisten van de Telegraaf lijken te impliceren, niets te kunnen verifiëren omdat de dienst normaliter geen openheid van zaken geeft. Uit de twee reportages wordt echter niet duidelijk of zij voor de hand liggende feiten hebben gecheckt. Daarnaast ontbreekt het in de artikelen ook aan een analyse van de beweegredenen van Kraaijer en de AIVD en de mogelijk vergaarde informatie.

De media en de AIVD

Voor een goed begrip van het verhaal van Kraaijer moet ook gekeken worden naar de relatie tussen de media en de dienst en in het bijzonder de Telegraaf en de BVD/AIVD. Journalisten zijn ideale informanten. Zij kunnen overal binnenkomen zonder veel argwaan te wekken. De liefde tussen de inlichtingendienst en de media is wederzijds. In 2006 maakte een redacteur van het NRC Handelsblad, Robert Giebels een overstap naar de AIVD. Giebels werkt nu weer bij de Volkskrant en hij heeft gewerkt voor RTL Nieuws, Elsevier, FEM Business en de Wereldomroep. Giebels stapte over naar de AIVD, andere journalisten gingen werken voor ministeries. Journalist Frenk van der Linden onthulde in 2007 dat een collega journalist van het weekblad De Tijd hem in de jaren tachtig in de gaten heeft gehouden. Hij baseerde zich op het AIVD dossier dat hij had opgevraagd bij de dienst. Of de AIVD op dit moment ook journalisten heeft rondlopen in de Nederlandse media is onduidelijk, de dienst doet daar geen mededelingen over. Daarnaast heeft de krant van wakker Nederland regelmatig bijzondere nieuwtjes van en over de dienst. Onlangs nog met Heleen de Waal en haar partner en een paar jaar geleden met BVD-stukken over de georganiseerde criminaliteit. Ten tijde van de affaire de Waal stond de relatie tussen de dienst en de Telegraaf op scherp. In het verleden is echter gebleken dat de krant warme relaties onderhield met de geheime dienst, met de Amsterdamse politie en andere diensten. Hoe zuiver is die relatie? Hoeveel van de geleverde informatie is het overschrijven van persberichten of verhalen van overheidsdiensten? Dienen media als doorgeefluik van diensten? Wordt er een eigen analyse op los gelaten? Het verhaal van Kraaijer is een monoloog van een man die in Suriname woont en zegt vijfentwintig jaar voor de dienst te hebben gewerkt. Welk onderzoek hebben de journalisten van de Telegraaf zelf uitgevoerd? Hoeveel zicht hebben lezers op het waarheidsgehalte van de reportages? Hoe moeten we in het geval Paul Kraaijer de rol van de media duiden? De combinatie geheime dienst, Telegraaf en Kraaijer resulteert vooral in heel veel vragen, die geen van deze partijen in volledigheid zal willen beantwoorden.

Was Kraaijer journalist?

Kraaijer wordt als journalist geportretteerd, maar was hij dat ook? Hij zegt dat hij freelance werkte voor Trouw, maar afgezien van drie ingezonden stukken wordt niet duidelijk wat zijn rol als freelancer is geweest. Hij werd, voor zijn bekendmaking in de Telegraaf van zijn inlichtingenverleden, in de meeste media omschreven als blogger, activist of antifascist. Dat Kraaijer journalistieke ambities had is af te leiden uit de niet aflatende stroom artikelen van zijn hand, maar maakt hem dat tot een serieuze journalist of een wannabe?
De Nederlandse Vereniging van Journalisten schrijft op haar website:
“De NVJ zegt met ontsteltenis kennis te hebben genomen van Kraaijers activiteiten die tot op heden door Donner (Minister van Binnenlandse Zaken) niet zijn tegengesproken.” Bij Kraaijers activiteiten gaat het volgens de NVJ om het feit dat: “Kraaijer zich voordeed als journalist, onder meer door een perskaart aan te vragen bij de NVJ en zich uit te geven als journalist werkzaam voor onder andere dagblad Trouw.” Een beetje hypocriet van de NVJ om zich nu druk te maken om Kraaijer, terwijl het eerder aangehaalde geval (Giebels), niet tot ophef binnen de journalistieke wereld leidde.

Nieuwsgaring is niet aan een specifieke groep voorbehouden. Kraaijer spande zich in om alle demonstraties van de Anti-Dierproeven Coalitie bij te wonen en daar op zijn blog over te schrijven. Journalisten maken daar dankbaar gebruik van. En kranten, tijdschriften, televisieprogramma’s, alles wordt door de geheime dienst opgezogen. Elk artikel over AFA of dierenrechten vindt zijn weg als ‘bewijs’ in het dossier van de dienst. Helaas is iedereen die buitenparlementair actief is in dit land potentieel verdachte voor de geheime dienst. De AIVD heeft namelijk als taak gekregen om de democratische rechtsorde te beschermen en houdt daartoe al het buitenparlementaire politieke
leven in de gaten. Dat zij de explosie aan zelfgeschreven informatie
in de nieuwe media, niet alleen opslaat maar mogelijk ook
actief gebruikt voor contra informatie is niet ondenkbaar.

Kraaijer wilde graag schrijven en zich graag uitgeven als journalist, maar deed hij dat als dekmantel of was het zijn eigen liefde voor de journalistiek? Wij zullen nooit helemaal weten of het verhaal van Kraaijer wel of niet klopt. In Nederland heerst namelijk een cultuur van geslotenheid. Zelfs dossiers uit het verre verleden (jaren vijftig en zestig) worden niet vrijgegeven, allemaal operationeel, en of iemand nu dood of levend is, de stukken blijven actueel en dus geheim.
Roept de zaak Kraaijer eigenlijk niet meer vragen op over de rol van de geheime dienst in de democratische rechtsorde dan over het geklik van Kraaijer zelf?

Onderzoek

Is er niets aan het verhaal van Kraaijer te verifiëren? Van de door hem gepresenteerde gebeurtenissen zijn er slechts enkele controleerbaar zonder afhankelijk te zijn van de dienst of het verhaal van Kraaijer zelf. Natuurlijk is te controleren of hij aanwezig was bij de demonstraties tegen de kruisraketten in Havelte, bij een kraan in Mannheim, een demonstratie in Mannheim of Venray, maar die aanwezigheid zegt nog niets over zijn werk voor de BVD/AIVD. Dit geldt voor veel gebeurtenissen die Kraaijer in het interview noemt.
De politiek gevoelige kant van de reportages uit de Telegraaf ligt op één terrein. Dit is niet de mogelijke informatie die Kraaijer over dierenrechtenactivisten, AFA, antimilitarisme en de vredesactivisten heeft verstrekt. Het in de gaten houden van buitenparlementair verzet wordt politiek en maatschappelijk geaccepteerd. Het enige politieke thema dat voor ophef kan zorgen is de rol die Kraaijer heeft gespeeld binnen GroenLinks en de Partij voor de Dieren. Als actief lid en betrokken bij de fractie van GroenLinks in Zwolle speelde hij een belangrijke rol in het verzet tegen CP’86 in de gemeenteraad. Kraaijer zegt dat hij vanaf 1986 zeven dagen in de week 24 uur per dag voor de dienst actief was. Welke informatie heeft hij over de GroenLinks afdeling in Zwolle verzameld? Hoe is deze informatie verwerkt door de BVD? Waarom houdt de geheime dienst een legale politieke partij in de gaten? Worden er ook andere politieke partijen in de gaten gehouden? Kraaijer was in 2008 aanwezig op het partijcongres van de Partij voor de Dieren (PvdD). In welke hoedanigheid bezocht hij deze bijeenkomst? Als journalist, als activist of als informant? Heeft hij een rapport geschreven over deze politieke partij en zo ja, wat stond daar in? Heeft hij andere informatie over de partij verzameld en op welke wijze heeft hij die doorgestuurd? Is hij uit zichzelf naar het congres gegaan of ging hij in opdracht?

Voor onderzoek naar Paul Kraaijer moet vijfentwintig jaar worden uitgezocht aan relaties, connecties, contacten, gesprekken, e-mails, verhalen, herinneringen, foto’s en andere gegevens die over Kraaijer zijn vastgelegd. Vervolgens ontstaat een beeld, een portret van een mens: misschien een fantast of een zielepoot, een intrigant of een aandachtstrekker of een buitengewoon gewiekst persoonof een journalist, een intelligente man of niets van dat alles? Pas als er meer duidelijkheid is over het waarheidsgehalte van zijn claim dat hij jarenlang gewillig de geheime dienst heeft geïnformeerd over allerlei mensen, kan je beginnen aan een politieke analyse van zijn rol en de gevolgen van zijn activiteiten. Geen overdreven kop als “de biecht van de perfecte mol” of “AIVD-infiltrant Paul Kraaijer sluit spannend jongensboek.” Gewoon een onderzoek naar Paul IJsbrand Kraaijer, geboren op 13 september 1960 te Steenwijk.

Kraaijer hypothesen

Voor onderzoek naar het werk van politie en inlichtingendiensten hanteert Buro Jansen & Janssen altijd verschillende hypothesen. In het onderzoek rond Paul Kraaijer staan de volgende hypothesen en combinatie tussen die hypothesen centraal.

1. Kraaijer was vijfentwintig jaar een infiltrant van de inlichtingendienst. Hij speelde van 1986 tot en met 2010 over allerlei bewegingen informatie door.

2. Kraaijer speelde in vier periodes informatie door aan een inlichtingendienst. In 1986 aan de CID Zwolle, de Criminele Inlichtingendienst, over de bezoekers van zijn stamkroeg. Van 1993 tot en met 1998 aan de BVD over Anti Fascistische Aktie (AFA). En verder een periode eind jaren negentig over het Koerdistan Informatie Centrum en nog later over de dierenrechtenbeweging. In de tussenliggende perioden, 1987 tot en met midden 1993, eind jaren negentig en van midden 2002 tot en met eind 2007 werkte hij niet voor de inlichtingendienst.

3. Kraaijer heeft uit zichzelf informatie gedeeld met de inlichtingendienst in de periode dat hij bij AFA Zwolle actief was, om de ‘slechteriken’ door de dienst in de gaten te laten houden. Als actief lid van Groenlinks is zijn uitgangspunt het parlementaire proces en hij vindt dat confrontaties met extreem rechts vreedzaam moeten verlopen. Het werk voor de geheime dienst ziet hij als een positieve bijdrage aan AFA.

4. Kraaijer heeft een enkele keer informatie doorgegeven aan een inlichtingendienst. Deze incidentele gevallen hebben veel indruk gemaakt op hem en hij leeft in de veronderstelling dat hij als spion voor de dienst heeft gewerkt.

5. Paul Kraaijer heeft het verhaal over zijn werk voor de Inlichtingendienst helemaal uit zijn duim gezogen. Hij is heel actief geweest, kan dat ook ondersteunen door zijn publicaties, artikelen en blogs. De AIVD geeft geen commentaar. Hij bezit overredingskracht en de journalisten hebben zijn verhaal geaccepteerd. Kraaijer zegt dat hij een infiltrant was.

6. De inlichtingendienst heeft te horen gekregen dat Kraaijer zijn verhaal vertelt aan de Telegraaf over zijn vijfentwintig jarige carrière. De dienst besluit om de krant niet in te lichten dat Kraaijer een fantast is of zaken overdrijft. De inlichtingendienst wil hiermee de Telegraaf terugpakken voor het verstoren van de relatie met de dienst.

7. De Inlichtingendienst gebruikt Kraaijer om verwarring te zaaien in de dierenrechtenbeweging en AFA. De dienst wil vooral de Vegan Streaker raken om te laten zien dat ze zijn handel en wandel van dichtbij hebben geobserveerd. Kraaijer is niet actief geweest voor de dienst. Er is nu wel contact geweest met hem en hij krijgt geld voor het vertellen van het verhaal.

8. De AIVD speelt het verhaal van Kraaijer naar buiten om de aandacht af te leiden van andere informanten, infiltranten van wie de dienst verwacht dat die mogelijk in de problemen komen of met betrekking tot eventuele blunders van de dienst. Kraaijer heeft wel contact gehad met de inlichtingendienst in verschillende periodes.

9. De Telegraaf publicatie over Paul Kraaijer moet gezien worden in het kader van de strijd tussen de AIVD, het NCTb (Nationaal Coördinator Terrorisme bestrijding) en de Nationale Recherche (NR). Deze strijd gaat over erkenning, toegang tot informatie, maar ook over geld.
Met de bezuinigingen in zicht wil de NCTb haar werkterrein verruimen naar dierenrechtenactivisme. Erik Akerboom van de NCTb, heeft op een congres in juni 2011 hierop een voorschot genomen. De Nationale Recherche (NR) probeert ook een stukje terrein te veroveren door onderzoek te doen naar Ideologische Misdaad, te vergelijken met het inlichtingenwerk van de AIVD.
De AIVD is bang haar alleenheerschappij op het terrein van buitenparlementaire acties kwijt te raken. De AIVD besluit het verhaal over Kraaijer in te zetten om te laten zien dat de inlichtingendienst over meer kwaliteiten en kennis beschikt dan de NCTb en de NR samen. Kraaijer heeft wel enkele keren contact gehad maar zeer sporadisch. De dienst begeleidt hem.

10. De AIVD heeft wat goed te maken met de Telegraaf. De relatie is onder druk komen te staan door de affaire Heleen de Waal en de gijzeling van journalisten in de affaire rond de BVD stukken over het Amsterdamse criminele milieu. Kraaijer heeft wel een periode informatie verschaft over of AFA of de dierenrechten beweging, maar niet vijfentwintig jaar.

Apr 282011
 

In antwoord op een vraag over een inzageverzoek bij de AIVD werd gezegd dat de betreffende vraag in de ’Organisatie’ zou worden uitgezet. Het antwoord typeert de behoefte bij de dienst om als serieuze organisatie te boek te staan. Haar grote broer de Central Intelligence Agency (CIA) zal in het kader van de transatlantische band veel eerder tot de verbeelding spreken dan haar Britse, Franse of Duitse evenknie. Toch heerst er onzekerheid bij de ‘Organisatie.’ Zij liet in december 2006 door TNS NIPO een onderzoek uitvoeren naar de ‘Beeldvorming van het Nederlandse publiek over de AIVD.’

Continue reading »

Apr 242011
 

In het voorjaar van 2010 was India een paar weken in de ban van een afluisterschandaal, maar vervolgens verdween dat in de vergetelheid. Dit is opmerkelijk gezien de staat van dienst van de inlichtingenwereld in India. Schandalen die gewone Indiërs raken, maar ook corruptie, slecht management, verkeerde technologie en apparatuur en bovenal incompetentie lijken de boventoon te voeren bij de NTRO, die verantwoordelijk wordt gehouden voor het schandaal. NTRO, National Technical Research Organisation, gebruikt IMSI Catchers om voor lange tijd en op grote schaal politici, ambtenaren, zakenmensen, beroemdheden en gewone Indiërs af te luisteren. 

Continue reading »